De geschiedenis van Vlaanderen - Hoofdstuk 34
Robrecht van Bethune
Geschreven door: Charles
Vanderhaegen -
in lichte mate bewerkt door Herman Boel
Gepubliceerd met vriendelijke toestemming van Charles
Vanderhaegen.
Na Marquette, een voorlopige vrede
We zijn in 1304. Op 23 september werd tussen Jan van Namen, die in de naam van zijn vader, de graaf Gwijde van Dampierre, voor Vlaanderen optrad en Filip Ie Bel, koning van Frankrijk, het Akkoord van Marquette afgesloten waarbij na de slag bij de Pevelenberg, die zowel voor Vlaanderen als voor Frankrijk onbeslist eindigde, tot een voorlopige vrede werd besloten. Dit akkoord moest een einde stellen aan de Frans-Vlaamse oorlog die in 1297 was uitgebroken toen Gwijde van Dampierre zich vervallen had verklaard van zijn leenplichten tegenover de Franse koning.
Het Akkoord van Marquette, was overeenkomstig de afspraak tussen beide partijen in feite alleen maar een voorlopig akkoord. Het beslissende akkoord in de vorm van een vredesverdrag moest later plaats hebben en dit zal ook gebeuren in 1305 te Athis-sur-Orge, een dorpje ten zuiden van Parijs, na zeven maanden onderhandelen tussen de Vlaamse en Franse partijen.
Toen het Akkoord van Marquette, dat toch een tijdje vrede zal brengen, algemeen in Vlaanderen bekend geraakte was de vreugde bij de bevolking groot. Men kon weer aan de slag om de door die aanslepende oorlog zwaar geteisterde economie weer op gang te brengen. Maar die voorlopige vrede was minder gunstig voor de Vlamingen dan voor de Fransen. De Vlamingen waren wel voor Frankrijk nog altijd geduchte tegenstanders, maar de Franse koning had heel wat meer mogelijkheden, zowel financiële als wat betreft manschappen, om zijn militaire macht niet alleen te handhaven maar zelfs uit te breiden.
Militair stond Vlaanderen op dat ogenblik erg zwak in vergelijking met Frankrijk. In de Slag bij de Pevelenberg hadden de Vlamingen niet alleen 3000 man verloren, maar ook heel wat oorlogstuig en wapens en daarbij waren hun voornaamste militaire leiders voorgoed van het toneel verdwenen. Gwijde van Namen zat, na de nederlaag bij Zierikzee, in Frankrijk gevangen en Jan van Renesse was tijdens de Vlaams-Hollandse oorlog gewond geraakt en in de Lek verdronken. Maar het ergste van al was de dood van Willem van Gulik die tijdens de laatste gevechten bij de Pevelenberg sneuvelde.
Robrecht van Bethune, oudste zoon van Gwijde van Dampierre
en graaf van Vlaanderen tussen 1305 en 1322.
Uit Effigies des Fores6ers et Comtes de Flandre, (Gentse
Universiteitsbibliotheek)
Tussen Marquette en Athis-sur-Orge
Om met de definitieve vredesbesprekingen te beginnen werd niet lang getalmd, want reeds op 24 september, dus de dag na het Akkoord van Marquette, gaven Filips van Chieti en Jan van Namen volmacht aan vier Vlaamse edelen om Vlaanderen te vertegenwoordigen bij de onderhandelingen voor een definitief vredesverdrag. Het betreft Jan van Cuyck, Jan van Gavere, Gerard de Moor en Gerard van Zottegem. Hierbij moet worden vermeld dat van de vier edelen alleen Gerard de Moor, burggraaf van Gent, als een verdediger van de belangen der steden, ambachten en neringen optrad en hierdoor door de bevolking als een volksvriend werd beschouwd. De drie anderen hadden voornamelijk de belangen van de adel op het oog waardoor het voor hen in de eerste plaats erop aankwam de Dampierres in hun rechten te herstellen en de gevangen Vlaamse ridders vrij te krijgen.
