De geschiedenis van Vlaanderen - Hoofdstuk 31

De Guldensporenslag

Geschreven door: Charles Vanderhaegen - in lichte mate bewerkt door Herman Boel
Gepubliceerd met vriendelijke toestemming van Charles Vanderhaegen. 

Tussen opstand en oorlog

We zijn einde juni 1302. De Frans-Vlaamse oorlog die met de intrede te Brugge van Willem van Gulik, de kleinzoon van Gwijde van Dampierre, graaf van Vlaanderen, en de daaropvolgende opstand tegen de Fransen was begonnen, bereikt zijn hoogtepunt. Onder zijn leiding, samen met Gwijde van Namen, de zevende zoon van Gwijde van Dampierre, hadden de opstandelingen geheel het westen van Vlaanderen van de Franse bezetting vrijgemaakt en rukten ze op naar Kortrijk waar uiteindelijk de beslissende slag zal worden geleverd.

Naast deze twee leiders, Willem en Gwijde, zien we ook nog een derde optreden, met name Pieter de Coninck. Deze drie leiders tonen aan welke stromingen er toen in het kamp der opstandelingen aanwezig waren. Willem en Gwijde streden in de eerste plaats om de grafelijke macht te herstellen en Vlaanderen van Frankrijk zelfstandig te maken onder het beleid van het wettelijk grafelijk huis. Pieter de Coninck, de volksmenner, de man van de handwerkers, vertegenwoordigde het sociaal aspect van de Vlaamse opstand: het bewust streven van de gemeenten naar een deelname aan de politieke leiding van het graafschap. Een mengeling dus van nationale, politieke en sociale stromingen, allen met hetzelfde doel: Vlaanderen als een zelfstandige natie te doen groeien, vrij van Frankrijk.

Wanneer Filips de Schone, koning van Frankrijk, verneemt dat de Fransen uit een groot gedeelte van Vlaanderen door een Vlaams leger verjaagd zijn en de Vlamingen op weg zijn om wat er nog van de Franse macht in Vlaanderen overblijft ook te verjagen voelt hij zich in zijn eer aangetast. Dit kan niet ongestraft blijven. Uit al zijn landen roept hij zijn troepen terug en vormt hij de grootste strijdmacht die hij bijeenbrengen kan en plaatst hij het onder de leiding van Robert d' Artois.

Met tweeduizend vijfhonderd ruiters, vijfhonderd boogschutters en vijfduizend soldaten te voet, rukt d' Artois op 30 juni vanuit Atrecht op naar Kortrijk. Dit ging gepaard met uitzinnig geweld. Vanaf het ogenblik dat zij Vlaanderen binnenrukten, spaarden zij vrouw noch kind en werden alle mannen die ze maar konden vatten, onthoofd.

Vlaams voetvolkVlaams voetvolk gewapend met pieken en goedendags.
(Foto uit "De Guldensporenslag" van Karim van Overmeire)

 

Het Vlaamse leger

Ondertussen was het Vlaamse leger, dat op 31 mei 1302 aan de bevrijdingstocht van Vlaanderen was begonnen, ook heel wat aangegroeid. Jan van Namen, de zesde zoon van Gwijde van Dampierre snelde met zeshonderd wapenlieden zijn broer te hulp. Vanuit Kassel kwamen er tweeduizend en vanuit Poperinge nog eens achtduizend man het leger van Gwijde vervoegen. Ook vanuit Gent kwam er hulp met de ons gekende Jan Borluut die het leger nog eens met zevenhonderd man versterkte. Zijn ook nog van de partij, de volksleider Jan Breydel die met allerlei goederen, eetwaren en drank het leger vervoegt en met hem tenslotte ook nog de ervaren krijgsman Jan van Renesse uit Zeeland met een groep goed militair uitgeruste mannen uit de Vier-Ambachten.

Zo stond, volledig uit eigen beweging, de gehele wapenmacht van Vlaanderen in het veld voor Kortrijk en voor de eerste keer onder een gemeenschappelijke vlag: de Vlaamse Leeuwenbanier.

 

De opstelling van de legers

Op 8 juli slaat Robert d' Artois zijn kamp op aan de voet van de Pottelberg terwijl de Vlaamse bevelhebbers de laatste voorbereidingen maken tot de nakende kamp. Ze weten dat die zeer zwaar zal zijn want ze beschikken in totaal maar over twaalfduizend man waaronder vijfhonderd boogschutters, allen te voet en slechts een dertigtal ridders, waaronder Gwijde van Namen, Willem van Gulik en Jan Renesse, terwijl de Fransen met hun tweeduizend ridders dubbel zo sterk zijn.

