De geschiedenis van Vlaanderen - Hoofdstuk 30

Gwijde van Dampierre, graaf van Vlaanderen (4)

Geschreven door: Charles Vanderhaegen - in lichte mate bewerkt door Herman Boel
Gepubliceerd met vriendelijke toestemming van Charles Vanderhaegen. 

De Gentse opstand

We zijn januari 1302, de Frans-Vlaamse oorlog woedt in alle hevigheid. Pieter de Coninck, gesteund door de graafsgezinden, is er in geslaagd met zijn handlangers Brugge binnen te dringen. De Franse gouverneur De Chátillon, tot dan meester van de stad, is totaal verrast en moet machteloos toezien hoe de mannen van De Coninck zich van Brugge meester maken. De Franse soldaten zijn te weinig in aantal om weerstand te kunnen bieden, zodat De Chátillon zich verplicht ziet de stad te verlaten, gevolgd door een groot aantal Fransgezinde patriciërs die voor hun leven vrezen. Van de Franse bezetter verlost, eigenen de ambachtslieden, onder leiding van De Coninck, zich het stadsbestuur toe.

Dit was niet de enige opstand tegen de Franse bezetter, ook in Gent kwam het tot revolte toen de poorters, nadat de Franse koning de stad, na zijn "blijde" intrede had verlaten, van de ambachten eisten dat zij de kosten van die intrede ten bedrage van 27.000 Parijse ponden zouden betalen. Niet alleen dat, maar zij verklaarden ook dat het "ongeld", een soort gemeentebelasting, die door de koning was afgeschaft, weer als vroeger zou worden geïnd. De koninklijke stadhouder, op de hand van de poorters, beging de fout dit te bekrachtigen.

Door verbanning of zelfs onthoofding bedreigd, in geval van weigering deze belasting te betalen, verzamelden in de vroege morgen van 2 april 1302, de handwerkers zich voor het Belfort en riepen als protest tegen deze beslissing een werkstaking uit. Om er kracht bij te zetten sloegen de wevers en de volders op hun koperen ketels en veroorzaakten zo een hels kabaal wat weer als reactie had dat de stadhouder met de baljuw en de poorters, helemaal verontwaardigd door een dergelijk optreden van het gemene volk, zich wapenden en met geweld de betogers te lijf gingen. Maar ze hadden de sterkte van de ambachtsmannen zeer onderschat want deze reageerden met zulk een woedende furie dat de stadhouder en zijn mannen zich verplicht zagen een schuilplaats te zoeken in 't Gravensteen. Maar ook dat duurde niet lang want tegen de middag drongen de neringen de burcht binnen en moest de stadhouder zich met zijn gevolg overgeven.

Jan BorluutJan Borluut aan het hoofd van de Gentenaars.
(Voorstelling uit 'De Guldensporenslag" van Karim Van Overmeire)

Tussen twee rijen geschaard, vanaf het Steen tot aan het stadhuis, moesten de poorters tussen een weg van zwaarden en stokken het kasteel verlaten. Twee schepenen en elf poorters werden doodgeslagen en een honderdtal anderen vreselijk gekwetst. Om aan de dood te ontsnappen moesten de stadhouder, de baljuw en hun volgelingen getrouwheid zweren aan 't gemene volk dat, zoals in Brugge was gebeurd, nu het stadsbestuur overnam.

Een belangrijk figuur in deze opstand was Jan Borluut, een hele rijke graafsgezinde patriciër die de stad verliet nadat hij twee Fransgezinden (toen reeds Leliaards genoemd vanwege de bloem in hun vlag) uit de familie van Mathijs van St. Baafs had vermoord. Hij zal later deelnemen aan de Guldensporenslag, maar kort daarop, wanneer hij zegevierend in Gent terugkomt, door een kleinzoon van een van de Mathijsens op zijn beurt worden vermoord.

De opstand breidt zich uit

Wanneer De Chátillon verneemt wat er in Gent is gebeurd is hij woedend en kan hij zijn wraakkreten niet bedwingen, Zonder dralen verzamelt hij ten noorden van Kortrijk een leger, bestaande uit Picardiërs en Vlaamse Leliaards, om de Gentenaars te lijf te gaan. Wanneer de Gentenaars dit vernemen worden ze ongerust, want zelf hebben ze geen leger en ze zijn er zich van bewust dat ze geen weerstand kunnen bieden tegen een militaire macht zoals De Chátillon die nu aan het opbouwen is.

Enkele verschrikte prominenten gaan daarom De Chátillon opzoeken om namens de stad hun verontschuldigingen aan te bieden. Maar De Chátillon weigert niet alleen de verontschuldigen te aanvaarden maar hij overstelpt hen nog met bittere verwijten omdat ze zo woest te keer zijn gegaan en hij zendt hen weg met de verzekering dat hij de oproer met alle mogelijke middelen zal onderdrukken.

Wanneer kort daarop de Franse soldaten de stad binnendringen om hardhandig de orde te herstellen wordt het stadsbestuur weer opgenomen door de stadhouder en de poorters. Hierop verlaten heel wat graafsgezinde patriciërs met Jan Borluut aan het hoofd de stad. Nu volgt er een harde repressie die zich uit tegen het gewone volk met het gevolg dat er een heftige volkshaat groeit tegen alles wat Frans is.