Aan Franse zijde heeft Filip Ie Bel, tegenover onze vier vrij eenvoudige edelen, een keuze van uitstekende diplomaten en behendige rechtsgeleerden bijeen gebracht. Aan het hoofd staat de broer van de koning, Louis van Evreux, met aan zijn zijde de hertog van Bourgondië en de graven van Dreux en Savoye, de twee beste diplomaten van Frankrijk, die al vanaf de opening van de conferentie de Vlaamse ridders domineren. Daarbij komt dat de koning dit wankelend evenwicht tussen de twee partijen in zijn voordeel wist te gebruiken door, in strijd met wat was overeengekomen, zijn onderhandelaars te laten bijstaan door de twee beste legisten van Frankrijk, de aartsbisschop van Narbonne Gilles Aycelin en de bisschop van Auxerre, Pierre van Mornay.
Ook nog vermelden dat de Franse onderhandelaars eigenlijk niet vrij waren zelf beslissingen te nemen, want ieder voorstel dat ze aan de Vlaamse edelen wilden voorleggen moest voorafgaand aan de goedkeuring van de koning worden onderworpen. Het was hij die uiteindelijk besliste wat in het vredesverdrag mocht en/of moest worden opgenomen. Deze ingewikkelde procedure leidde ertoe dat men na twee maanden hard confereren nog geen stap gevorderd was in het formuleren van een definitief vergelijk.
Terwijl de onderhandelingen aan het stagneren waren kwam het bericht van de dood van Gwijde van Dampierre. Op 79-jarige leeftijd op 7 maart 1305 na vijf jaar gevangenschap overleden in de gevangenis van Compiègne. Hier even bij vermelden dat enkele maanden na Gwijdes dood ook Jeanne de Navarre, echtgenote van Filip Ie Bel en koningin van Frankrijk, op 34-jarige leeftijd overleed gevolgd door Filipinna van Vlaanderen, de 19-jarige dochter van Gwijde die in 1294 door Filip Ie Bel gevangen was gezet om haar huwelijk met Eduard, de kroonprins van Engeland, te beletten. Men vermoedt dat ze werd vergiftigd.
Filip Le Bel, handig en sluw zoals altijd, wist de dood van de Vlaamse graaf in zijn voordeel te gebruiken. Robrecht van Bethune en zijn broer Willem werden na vijf jaar gevangenschap vrijgelaten en mochten met het lijk van hun vader terugkeren naar Vlaanderen. Robrecht werd als graaf van Vlaanderen erkend, maar moest wel aan de koning leenhulde brengen, wat hij ook deed. De vrijlating van Bethune had een vrij groot effect op de Vlaamse bevolking en op de vier Vlaamse onderhandelaars te Athis-sur-Orge, waardoor de besprekingen verder voor het grootste gedeelte in het voordeel van de Fransen verliepen.
Robrecht van Bethune brengt leenhulde aan Filip Le Bel voor
het Graafschap Vlaanderen (5 juli 1305)
(naar een gravure ontleend aan de "Geschiedenis van België" door G.H.
Moke)
Het Verdrag van Athis-sur-Orge
Kort na de leenhulde van Robrecht aan de Franse koning op 5 juli, komt er op 23 juli 1305 een einde aan de onderhandelingen en wordt het Vlaams-Franse vredesverdrag geproclameerd in aanwezigheid van de koning van Frankrijk en Robrecht van Bethune, omringd door een groep Vlaamse en Franse edelen, enkele bisschoppen en notarissen om het proces-verbaal op te stellen van de zitting.
De voornaamste bepalingen van dit verdrag kunnen als volgt worden samengevat:
1. De zelfstandigheid van het Vlaamse graafschap wordt gewaarborgd met Robrecht van Bethune, de graaf van Vlaanderen als vorstelijk gezag. Daarmede blijft de onschendbaarheid van het Vlaamse grondgebied en haar vrijheden behouden.
2. Het in het Akkoord van Marquette voorziene zoengeld van 400.000 pond blijft behouden maar wordt gespreid over een periode van vier jaar, maar de voorziene jaarlijkse rente van 10.000 pond wordt verdubbeld.