Drie dagen zullen beide legers vóór elkander liggen tot de Vlaamse bevelhebbers van hun spionnen vernemen dat de Fransen besloten hebben de aanval in te zetten. Onmiddellijk stellen Willem van Gulik en Jan van Renesse hun manschappen in slagorde op. Dertig man diep worden er drie scharen over een halve kilometer in de vorm van een halve maan heel dicht op elkaar geplaatst zodat de slagorde ononderbroken lijkt. De rechtervleugel staat onder het bevel van Willem van Gulik, de middenvleugel, samen met de reservetroepen, staat onder het bevel van Jan van Renesse en de linkervleugel onder Gwijde met Jan Borluuts Gentenaars en de krijgslieden van Jan van Namen.

guldensporenslag - opstelling legers
Opstelling van de legers
(klik op de afbeelding voor een grotere versie)

Dit was voor het Vlaamse leger zowat de best mogelijke positie. Met de Leie in de rug, de Grote Beek in 't zuiden en de Groeningebeek in het oosten, hadden de manschappen een uitstekende beschutting. De twee voornoemde beken waren weliswaar amper drie tot vier meter breed, maar ze waren wel twee of meer meter diep. Ze waren dus niet zo gemakkelijk over te steken, niet voor het voetvolk en zeker niet voor de zwaar gewapende Franse ruiters.

Terwijl het Vlaamse leger de voorziene posities inneemt, verspreidt langs de Franse kant d'Artois het koninklijke leger over tien bataelgen of ridderscharen met een gemiddelde van tweehonderd gepantserde ruiters. Door de positie die het Vlaamse leger heeft ingenomen kan hij niet anders dan de bataelgen op te stellen langs de andere kant van de beken. Hij plaatst er vier ten zuiden van de Grote Beek en zes ten oosten van de Groeningebeek. Het voetvolk staat in twee rijen opgesteld vóór de zwaarbewapende ruiters, met het zicht op de Vlaamse boogschutters die in twaalf groepjes langs de beken post hebben gevat. De Franse bedoeling is dat het voetvolk de beken oversteekt, met zijn overmacht in getal de boogschutters overrompelt en zo de weg vrij maakt voor de ruiters.

Jan BreydelJan Breydel
(Brons van Paul de Vigne Museum voor schone kunsten, Gent)

 

De slag: eerste fase

Het was op St-Benedictusdag, 11 juli 1302, dat de beslissende slag werd geleverd. Vol spanning wachtten de Vlamingen op het ogenblik dat de Fransen, die ze van over de beken konden zien, zich in beweging zullen zetten. Gwijde van Namen maakte van de stilte voor de storm gebruik om van de Vlaamse geestelijkheid te vragen smeekbeden tot de hemel te richten om Gods bijstand te verzekeren en de soldaten de zegen te geven.

Het is iets tegen de middag dat de Fransen, opgesteld ten oosten van de Groeningebeek, hun bogen spannen, hun pijlen door de lucht beginnen te zoeven en als een hagelbui op de Vlaamse boogschutters neerkomen. Die kunnen echter, verborgen achter hun grote schilden, de aanval vrij goed weerstaan, maar wanneer het Franse voetvolk zich in beweging zet en door zijn overmacht in getalsterkte erin slaagt de Groeningebeek over te steken, zien de boogschutters, die niet opgewassen zijn tegen dergelijke overmacht, zich verplicht zich terug te trekken en de Fransen te laten naderen. Deze voelen zich al de overwinnaars en overmoedig vooruit rukkend slaken ze al kreten van triomf.

Dit was inderdaad wel wat overmoedig want door hun oprukken naar de drie Vlaamse legerscharen, liepen ze de kans door deze te worden omsingeld en dan was hun lot bezegeld. Robert d'Artois die vanuit zijn positie ten oosten van de samenvloeiing van de Grote Beek en de Groeningebeek het gevaar zag aankomen, vond het ogenblik gekomen om zijn ruiters de strijd van het voetvolk te laten overnemen. Bovendien stond het ridderschap al ongeduldig te wachten om op zijn beurt te mogen oprukken.

