De geschiedenis van Vlaanderen - Hoofdstuk 32

Na de Guldensporenslag

Geschreven door: Charles Vanderhaegen - in lichte mate bewerkt door Herman Boel
Gepubliceerd met vriendelijke toestemming van Charles Vanderhaegen. 

Gent maakt zich vrij van de XXXIX

Terwijl Filips Le Bel zijn wonden likt na de vreselijke nederlaag die zijn leger, aangevoerd door de meest edele ridders van Frankrijk, in de slag bij Kortrijk op 11 juli 1302, heeft moeten ondergaan, verslagen door een Vlaams volksleger te voet en in de geschiedenis bekend zal blijven als de Guldensporenslag, heerst er in Vlaanderen een onbeschrijflijke op-gewonden vreugde. Terwijl alle klokken in dorp en stad triomfantelijk luiden, wacht men in de steden nog enkel op de terugkeer van de Vlaamse legerleiders en hun milities om die fantastische overwinning uitbundig te vieren.

Wanneer op 12 juli Jan Borluut met zijn soldaten Gent binnenkomt wordt hij met groot gejuich ontvangen, tot grote verbijstering van het Fransgezind Gents bestuursorgaan, de fameuze XXXIX. Opgeschrikt door de trompetters van de Borluutse milities trachten sommigen zich in hun woningen te verschansen terwijl anderen proberen vermomd de stad te verlaten. Maar dat lukt niet altijd, sommigen hebben pech wanneer ze in de handen vallen van Borluuts Klauwaards en meedogenloos worden gedood.

Overal maken de Vlaamsgezinden zich meester van de stad. De lelievlaggen die de openbare gebouwen versieren worden afgerukt en vervangen door de leeuwenvlag. De afzetting van de XXXIX wordt geproclameerd terwijl de partij van Borluut het bestuur van de stad in handen neemt. Nog dezelfde dag, d.i. op 12 juli, wordt er een boodschapper naar Kortrijk gestuurd om aan Gwijde van Namen te laten weten dat de stad zich bij de vrijheidsbeweging heeft aangesloten.

Gwijde samen met Willem van Gullik en Pieter de Coninck, doen op 15 juli hun intrede in de stad waar zij door de bevolking geestdriftig worden ontvangen. Gwijde geeft bevel alle bezittingen van de Leliaards in beslag te nemen om openbaar te worden verkocht. Met de opbrengst worden de ambachtslieden vergoed, die hun werk in de steek lieten om in Kortrijk te gaan vechten. En als laatste besluit voor hij de stad verlaat, stelt Gwijde nog twee gouverneurs aan om de stad te besturen in afwachting van een nieuw schepencollege dat uitsluitend uit Klauwaards zal zijn samengesteld.

Gwijde van NamenGwijde van Namen (1272-1311) - leidde de troepen van Westelijk Vlaanderen in de Guldensporenslag.

 

Brugge viert

Op 23 juli verlaten Gwijde en zijn twee kompanen Gent en doen ze hun intrede te Brugge, waar ondertussen Jan van Namen, eveneens terug van Kortrijk, ook diezelfde dag is aangekomen. Ook in Brugge worden de helden van 1302 met uitbundige geestdrift ontvangen. De ontvangst gaat gepaard met een groot feest waarbij Jan van Namen door de bevolking wordt erkend als ruwaard van Vlaanderen en als plaatsbekleder van zijn vader Gwijde van Dampierre, die zich ondertussen nog steeds in Franse gevangenschap bevindt. Van de uitbundige stemming die met zijn erkenning van ruwaard van Vlaanderen gepaard gaat, maakt Jan gebruik om de Bruggelingen te doen zweren met hem de Vlaamse bevrijdingsoorlog tegen Frankrijk voort te zetten tot de totale overwinning zal zijn behaald.

 

De oorlog gaat verder

Er wordt dus heel wat gefeest, maar die feesten beëindigen de oorlog niet. De Vlamingen hebben wel een veldslag gewonnen maar daarmee niet bepaald de oorlog. Dat weten ze ook en ze weten ook dat de Franse koning bezig is een nieuw leger samen te stellen. Willen ze het zuidelijk gedeelte van Vlaanderen, het zogenaamde Waals Vlaanderen, dat nog door de Fransen wordt bezet ook bevrijden, dan moeten ze onverwijld optreden en dat doen ze ook.