3. Vlaanderen moet gedurende een jaar 600 zware ruiters ter
beschikking stellen van de Franse koning. In het geval deze
wapenknechten niet zouden worden opgeroepen zal het bedrag van hun
soldij ter beschikking worden gesteld van de koning.
4. De stadsversterkingen rond de vijf grote steden, Brugge, Gent,
leper, Rijsel en Dowaai moeten binnen de twee jaar worden afgebroken
met verbod ze ooit nog terug op te bouwen.
5. Bovendien worden de kasselrijen Rijsel, Doornik, Orchies en Dowaai door de Fransen bezet als waarborg voor de uitvoering van de Vlaamse verplichtingen in deze overeenkomst vervat. (Dit komt er op neer dat heel dat gebied aan de Vlaamse grafelijke macht wordt onttrokken en in het bezit wordt gesteld van de Franse koning).
6. Alle Vlamingen boven de veertien jaar moeten de stipte naleving van de vrede zweren en deze eed moet om de vijf jaar worden vernieuwd. Alle gezagsdragers in Vlaanderen zullen bij het opnemen van hun ambt naar Amiens gaan om daar trouw aan de koning te zweren.
7. Zoals bepaald in het Akkoord van Marquette mogen alle gevluchte Leliaards naar Vlaanderen terugkeren en zullen hun eventuele klachten door een afgevaardigde van de koning en een van de graaf onderzocht worden. Indien ze als gegrond worden beschouwd moeten ze schadeloos worden gesteld voor alle schade die ze hebben geleden.
8. Als vergelding voor de Brugse Metten moeten 3000 Bruggelingen op bedevaart gaan, waarvan 1000 overzee. (De Bruggelingen zullen later deze verplichting weten af te kopen tegen het bedrag van 300.000 pond).
9. De adel en de steden moeten zich bij inbreuken op dit verdrag onderwerpen aan een mogelijke excommunicatie door de paus van Rome, die slechts teniet kan worden gedaan op uitdrukkelijke verzoek van de koning.
10. Ten slotte volgt hier de algemene bepaling dat de koning en zijn raad ten allen tijde bijkomende waarborgen kunnen eisen. (Dit houdt in dat dit verdrag, zelfs wanneer door beide partijen goedgekeurd, op gelijk welk ogenblik door de koning kan worden gewijzigd).
Dit is zowat de inhoud van het verdrag dat na acht jaar oorlog vrede moest brengen. Maar daar zal niet veel van terecht komen wanneer de smadelijke bepalingen van het verdrag in Vlaanderen bekend geraken. Niemand begrijpt wat er de graaf heeft toe aangezet om dit verdrag met zijn goedkeuring te ondertekenen. Maar Robrecht was schijnbaar tot alles bereid geweest om toch maar tot vrede te komen, hoe ellendig die ook maar mocht wezen. Voor Robrecht was het de hoofdzaak dat Vlaanderen een zelfstandig graafschap bleef en zijn vrijheden behield, de verplichtingen die daar tegenover stonden waren voor hem schijnbaar onbelangrijk.
Woede, verbijstering en steekpenningen
De graaf mocht de verplichtingen die door het verdrag aan Vlaanderen werden opgelegd al als onbelangrijk beschouwen, dit was zeker niet het geval met de Vlaamse gemeentenaren. Ze voelden zich bedrogen en door de vier Vlaamse onderhandelaars in de steek gelaten. Sommigen eisten zelfs hun aanhouding en terechtstelling voor landverraad. Zover zal het echter niet komen, want wanneer de onderhandelaars dit vernemen blijven ze voor alle zekerheid in Frankrijk in plaats van terug te keren naar Vlaanderen.