Hierop gaf d'Artois het voetvolk het bevel zich terug te trekken terwijl hij aan zijn linkervleugel onder de leiding van Raoul de Nesle het bevel gaf de Grote Beek over te steken. Dit lukte wel gedeeltelijk zonder veel schade maar eens in het veld, door hun grote getalsterkte en op een zeer kleine ruimte strijdend, konden zowel het voetvolk als de ruiterij de bevelen moeilijk opvolgen. Er ontstond een grote wanorde en deze ging over in uiterste verwarring wanneer de ruiters met hun onbedwingbare arrogantie rechtstreeks op de Vlaamse scharen losrukten, dwars door hun eigen voetvolk om zich een weg te banen naar hun doel en daarbij hun eigen voetvolk onder de hoeven van hun galopperende paarden vertrappelden.

Door die vreselijke verwarring, waarin het gehuil van de gewonden zich mengde met de wapenkreten van de ruiters en het gesnuif der paarden, kregen de Vlamingen de tijd om zich verdedigend tegen de aanstormende ruiters op te stellen. De Vlaamse boogschutters gooiden hun pijlkokers tegen de schenen der eerste aanstormende paarden waardoor die struikelden en hun berijders op de grond wierpen. De ruiters waren echter groot in aantal en ze bleven maar komen, niet beseffende dat ze hun dood tegemoet liepen

Samen met de manschappen uit de scharen, gewapend met zwaarden, pieken en goedendags hadden de Vlamingen a.h.w. een ijzeren muur gevormd. Een deel van de ridders slaagde er wel in een bres te slaan in de Vlaamse gelederen, maar ook voor hen kwam dit verkeerd uit. De Vlaamse rangen sloten zich rond de ruiters en hakten alles neer wat maar in hun scharen was binnengedrongen. Toen Renesse met zijn reserve zich ook in de strijd mengde werden de Fransen die aan de omsingeling hadden kunnen ontsnappen achteruit gedreven en toen ze in wilde wanorde de Grote Beek trachtten over te steken, vielen velen van hun paarden en kwamen met hun zware harnassen overladen in het water terecht waar ze hulpeloos verdronken.

Franse ridders doodDe Franse ridders lopen zich te pletter tegen de ijzeren muur.
(Uit "Het verhaal van Kortrijk door S. Dupré en L. Timmers)

 

De slag: tweede fase

Robert d'Artois schijnt op dat ogenblik nog niet volledig te hebben beseft met wat een soort vijand hij te maken had. Nooit hadden zijn ruiters aan een voetvolk het hoofd moeten bieden. Ridders vochten tegen ridders en voetvolk tegen voetvolk. Het werd tijd die domme Vlaamse boeren en wevers op hun plaats te zetten en hen te laten zien dat het de ruiters zijn die hier het meesterwerk uitvoeren en niet het voetvolk.

Terwijl de ruiters van zijn linkervleugel hun wonden likken geeft hij bevel aan zijn rechtervleugel om tot de aanval over te gaan. Drie legerscharen zetten zich in beweging, steken zonder enige Vlaamse weerstand en vrij beheerst de Groeningebeek over en beginnen een stormloop op de Vlaamse legerschare die onder de leiding staat van Gwijde van Namen. De stormloop wordt met goed geordende en dicht gesloten eenheden doorgevoerd zonder dat die veel weerstand ondervindt van de Vlaamse legerschare, maar zoals het de ridders van Raoul de Nesle was vergaan, beseffen ze niet dat ze, door het binnendringen in de Vlaamse schare hun dood tegemoet lopen. Hun paarden lopen zich dood op de goedendags en werpen hun ridders af, die met hun zware harnassen moeilijk weerstand kunnen bieden aan de Vlaamse krijgslieden en zonder dralen worden afgemaakt.

Ondertussen had Renesse zich met zijn reserve teruggetrokken in afwachting van de volgende aanval. Wanneer hij ziet hoe de Franse ridders in heftige gevechten met Gwijdes legerschare verwikkeld zijn rukt hij met zijn reserve opnieuw naar voren en mengt zich in de strijd. Nu volgt er met zijn troepen een heftig handgemeen, een strijd gevoerd op korte afstand en dit is voor de Vlamingen een groot voordeel. De superioriteit van honderd ridders op duizend krijgslieden te voet smelt als sneeuw voor de zon.