Frans-Vlaamse oorlog
Overzicht van Frans-Vlaamse oorlog - klik op de afbeelding voor een grotere versie

Op zeer korte tijd wordt het Vlaamse leger herschikt onder de leiding van Willem van Gulik en Jan van Namen. Het bestaat uit twee afdelingen die samen vanuit Kortrijk naar het zuiden oprukken. De eerste afdeling trekt naar Rijsel en de tweede naar Dowaai, twee Vlaamse steden die nog steeds in handen zijn van de Fransen. Reeds op 28 juli staan de Vlaamse troepen voor de poorten van Rijsel en sommeren ze de Franse bevelhebber, Etienne II, de graaf van Sancerre, zich over te geven maar deze weigert, hopende op de komst van het nieuwe Franse leger. Op 5 augustus gaan de Vlamingen tot de aanval over maar slagen er niet in de stad binnen te dringen. De strijd sleept aan tot op 15 augustus wanneer, uitgeput door de constante aanvallen van de Vlamingen en tevergeefs wachtend op het leger van de Franse koning, de Franse bevelhebber zich met zijn garnizoen zonder enige eisen te stellen aan het Vlaamse leger overgeeft. De poorten van de stad worden wagenwijd geopend en .Jan van Namen komt met zijn milities de stad binnen en schijnbaar nogal goed gezind, geeft aan de Franse bevelhebber en zijn soldaten toelating de stad te verlaten en verleent hen bovendien nog ongedeerd vrije doortocht naar Frankrijk.

Ondertussen heeft ook Dowaai zich aan de Vlamingen overgegeven zonder veel weerstand te hebben geboden. Zowel in Rijsel als in Dowaai worden de Vlaamse troepen onder gejuich en bloemen door de bevolking ontvangen, waar na vijf jaar Franse bezetting (begonnen in 1297) de lelievlaggen worden verscheurd en de leeuwenvlaggen vanonder het stof worden gehaald als erkenning van het Vlaamse grafelijk gezag.

Heel het Vlaamse graafschap is nu volledig van de Franse bezetting bevrijd en zonder dralen gaat Jan van Namen over tot de herinrichting van de bestuurlijke instellingen. Zo wordt het huis van Dampierre in zijn rechten, na jarenlange Franse onderdrukking, hersteld.

Jan Van NamenJan van Namen (1269-1329)
Zesde zoon van Gwijde van Dampierre en na de zege in Kortrijk tijdelijk benoemd tot ruwaard van Vlaanderen.

 

Frans en Vlaams leger, face to face

Ondertussen heeft Filip Le Bel ook niet stilgezeten. Zijn nieuw leger, in feite maar een zwak afgietsel van zijn leger van juli 1302, is tegen eind augustus min of meer klaar om tegen de Vlamingen op te rukken en hen in hun opmars naar het zuiden te stuiten. Maar daar komt niet veel van terecht, want de Vlamingen schijnen goed ingelicht betreffende de opmars van de Fransen en reageren, onder leiding van Willem van Gulik met een opstelling van hun leger ten zuiden van Dowaai.

Wanneer Guy de Chátillon, de nieuwe bevelhebber van de Franse troepen, vanuit Atrecht wil oprukken naar Dowaai en het Vlaamse leger daar in slagorde ziet opgesteld, begint hij te twijfelen of een aanval wel enige kans heeft tot slagen. Ook van Vlaamse zijde is men niet zo gerust in een goede afloop, zodat de twee legers daar ter plaatse blijven trappelen zonder dat een van beide het initiatief durft te nemen.

 

Onderhandelingen zonder uitkomst

We zijn nu 30 augustus 1302. Daar niemand enthousiast schijnt te zijn om tot de strijd over te gaan wordt wederzijds besloten te overleggen hoe men zonder te veel gezichtsverlies uit de impasse kan geraken. Beide legers sturen hun woordvoerders naar voren die elk hun condities voor het stopzetten van de strijd naar voren brengen. Het hoofd van de Vlaamse delegatie is Jan van Gavere, heer van Schorisse, bijgestaan door de Zeeuw, Jan van Renesse. De Franse delegatie staat onder de leiding van Guy de Chátillon.