Het zijn niet alleen de gemeentenaren die verbijsterd reageren wanneer ze kennis nemen van het verdrag en daarin niets terugvinden van de algemene amnestie die door punt 4° van het Akkoord van Marquette was voorzien. Ook de verdubbeling van de jaarlijkse aan de koning te betalen rente van 10.000 pond naar 20.000 pond, wekte verontwaardiging en woede op. Komt daarbij dat het wegtrekken van 3000 man voor een nutteloze bedevaart, zoals voorzien in punt 8° van het verdrag, een volslagen ontreddering van het economische leven in Brugge tot gevolg zal hebben. En ten slotte de bepaling dat de koning, gelijk wanneer, bijkomende waarborgen kan eisen (punt 10°) maakt het verdrag waardeloos doordat het hiermee aan de willekeur van de koning wordt onderworpen.
Het gevolg hiervan is dat de Vlaamse gemeenten hardnekkig weigeren het verdrag te ratificeren wat met zich meebrengt dat al bij de eerste lichting, in 1306, van het zogenaamde zoengeld, de ontvangers van de koning op een hevig verzet stuiten en er van de inning niet veel terecht komt. Gemeenten die menen dat ze ten opzichte van andere gemeenten te zwaar belast zijn geworden komen zich bij de koning beklagen en wachten met hun betaling tot er uitspraak komt betreffende hun klacht. Dit zet de koning ertoe aan een minister aan te stellen om de klachten te horen en er uitspraak over te doen. Zijn keuze valt op Enguerrand de Marigny die vanaf dan kan worden beschouwd als een soort minister van Vlaamse Aangelegenheden. Maar ook dat helpt niet veel. Enguerrand is een vreemd personage die er bij het innen van het zoengeld nogal vreemde praktijken op nahoudt. Deze Normandische ridder heeft maar één bekommernis: het Verdrag van Athis zoveel mogelijk geld te laten opbrengen en daarbij zichzelf niet te vergeten. Pittig detail: beschuldigd voor het aannemen van steekpenningen werd hij in 1315 ter dood veroordeeld en opgehangen.
Bij de paus
We zijn in mei 1307 aanbeland. Tweeëntwintig maanden nadat het Verdrag van Athis-sur-Orge werd afgesloten heerst er nog altijd onrust en onvrede in het Vlaamse land. De pesterijen van de belastingontvangers van Enguerrand blijven maar duren en de economische toestand ontwikkelt zich in de richting van een crisis die bijzonderlijk de aloude lakennijverheid treft, een nijverheid waarin zowat twee derden van arbeiders tewerk is gesteld.
Paus Clemens V, die in 1305 Benedictus XI had opgevolgd en grootse plannen had om de negende kruistocht te organiseren, maakte zich zorgen over de Vlaams-Franse problemen die maar bleven aanslepen en waarvoor Filip Le Bel meer aandacht had dan voor de pauselijke kruistochtplannen. Om het probleem op te lossen zag hij maar één middel en dat was beide partijen, de Vlaamse en de Franse, samen te doen komen om een akkoord te sluiten dat voor eens en altijd een einde moest stellen van die vervelende toestand die voor niemand nuttig was.
Toen hij zowel aan Filip Le Bel als aan Robrecht van Bethune dit voorstel deed en daarbij zijn persoonlijke bemiddeling aanbood gingen beide partijen praktisch onmiddellijk akkoord. De vergadering werd belegd te Poitiers in de loop van de maand mei 1307. Waren op de vergadering aanwezig: tegenover de paus langs de ene kant Filip Le Bel bijgestaan door enkele diplomaten en rechtsgeleerden en langs de andere kant Robrecht van Bethune met de vertegenwoordigers van de Vlaamse adel en steden.
De Vlamingen waren met goede hoop naar Poitiers gekomen rekenend op hun vertrouwen in het pauselijk gezag. Maar wat ze over het hoofd hadden gezien is het feit dat de paus een Fransman is die met zijn grootse plannen de absolute hulp van Filip Le Bel nodig heeft. De vergadering verloopt hierdoor niet zo goed voor de Vlamingen. Clemens V doorloopt het Verdrag van Athis, besluit dat de koning het gelijk aan zijn kant heeft en ratificeert de voor de Vlamingen zo'n schadelijke overeenkomst zonder er maar een punt van te wijzigen, met uitzondering van punt 8°, waarbij aan Brugge wordt toegestaan de verplichting voor de bedevaart van 3000 man af te kopen tegen de prijs van 300.000 pond. Dit neemt niet weg dat de gemeentelijke gedeputeerden verschrikkelijk ontgoocheld zijn door het vonnis van de paus die ook voor hen het kerkhoofd is, waarvan ze zoveel hadden verwacht.