De Vlamingen strijden nu met duizenden tegelijk. Drie tot vierduizend krijgslieden slaan toe met hun lange pieken en hun verschrikkelijke goedendags, terwijl de ridders met hun twaalfhonderd ruiters sterk in de minderheid zijn. Wel doen ze alle mogelijke moeite om zich vrij te maken van de omsingeling waarin ze verstrikt zijn geraakt en proberen ze keer op keer een stormloop in te zetten, maar doordat de ruimte daarvoor beperkt werd door de hen omsingelende Vlaamse krijgslieden, kunnen ze niet veel aanvangen. Het centrum en de reserve van Renesse rukt nu verder naar voren en drijft langzamerhand de Franse ruiters voor zich uit in de richting van de twee beken.

Dat de Vlaamse strijders het initiatief in handen krijgen van de strijd wordt nu duidelijk. Over het gehele veld tussen de twee beken trekken de Vlamingen vastberaden voorwaarts. De stormloop der Franse ridders is volledig mislukt dankzij de muur der pieken en dat geeft de Vlamingen zelfvertrouwen. Het gevecht van de twee legers mondt nu uit in een vreselijke slachtpartij. Met de goedendags worden de ridders en hun schildknapen van hun gevallen paarden gesleurd en gedood.

Tevergeefs pogen de ridders die het vreselijke gevecht overleven zich vrij te maken uit het handgemeen en trachten ze rechtsomkeer te maken . Sommigen slagen er wel in maar de enige richting die ze kunnen nemen is naar het zuiden of het oosten en in beide richtingen wachten hen de beken. Twee beken met hun alluviale oevers en bodems vormen een dodelijke hindernis in het geval van een overhaaste vlucht. Door de wanorde en het gebrek aan ruimte wil iedere ruiter de andere voor zijn, maar eens tot bij de beek aangekomen hebben ze geen aanloopruimte genoeg om met één sprong de andere oever te bereiken, waardoor ze in het water terechtkomen, hun paarden in de modder vast geraken, ze uit het zadel worden geworpen en verdrinken of door de achter hen komende vluchtende ridders worden verpletterd.

Franse ridders in bekenDe Franse ridders storten te pletter in de beken.
(Bibliothèque Nationale Paris, zoals afgebeeld in "Kortrijk 1302" van Philippe Despriet)

 

De slag: derde en laatste fase

Wanneer Robert d'Artois, van op zijn stelling ten oosten van de beken dit debacle aanschouwt is hij ziedend. Hij begrijpt dat hij vliegensvlug moet optreden of de slag is verloren. De dood verkiezend op het slachtveld boven de ondraaglijke oneer van een nederlaag aarzelt hij geen ogenblik persoonlijk ten aanval te trekken. Met de enige ridderschare die nog niet in de strijd is gewikkeld en onder leiding staat van Jacques de Chátillon, de gewezen landvoogd, begint hij een nieuwe stormloop in de richting van de Groeningebeek die hij met een machtige sprong van zijn paard overschrijdt.

Onder luid trompetgeschal en aangemoedigd door zijn onverschrokken gedrag wordt hij door de ruiters gevolgd die met woest geweld komen aanstormen. Sommigen raken ook over de beek, maar anderen blijven hulpeloos vastzitten in de modder en verdrinken. Wie over de beek is geraakt loopt zich te pletter op de goedendags die de paarden doen struikelen en wordt onmiddellijk opgevangen door de Vlamingen en gedood. Dat lot ondergaan o.a. de Chàtillon en Pierre Flote, de kanselier van Filips de Schone die in de slag zijn koning vertegenwoordigt.

D'Artois is er evenwel in geslaagd tot diep in de schare van Gwijde van Namen door te dringen en slaagt er zelfs in totaan de Vlaamse banier te geraken, deze uit de handen van de banierdrager te rukken en hem in stukken te scheuren. Maar dat helpt allemaal niet, van alle kanten snellen de Vlaamse krijgslieden toe, maar d'Artois is een moedige strijder en een zeer bekwame ruiter waardoor hij de aanvallen van de Vlaamse krijgslieden grotendeels kan ontwijken. Ten slotte, hoe moedig hij ook strijdt, zit hij hopeloos vast te midden van zijn vijanden, wordt hij gewond, raakt hij uitgeput en kan hij een fatale slag van Willem van Saaftinge, een lekenbroeder die in het leger van Gwijde meevecht, niet ontwijken. Met forse slag velt deze het strijdros van de graaf, die meegesleurd wordt in de val en met dodelijke wonden overdekt sneuvelt.