De Vlaamse delegatie komt het eerst aan 't woord en stelt voor een wapenstilstand volgende eisen: De Vlaamse graaf Gwijde van Dampierre en zijn beide zonen Robert van Bethune en Willem van Dendermonde moeten worden vrijgelaten. De koning van Frankrijk moet een algemene amnestie verlenen aan alle Vlamingen die iets tegen de koning hebben misdreven sinds het begin van de vijandelijkheden. In ruil hiervoor zullen de vrijgelaten zonen een bedevaart ondernemen naar het Heilige Land, voor de duur van één jaar.

De Vlaamse voorstellen worden meteen door de Franse delegatie van de hand gewezen en maken nu hun eisen bekend en die zijn: De Franse koning moet in al zijn domeinen als enige leenheer worden erkend. Zij die aan de Brugse Metten hebben deelgenomen, voor wie geen straf zwaar genoeg kan zijn, moeten aan het Franse gerecht worden uitgeleverd.

Wanneer Jan van Renesse deze Franse voorstellen hoort ontsteekt hij in een vurige woede en schreeuwt hij de Fransen toe: "Dat nooit! Zeg aan uw koning dat wij hier niet gekomen zijn om voor hem te knielen en dat wij liever de strijd tegen hem verder zetten dan hem onze burgers uit te leveren, zelfs al riskeren wij ons leven".

De onderhandelingen gaan nog enkele dagen door maar lopen uiteindelijk op niets uit met het gevolg dat beide legers met getrokken zwaarden uiteen gaan. Het Vlaamse leger trekt zich ietwat terug tot aan de vlakte voor Dowaai, terwijl de Fransen rechtsomkeer maken in de richting van Atrecht. Dit op bevel van Filip le Bel die vreest dat zijn troepen niet opgewassen zijn tegen de Vlamingen en ze ongeschonden wil laten tot na de winter, want die staat voor de deur en een middeleeuws leger en in het bijzonder het Franse, kan in de winter niet in het veld blijven.

Jan Van RenesseJan van Renesse (?-1304)
Ridder uit een Zeeuws adellijk geslacht en leider van de Vlaamsgezinde anti-Hollandse partij in Zeeland.

 

Lessen: een nutteloze tussenoorlog

De relatieve rust die na het vertrek van de Franse troepen is ontstaan en de lange winter die voor de deur staat zijn niet naar de smaak van Jan van Namen, die schijnbaar oorlog verkiest boven vrede en die stilte op het front als een goede gelegenheid beschouwt om de oude vijand, de Avesnes, te laten zien dat de Dampierres, niettegenstaande de Vlaamse graaf die nog steeds in Frankrijk gevangen zit, nog steeds de machtigste zijn. Om dit te bewijzen dringt hij, begin maart 1303, Henegouwen binnen en belegert hij de burcht van Lessen, een vesting die door Duitse troepen wordt verdedigd. De Vlamingen doen er niet lang over de burcht in te nemen, want dit gebeurt al op 2 april 1303, zonder veel moeite want de graaf van Henegouwen biedt praktisch geen weerstand. Lessen is nu in het bezit van de Vlamingen, maar dit heeft weinig militaire waarde, want het maakt het Vlaamse leger niet sterker en het Franse leger niet zwakker: een nutteloze oorlog.

 

De slag bij Arke

Ondertussen is de Franse bevelhebber Guy de Chátillon met zijn troepen aangekomen te Sint-Omaars, waar er langs de overkant van de Vlaamse grens maar een klein gedeelte van het Vlaamse leger de wacht houdt. Het grootste gedeelte, onder leiding van Willem van Gullik, bevindt zich nog voor Dowaai. Deze opstelling van de Vlaamse strijdkrachten heeft waarschijnlijk aan de Chátillon het idee gegeven langs het zwakst verdedigde Vlaamse gebied, Vlaanderen binnen te dringen en van daaruit op te rukken naar leper of Kortrijk.