Paul Clemens V (1305-1314)
Werd geboren te Roquemaure als Bertrand de Got. (Foto Google)
De gemeenten roeren zich
Het blijft onrustig in het Vlaamse land. Het gesprek met de paus heeft niets opgeleverd al zij het dat de spanningen tussen de voor- en tegenstanders van de vrede hoog oplopen en in de gemeenten leiden tot eindeloos getwist, handgemeen en moord. Bijzonderlijk in Brugge waar de lekenbroeder Willem van Saeftinge, die nog had meegevochten in de Guldensporenslag, na een korte ruzie de Fransgezinde abt van de abdij van Ter Doest doodslaat. Ook wordt op klaarlichte dag een hoge grafelijke ambtenaar door Jan Breydel vermoord.
De toestand wordt van dag tot dag erger. In maart 1309 komt het in Brugge tot straatgevechten tussen de voor- en tegenstanders van het verdrag dat ondertussen de naam van Misera Pax , het Pakt van de ellendige vrede heeft gekregen. Onvermijdelijk slaan de onlusten ook over naar de andere gemeenten waar het bijzonderlijk de ambachten zijn die zich roeren, nu de handwerkers ondervinden hoe de zwaarste lasten van het verdrag op hun schouders komen te liggen, terwijl de Leliaards van alle zoengeldbetalingen zijn vrijgesteld. Wanneer de betalingen van het zoengeld steeds verder achterblijven beginnen de koninklijke baljuws steeds onverbiddelijker op te treden tegen de wanbetalers. Doodstraffen worden aan de lopende band uitgesproken. Maar ook dat helpt niet, de wanordelijke toestand wordt alleen maar slechter.
Het Verdrag van Parijs
Wanneer Filip Le Bel door zijn minister van Vlaamse aangelegenheden van die akelige toestand op de hoogte wordt gebracht, begrijpt hij dat zijn hardvochtige politiek niets heeft opgeleverd en beseft hij dat hij iets moet ondernemen om de gemoederen in Vlaanderen wat te bedaren. Het enige wat hij kan bedenken is de jaarlijkse rente van 20.000 pond, zoals bepaald in punt 2° van het verdrag voor de helft om te zetten in een eenmalige som van 600.000 pond.
De Vlamingen gaan met dit voorstel akkoord tot ze vernemen dat de koning een nieuwe Franse munt heeft gecreëerd die drie keer zoveel waard is als de vorige en dat de 600.000 overeengekomen ponden moeten betaald worden met de nieuwe munt. Dit betekent dat de voorziene afkoopsom wordt verdriedubbeld. Opnieuw breken er onlusten uit. Filip beseft dat hij meer moet doen dan dat en in ieder geval wat eerlijker moet optreden en hoe verrassend dit ook moge klinken, hij doet dat ook.
In januari 1308 laat hij via zijn grootzegelbewaarder (Garde des sceaux) en koninklijk raadgever (Conseiller du roi), Guillaume de Nogaret, een oorkonde bekend maken waarin o.a. wordt verklaard: "We stellen het land van Vlaanderen terug in zijn status quo zoals het was voor de tijd toen wij het graafschap ten gevolge van de oorlog hadden ingelijfd". Dit was voor de Vlamingen een duidelijke bevestiging van de herwonnen zelfstandigheid van Vlaanderen.
Het gevolg hiervan was dat op 9 april 1309 het Verdrag van Athis-sur-Orge door een nieuw verdrag werd vervangen. Het zal de naam dragen van Het Verdrag van Parijs. Volgens dit nieuw verdrag moeten de stadsversterkingen, zoals was bepaald in punt 4° van het Verdrag van Athis, niet worden afgebroken en wordt de algemene amnestie, zoals bepaald in punt 4° van het Akkoord van Marquette, bevestigd. Er zullen ook geen bijkomende waarborgen van de Vlamingen gevraagd worden, zoals bepaald in punt 10° van het Verdrag van Athis. In ruil daarvan moeten er wel 60 Brugse pelgrims op bedevaart gaan naar Avignon en blijven het zoengeld en de jaarlijkse rente behouden.