De laatste ridders die zich nog in het veld bevinden trachten nu, ontmoedigd door de dood van hun leider, te vluchten maar ze kunnen de verschrikkelijke knotsen van de Vlamingen, die zich nu als razenden op hun vijanden werpen niet ontgaan. Sommige slagen er nog in strompelend de Groeningebeek te bereiken en trachten die in paniek over te steken, maar waar ze, elkanders bewegingen belemmerend, ellendig verdrinken.

Terwijl hij de aftocht van de ridders ziet, geeft Gwijde van Namen nu aan zijn manschappen het bevel de Groeningebeek over te steken en de Fransen verder te vervolgen. Met honderden lopen ze over de lijken der ridders en hun dode paarden die de beek vullen, geraken ze aan de overkant en stormen ze met luid geschreeuw op de Fransen toe. Wanneer die hen zien aankomen beginnen ze aan een eindeloze vlucht, maar gelijk wie door de Vlamingen kan worden ingehaald wordt gedood. Tevergeefs willen sommigen zich overgeven, daar zij beseffen dat de slag verloren is. Er worden echter geen gevangenen genomen. Voor vele handwerkers en voor talloze boeren is het uur van de onverbiddelijke wraak geslagen.

Dit duurt nog tot in de avond wanneer het Vlaamse leger de achtervolging stop zet en terugkeert naar het veld. Daar lagen in het slijk van de omgewoelde beken, door het bloed der gesneuvelden roodgekleurd, meer dan duizend gesneuvelde Franse ridders, alsook het grootste gedeelte van het Frans voetvolk.

De slag was ten einde. Het Vlaamse leger samengesteld met neringlieden, boeren en vissers had het prachtigste leger van geheel West-Europa vernietigd.

dood van Robert d'ArtoisDe dood van Robert d'Artois.
(Volgens een 15' eeuws miniatuur uit de bibliothèque Municipal van Angers)

 

Na de slag

Al van zes uur in de morgen stonden, liepen en streden de krijgslieden op het slagveld, waarna velen velen nog de achtervolging van de vluchtende Fransen hadden ingezet en wel nog een tiental kilometers afgelegd zodat het gehele veld maar tot rust komt bij het vallen van de avond. De mannen zijn doodop, hun handen zijn verstijfd omdat zij de goedendag of de piek stevig omknelt hebben tijdens het gevecht. Allen zijn eveneens uitgehongerd, want sinds de morgen, toen ze de zegen van de priesters hadden gekregen, hebben ze niet meer gegeten, maar de boeren van over de Leie, die de stilte die over het slagveld valt als een zege voor de Vlamingen beschouwen, komen nu met brood, wijn en gedroogde vis de honger verdrijven.

Overeenkomstig het krijgsgebruik van die tijd brengen de overwinnaars, de Vlamingen dus, de nacht door op het slagveld, ten teken dat zij dit waarachtig in bezit hebben genomen, tot de volgende morgen wanneer de opruiming van het slagveld begint. Ook volgens het toenmalig krijgsgebruik worden de lijken der overwonnenen uitgeschud en laat men ze zo goed als naakt op het slagveld achter tot men ze zonder veel ceremonie zal begraven. De buit is aanzienlijk want de Fransen hadden in hun vlucht hun kampementen in hun geheel moeten achterlaten: weelderige paviljoenen versierd met banieren en voorzien van vele vaten wijn die ze hadden meegebracht om ze op de overwinning te drinken.

De grootste buit bestond uit zevenhonderd gulden (gouden) sporen van de gesneuvelde Franse ridders en nog een hele vracht van zilveren sporen, want wie de ridderslag nog niet had ontvangen mocht alleen maar zilveren sporen dragen. De gouden sporen werden naar Kortrijk gebracht en daar in de O.L. Vrouwkerk opgehangen als dank voor de H. Maagd, die de Vlamingen in hun harde strijd had bijgestaan. Weze hierbij nog gezegd dat ze daar maar tachtig jaar zullen blijven hangen tot wanneer ze na de nederlaag van Filips van Artevelde in de slag van Westrozebeke (1382) door de Fransen zullen worden geroofd om de herinnering aan die rampzalige guldensporenslag uit te wissen.