Maar van Gullik waakt en wanneer hij verneemt hoe de Franse troepen zich aan het opstellen zijn, stuurt hij een bode naar de Chátillon met een brief waarin hij de Franse bevelhebber aanmaant geen aanval op het Vlaamse grondgebied te durven te ondernemen en mocht hij dat wel doen of trachten te doen, dan zal hij, Willem van Gullik, die de brief ondertekent met "Guillaume de Juliers, petit-fils du comte de Flandre", zich verplicht zien hem op Frans grondgebied te bestrijden. De Chátillon is niet bepaald onder de indruk van de brief en stuurt als antwoord dat Willem van Gulik maar moet handelen overeenkomstig wat hij denkt dat God van hem verwacht.

Willem weet genoeg. Zonder dralen rukt hij noordwaarts op en bereikt hij op 4 april Arke (Arques) dicht bij Sint-Omaars, net over de Franse grens gelegen en heel zwak verdedigd. Willem valt meteen aan. De Fransen zijn volledig verrast. Zestig voetknechten worden gedood en het stadje wordt in brand gestoken.

Wanneer de Chátillon dit verneemt trekt hij met wapperende vaandels en veel trompetgeschal het Vlaamse leger tegemoet, maar het haalt niet veel uit. Willem stelt zijn voetvolk op in een 'kroon', d.i. een hoefijzervormige opstelling waarbij de pieken en de goedendags naar de aanvallers wijzen. Urenlang trachten de Fransen deze formatie te doorbreken, maar zonder succes. Ten slotte moeten ze de strijd opgeven en zich terugtrekken achter de muren van Sint-Omaars om aan een eventuele aanval van de Vlamingen te kunnen weerstaan.

Maar die komt niet. Willem heeft de slag bij Arke gewonnen, heeft de Fransen voorlopig belet het Vlaamse graafschap binnen te dringen en dat schijnt voor hem voldoende. Bovendien moet hij zijn leger na de verliezen die hij heeft geleden herschikken, want hij heeft wel een slag gewonnen maar nog niet de oorlog, want die gaat ongenadig verder.

Willem van Gulik op wegWillem van Gulik op weg naar Arke Vlaanderen en Holland: in oorlog.

Niet alleen vanuit het zuiden loert de oorlog, maar ook vanuit het noorden, d.i. vanuit Zeeland, want Vlaanderen moet op dat ogenblik oorlog voeren op twee fronten. In het zuiden tegen Frankrijk en in het noorden tegen de Avesnes, de graven van Henegouwen, Holland en Zeeland, erfvijand van het huis van Dampierre en bondgenoten van de Franse koning Filip Ie Bel, dankzij de erfenisrechten die ze in 1251 van de Franse koning Louis IX, bijgenaamd Saint Louis, hadden verkregen.

Willem van Avesnes, de zoon van Jan van Avesnes en na diens dood in 1304 gekend als Willem I graaf van Henegouwen en als Willem III, graaf van Holland, had van de Vlaamse troepenconcentraties aan de Franse grens gebruik gemaakt om met een klein leger op te rukken naar Zeeland en zich daar meester te maken van Veere, een stadje op het eiland Walcheren, waarover de graaf van Vlaanderen het leenheerschap bezat. Blijkbaar wilde Willem het aan Jan van Renesse, leider van de Vlaamsgezinde anti-Hollandse partij in Zeeland, die met de Vlamingen had meegevochten in de Guldensporenslag, duidelijk maken dat hij het met dit Vlaamse leenheerschap niet eens was en het aan zijn vader, Jan van Avesnes, moest worden toegekend.

Wanneer Jan van Namen dit verneemt beseft hij dat hij onmiddellijk moet optreden en het gevaar dat nu ook uit Zeeland dreigt, moet verhinderen, ja, zelfs uitroeien want gaat het Franse leger, zoals te verwachten opnieuw Vlaanderen binnen vallen dan kan hij zich niet veroorloven het Vlaamse leger op twee fronten te doen strijden.