Robrecht van Bethune, die zo weinig mogelijk problemen wil met de Franse koning, verzoekt de procureurs der steden het verdrag te willen ratificeren, maar Brugge weigert met het gevolg dat ook dit verdrag niets oplost en voor de zoveelste keer dode letter blijft.
Guillaume de Nogaret (1260-1313)
Frans rechtsgeleerde en koninklijk raadgever van Filip Le Bel (Foto
Google)
Lodewijk I van Nevers
Alles wat Filip tot op heden, sedert de Slag bij de Pevenlenberg vijf jaar geleden, heeft gedaan om de Vlamingen onder de knie te krijgen, is mislukt. Maar Filip is een uitzonderlijke vorst die, zoals de geschiedenis ons leert, in alles wat hij doet steeds de bovenhand heeft gehaald en nu zal hij dat opnieuw proberen, maar deze keer met een listig plan. De sleutel van dit plan is de oudste zoon van Robrecht en ook diens opvolger Lodewijk I van Nevers die tot de radicalen in Vlaanderen kan worden gerekend.
Lodewijk van Nevers, die nu 36 jaar oud is, staat gekend als een lichtzinnig man die een nogal losbandig leven lijdt en daardoor steeds in geldnood verkeert. Filip tracht nu hier gebruik van te maken. Hij stuurt Enguerrand de Marigny naar de Vlaamse erfprins met een voorstel om diens erfenisrechten ten voordele van de Franse koning te verkopen tegen wat hij een rijkelijke vergoeding noemt: een eenmalig bedrag van 100.000 pond, een jaarrente van 20.000 pond, een uitbreiding van het graafschap Nevers met een aanpalend leen in Bourgogne en de belofte voor zijn kinderen later schitterende huwelijken te bewerkstelligen, zoals o.a. een huwelijk van Joanne van Vlaanderen, zijn dochter, met Philippe van Euvreux, neef van de koning. Maar Lodewijk, wanneer hij dit voorstel heeft aanhoord, lacht Enguerrand uit wat leidt tot een hoog oplopende ruzie en Enguerrand woedend vertrekt.
Dus ook dit plan om het Vlaams-Frans geschil dat maar blijft aanslepen ten voordele van Frankrijk af te sluiten is mislukt. Filip bedenkt nu wat anders, nogal drastisch, want het kan leiden tot een onherstelbare breuk tussen Vlaanderen en Frankrijk die mogelijks alleen maar met de wapens kan worden uitgevochten. Om Lodewijk onder druk te zetten zal men zijn kinderen schaken die in het graafschap Nevers vertoeven.
Op een of andere manier heeft Lodewijk lucht gekregen van Filips plan en gaat hij met een groep snelle ruiters naar Nevers om de schaking voor te zijn, maar ze komen te laat. De kinderen zijn reeds door de Franse wapenlieden opgepakt en naar Parijs overgebracht. Lodewijk is woedend en vertrekt kort daarop, in december 1311, naar Parijs om te protesteren tegen deze laffe daad, onschuldige kinderen te durven betrekken in een geschil dat slechts volwassenen aangaat.
Maar veel gehoor kreeg hij niet. De koning zelf kreeg hij niet te zien en zijn protest ging verloren in een vloed van beschuldigingen die hem door Guillaume de Nogaret, die optrad als advocaat van de koning en de enige die hem wilde te woord staan, naar het hoofd werden geslingerd: majesteitsschennis, opstand, samenzwering en een poging de Vlaamse steden tegen de koning op te zetten. Lodewijk is razend en durft als antwoord de koning uit te dagen tot een juridisch duel. Dit wordt natuurlijk niet aanvaard. Volgens Nogaret heeft Lodewijk zich crimineel gedragen en heeft hij slechts recht op een strafproces en in afwachting van zijn berechting wordt hij in de gevangenis van Moret (tegen Parijs) opgesloten.