De opruiming van het slagveld ging niet alleen gepaard met de plundering van de bezittingen van de gesneuvelden maar ook met de vraag wat te doen met de stoffelijke overschotten van de Franse soldaten en hun bevelvoerders. Wat het gesneuvelde voetvolk betrof, was er geen probleem, die werden gewoon in massagraven gestopt. Willem van Gulik had echter zijn twijfels wat betreft het lijk van Robert d'Artois. Naar de gewoonten van die tijd hadden de bevelhebbers van de overwonnenen het recht op een waardige begraving, maar van Gullik weigerde dit wat betreft d'Artois toe te staan, de marteldood van zijn broer in Buiskamp indachtig. Maar uiteindelijke stemde hij ermee in, op aandringen van een monnik uit Oudenaarde, om de graaf en zijn voornaamste officieren rondom de abdijkerk van het Groeningeklooster te begraven.

Terwijl de overwinning in alle Vlaamse steden uitbundig werd gevierd heerste er in Parijs grote consternatie. De smadelijke nederlaag van zijn onklopbaar geacht ridderleger kwam bij Filips De Schone over als een affront zonder weerga. Alsof Gwijde van Dampierre rechtstreeks de verantwoordelijkheid droeg voor het Franse debacle, liet hij de oude graaf bij zich ontbieden en slingerde hij hem de gemeenste verwijten naar het hoofd. Ook Robrecht van Béthune moest het ontgelden want die werd van uit zijn relatief goede gevangenschap voor de duur van zes weken opgesloten in de donkerste en kilste cel van het kasteel van Chinon.

Maar met dit bekoelen van zijn woede op twee achter slot en grendel zittende gevangenen is de eer van Frankrijk verre van gered. Om die te herstellen zal het heel wat inspanningen vergen. Niet alleen heerste er nu een militaire crisis, maar ook een financiële, want de oorlog heeft in de Franse schatkist een groot gat geslagen en dat moet dringend worden hersteld.

Nieuwe belastingen moeten Frankrijk uit het financiële slop halen en aan de militaire onzekerheid die de vreselijke nederlaag te Kortrijk had veroorzaakt moet een einde worden gesteld. Maar dit is niet eenvoudig. Niet alleen had hij met de gesneuvelde graven een aantal zeer bekwame medewerkers verloren, ook zijn Vlaamse politiek moest hij opnieuw bekijken. De enige oplossing was het oprichten van een nieuw leger voor een nieuwe oorlog, die ditmaal moest worden gewonnen. En dat lukt ook, want die nieuwe oorlog komt eraan, vlugger dan iemand had verwacht.

gulden sporenDe gulden sporen worden in O.L.V. -kerk van Kortrijk opgehangen.
(Gravure van G. H. Moke zoals weergegeven in "Een andere Leeuw van Vlaanderen" van Juliaan van Belle)


bibliografie:
1. DESPRIET, Philippe. "Kortrijk 1302. Keerpunt in de Frans-Vlaamse oorlog", Uitg. Ph. Despriet, Kortrijk 2002.
2. FRIS, Victor. "Vlaanderens vrijmaking in 1302", Uitg. Boekhandel J. Vuylsteke, Gent 1902.
3. VAN BELLE, Juliaan. "Een andere Leeuw van Vlaanderen", Uitg. Flandria Nostra, Torhout 1985.
4. VAN OVERMEIRE, Karim. "De guldensporenslag", Uitg. Egmont, Brussel 2001. 
5. VERBRUGGEN, J.F. "De slag der gulden sporen", Uitg. Standaard Boekhandel, Antwerpen 1952.
6. WATERSCHOOT, W. "Lodewijk Van Velthem: de Guldensporenslag", Uitg. Martinus Nijhoff, Den Haag 1979.

Inhoudstafelnaar hoofdstuk 32

 
 
Over Herman Boel

Herman Boel is voltijds zelfstandig vertaler en auteur van twee skeptische boeken.

Lees meer »
Disclaimer
  • Aansprakelijkheid voor gebruik van de inhoud van de website.

Lees meer »
Browsercompatibiliteit

Deze webstek werkt prima in moderne browsers als Google Chrome, Firefox en Opera en mogelijk ook min of meer goed in Internet Explorer en Safari.

Contact

U kan me contacteren via het het invulformulier.

Online contactformulier »