In grote haast wordt er een invasievloot samengesteld, bestaande uit een kleine vloot van platte schuiten begeleid door een tiental koggen (*) die onder leiding van Gwijde van Namen op 22 april vanuit Sluis naar Walcheren zeilt. Na drie dagen, d.i. op 25 april, komt de vloot te Veere aan, de soldaten gaan aan wal, belegeren het stadje en kunnen het nog dezelfde dag innemen zonder met veel weerstand te moeten afrekenen. Willem van Avesnes, volledig verrast door de vlugge reactie van de Vlamingen, trekt zich met zijn soldaten terug en verschanst zich te Middelburg.

Koqqen: waren oorlogsschepen die van de 10e tot de 15e eeuw in de noordelijke zeeën in gebruik zijn geweest. Ze waren uitgerust met één mast en een razeil.

Maar de Vlamingen volgen hem en een nieuwe belegering begint, een belegering die zal eindigen op 4 mei, de inname van Middelburg en de overgave van Willem, die om redenen die niet helemaal duidelijk zijn, niet gevangen wordt genomen maar wel met zijn aanhangers vrije doorgang krijgt om zich naar Holland te begeven. Maar zover zal hij niet gaan. Na de Schelde te hebben overgestoken, stelt hij zich op te Zierikzee op het eiland Schouwen.

Hiermede is Walcheren nu helemaal in Vlaamse handen, maar dit kan de strijdlustige Gwijde niet tot rust brengen. Het ligt in zijn bedoeling de rest van Zeeland in te nemen en hij droomt er zelfs van de Maas over te steken om heel Holland onder de voet te lopen. Op 15 mei en enige weken later op 11 juni, laat hij nieuwe versterkingen vanuit Brugge, Gent en het Land van Waas overkomen om verder Zeeland binnen te dringen en dat lukt ook, buiten Zierikzee waar hij tot staan wordt gebracht maar links laat liggen en verder oprukt in de richting van de Maas.

Zo vlug volgt de opmars van de Vlamingen dat Willem van Avesnes, die vreest voor een totale bezetting van Holland door de Vlamingen, een wapenstilstand voorstelt. Gwijde gaat akkoord te onderhandelen en dat komt vrij voordelig voor hem uit: hij mag tot het aanbreken van de winter 1303 heel Zeeland tot aan de Maas bezetten, met uitzondering van Zierikzee.

Willem van AvesnesWillem van Avesnes (1287-1337)
Als Willem I graaf van Henegouwen en als Willem III graaf van Holland en Zeeland. (foto Yahoo)

In deze korte Vlaams-Hollandse oorlog heeft Gwijde van Namen heel Zeeland veroverd met uitzondering van Zierikzee. Hier moet wel worden aan toegevoegd dat dit ook grotendeels te danken was aan de Zeeuwse edelen van Walcheren en Zuid-Beveland, d.i. het hele Zeeuwse gebied ten zuiden van de Schelde, die in een samenwerking met het Vlaamse graafschap meer voordelen zagen dan in een bondgenootschap met de graaf van Holland.

Met de Vlaamse troepen die door de verovering van Zeeland en de daarop volgende wapenstilstand zijn vrijgekomen, kan Jan van Namen nu de zuidelijke grenzen van het graafschap versterken en dat is ook dringend nodig, want volgens berichten die van de Vlaamse verspieders vanuit het noorden van Frankrijk binnenkomen, heeft Filip Ie Bel ondertussen ook niet stil gezeten en is hij, na zijn schandelijke nederlaag in de slag bij Arke, bezig in de omgeving van Atrecht een nieuw leger samen te stellen dat sterk genoeg moet zijn om Vlaanderen binnen te vallen en weerwraak te nemen voor de grote verliezen die zijn prachtig ridderleger op 11 juli 1302 heeft moeten ondergaan.

 

Slecht nieuws uit Engeland

Ondertussen, op 2 april 1303, had Jan van Namen een gezantschap, bestaande uit vier Vlaamse ridders en een twintigtal klerken en poorters van de vijf goede steden, onder leiding van Geraard van Zottegem, de burggraaf van Gent, naar de koning van Engeland, Edward I, gestuurd met de bedoeling met hem een Vlaams-Engels bondgenootschap te sluiten tegen de koning van Frankrijk.