Lodewijk I van Nevers is de derde generatie van het huis van Dampierre die door Filip Le Bel zonder enig proces in de gevangenis wordt opgesloten. Vóór hem waren het, zoals gezien, zijn vader Robrecht van Bethune en zijn grootvader Gwijde van Dampierre. In ieder geval is Lodewijk nu machteloos en dit is voor Enguerrand dan ook een uitstekende gelegenheid om Robrecht in zijn macht te krijgen.
Enguerrand, die op de hoogte is van het feit dat Filip al lang een oog heeft op Waals-Vlaanderen, dit rijke gebied dat met zijn belangrijke handelscentra Rijsel en Dowaai als het ware als een soort van economische macht wordt beschouwd, zal nu trachten, gebruik makend van Robrechts zwakke positie, dit koninklijk verlangen te verwezenlijken en daarvoor heeft hij een vreselijk wapen in de hand: Robrechts gevangen zoon en kleinkinderen.
Het Verdrag van Pontoise
En hij aarzelt niet dit wapen te gebruiken. Hij nodigt Robrecht uit naar Pontoise om daar van het zoveelste verdrag dat de Franse rechtsgeleerden hebben uitgedokterd kennis te willen nemen. Robrecht is er intussen over ingelicht dat zijn zoon en diens kinderen door de koning gevangen worden gehouden en hij weet dat het enige dat hij kan doen om hen vrij te krijgen is ingaan op de eisen van de koning.
En dat doet hij en schijnbaar zonder mopperen. Het Verdrag van Pontoise voorziet vier punten van overeenkomst:
1. Robrecht van Bethune de graaf van Vlaanderen doet afstand
van de heerlijkheid Bethune en Waals-Vlaanderen met Rijsel, Dowaai en
Orchies ten gunste van Frankrijk.
2. Als compensatie wordt de jaarlijkse rente van 10.000 pond
die overeenkomstig het verdrag van Parijs aan de Franse koning
verschuldigd is, overgeschreven ten voordele van de graaf.
3. Bovendien worden alle 'misdaden' die de graaf tegenover de
koning heeft bedreven hem vergeven.
4. Alle verbroken handelsbetrekkingen tussen Vlaanderen en
Frankrijk worden hersteld.
Over een vrijstelling van Lodewijk en zijn kinderen geen
woord. Nochtans tekent Robrecht dit, wat zijn kanselier beschrijft als
"schandalig verdrag". Op 11 juli 1312 wordt het van de grafelijke zegel
voorzien en krijgt het kracht van wet. Hiermede wordt, precies tien
jaar na de Guldensporenslag, die smadelijke nederlaag van het Franse
leger tegen de Vlamingen te Kortrijk, grotendeels uitgewist... volgens
de koning althans. En tot op zekere hoogte heeft hij gelijk, want alles
wat de Vlamingen in 1302 door hun overwinning hadden kunnen
verwezenlijken is door al die opeenvolgende akkoorden en verdragen met
het Verdrag van Pontoise als slot verloren gegaan.
Maar dit is nog niet het einde van de oorlog, want ondertussen is
Lodewijk erin geslaagd uit de gevangenis van Moret te onsnappen en dat
geeft, zoals te verwachten, weer nieuwe verwikkelingen.

De Vlaams-Franse oorlog van 1304 tot 1313
(klik op de afbeelding voor een grotere versie)
bibliografie:
1. DESPRIET, Philippe. "Kortrijk 1302. Keerpunt in de Frans-Vlaamse
oorlog", Uitg. Ph. Despriet, Kortrijk 2002.
2. VAN BELLE, Juliaan. "Een andere Leeuw van Vlaanderen", Uitg.
Flandria Nostra, Torhout 1985.
3. VAN OVERMEIRE, Karim. "De guldensporenslag", Uitg. Egmont, Brussel
2001.
Inhoudstafel - naar hoofdstuk 35