Maar het voorstel kwam op een verkeerd moment voor de Engelse koning die al sedert 1296 oorlog voerde in Schotland met het doel dit land, nadat hij erin was geslaagd Wales bij Engeland in te lijven, ook aan de Engelse kroon te onderwerpen. Op het ogenblik dat de Vlaamse delegatie in Engeland aankwam had Edward net een beslissende veldtocht voorbereid. Het ogenblik was voor hem gunstig want hij wist dat de Franse koning, wegens zijn oorlog tegen Vlaanderen geen hulp kon bieden aan de Schotten.

De poging om Engeland langs de kant van Vlaanderen te krijgen liep verkeerd af. Niet alleen dat er van een bondgenootschap niets terecht kwam, maar nog slechter was dat de koning van Engeland, na de Vlamingen met lege handen naar huis te hebben gestuurd, ook nog op 20 mei een bondgenootschap sloot met de Franse koning waarbij deze zijn hulp aan Schotland stop zette in ruil voor een neutrale houding van Engeland in het Vlaams-Franse conflict.

Dit was een serieuze tegenslag voor Jan van Namen die ernstig had gerekend op een steun van Engeland in de Frans-Vlaamse oorlog. De steun waarop hij had gehoopt was door de Engels-Franse overeenkomst nu overgegaan naar Frankrijk, want die neutrale houding van Engeland in die oorlog versterkte alleen maar de positie van Frankrijk ten opzichte van Vlaanderen.

 

Wapenstilstand

Dit was tot op zekere hoogte juist, maar toch niet helemaal, want Filip Ie Bel had zoveel problemen aan zijn hoofd dat de neutrale houding van Engeland niet veel uitmaakte. Om zijn nieuw leger op de been te krijgen zat hij zo verlegen om geld dat hij op een zeker ogenblik zijn manschappen die rond Atrecht gelegerd waren niet meer kon betalen met het gevolg dat de soldaten aan het muiten sloegen, hun officieren gijzelden en de omliggende dorpen begonnen te plunderen.

Edward I - Koning van EngelandEdward I - Koning van Engeland (1272-1307)
(Foto Google)

Toen dit Jan van Namen ter ore kwam zond hij meteen een boodschapper naar de legerleiding van de Franse troepen rond Atrecht met het verzoek te willen onderhandelen over een wapenstilstand. Met de goedkeuring van Filip le Bel werd daarmee op 11 september 1303 begonnen en kwam het op 21 september tot een akkoord met volgende voorwaarden: De wapenstilstand werd gesloten voor een periode van acht maanden, tot 24 mei 1304. De Vlaamse troepen trekken zich terug bewesten Doornik. In ruil worden Gwijde van Dampierre en Willem van Dendermonde voor de duur van de wapenstilstand vrijgelaten. Deze tijdelijke terugkeer van Gwijde is niet bepaald een versterking van Vlaanderen, want Gwijde is oud (77 jaar), maar wel hebben de Vlamingen nu tot het einde van de winter de tijd om hun leger te herschikken om nieuwe slagen te kunnen toebrengen aan het Franse kamp. Dit zal ook gebeuren onder de leiding van een nieuwe aanvoerder: graaf Filips van Chieti.


bibliografie:
1. VAN BELLE, Juliaan. "Een andere Leeuw van Vlaanderen", Uitg. Flandria Nostra, Torhout 1985.
2. VAN OVERMEIRE, Karim. "De guldensporenslag", Uitg. Egmont, Brussel 2001.
3. VERBRUGGEN, J.F. "De slag der gulden sporen", Uitg. Standaard Boekhandel, Antwerpen 1952.

Inhoudstafelnaar hoofdstuk 33

 
 
Over Herman Boel

Herman Boel is voltijds zelfstandig vertaler en auteur van twee skeptische boeken.

Lees meer »
Disclaimer
  • Aansprakelijkheid voor gebruik van de inhoud van de website.

Lees meer »
Browsercompatibiliteit

Deze webstek werkt prima in moderne browsers als Google Chrome, Firefox en Opera en mogelijk ook min of meer goed in Internet Explorer en Safari.

Contact

U kan me contacteren via het het invulformulier.

Online contactformulier »