Deze toestand was niet beperkt tot Gent. Ook in Dowaai en leper namen de Leliaards de macht en boden hun diensten aan aan de Franse bezetter met het gevolg dat er een scherpe tegenstelling ontstond tussen de voornoemde Leliaards en de Klauwaards, dat waren de graafsgezinde patriciërs en het gemene volk, zo genoemd naar de klauwen van de leeuw die prijkte op de Vlaamse wapenschilden en (nu nog) op de Vlaamse vlaggen. Als gevolg van de gebeurtenissen wierpen ze zich op als Vlaamse vrijheidsstrijders en werden de Leliaards beschouwd als, wat we nu zouden noemen, Franse collaborateurs.

Ondertussen werden in de steden de Klauwaards het slachtoffer van allerlei vernederingen waarbij voor het minste vergrijp hun goederen werden aangeslagen. Verklikking, verkrachting en moord werden hét symbool van de Franse macht. Het Vlaamse graafschap werd in een zware economische crisis gedompeld, handel en nijverheid vielen stil en de beschikbare financiële middelen opgebruikt. Ook de agrarische economie was door de oorlog ontwricht zodat hongersnood dreigde.

Willem van GulikWillem van Gulik
(Zoals afgebeeld op een muurschildering in het stadhuis van Brugge)

Het graafschap Vlaanderen was in gevaar. Nog nooit sedert Boudewijn met de Ijzeren Arm de Noormannen in 864 van de Vlaamse kusten verdreef, had er een vreemde macht een voet gezet op Vlaamse grond. Voor meer dan vier eeuwen waren de Vlamingen baas geweest in eigen huis en hadden ze al hun problemen en geschillen zelf opgelost. Ook nu moesten ze dit doen want van hulp was er geen sprake, noch van Holland, noch van Engeland, noch van Brabant of het Duitse Rijk konden ze iets verwachten. Ze moest zichzelf redden. Maar dat vroeg naar leiding.

We vinden op dat ogenblik maar twee figuren die als leiders van de Vlaamse opstand optreden en dat zijn Jan van Namen, zoon van Gwijde van Dampierre en de populaire Pieter de Coninck, maar zij begrepen dat er meer nodig was om tegen de Franse bezetter front te maken. Na beraad werd besloten beroep te doen op Willem van Gulik, kleinzoon van Gwijde van Dampierre en zoon van een van zijn dochters die getrouwd was met een zoon van de graaf van Gulik, een graafschap in het Rijnland (Duits: Jülich).

 

Willem van Gulik

Willem, ongeveer 25 jaar oud, was op dat ogenblik proost van Maastricht en aartsdiaken van het prinsbisdom Luik. Hij had in 1300 gestudeerd aan de universiteit van Bologna die de universiteit van Parijs inzake bekendheid naar de kroon stak, maar waar de afgestudeerde priesters meer bezig waren met astrologie en krijgskunde dan met theologie. Willem was dan ook meer krijgsman dan priester en toen zijn oom, Jan van Namen, hem vroeg de opstand in Vlaanderen te helpen leiden, was hij onmiddellijk bereid. Een van de redenen hiervoor was dat hij dacht zijn broer, eveneens Willem genoemd, die gesneuveld was in de slag bij Bulskamp, hiermee te kunnen wreken.

Met een klein huurleger en vergezeld van zijn broer Gerard kwam hij naar Vlaanderen en verscheen hij in mei 1302 te Brugge, het grafelijke wapen (de klauwende leeuw) op zijn schild en banier afgebeeld. Om de gemoederen te treffen liet hij zijn paard voorafgaan door een schildknaap die op een kussen het zwaard droeg van zijn gevangen grootvader, dat hij van heer van Moerzeke, aan wie Gwijde het voor zijn gevangenname had toevertrouwd, had gekregen.
Willem zag eruit als een heldhaftige strijder, jong, slank, schrander en welbespraakt. Waar Pieter de Coninck de volksopruier was geweest, werd Willem nu door de glans van zijn hoge afkomst en zijn fiere gestalte door het volk toegejuicht als dé bevrijder. Met eenparigheid van stemmen werd hij door het stadsbestuur aanvaard als de ruwaard (*) van Vlaanderen, d.i als plaatsvervanger van de afwezige graaf. Hier moet worden bijgezegd dat dit eigenlijk maar een vreemde benoeming was, want als zoon van een dochter van de graaf, kwam hij niet in aanmerking voor wereldlijke titels, dit was trouwens ook reden waarom hij geestelijke was geworden.

Van nu af neemt de opstand snel uitbreiding. Willem trekt naar Damme en Aardenburg die hem eveneens als ruwaard erkennen. Van daar gaat hij samen met Pieter de Coninck en een groep gewapende neringen onder leiding van de vleeshandelaar Jan Breydel, naar het kasteel van de heer Jan van Sijsele, een fervente Leliaard. Deze kan wel tijdig vluchten, maar zijn kasteel wordt geplunderd en in brand gestoken.

(*) Ruwaard: persoon die bij ontstentenis van de landsheer een land of gewest bestuurde, ook soms 'landvoogd' genoemd.

intrede Willem van GulikWillem van Gulik doet zijn intrede te Brugge
(naar een gravure ontleend aan de "Geschiedenis van België" door G.H. Moke)

Het volgende doelwit is het kasteel van Male, het huisvest een Frans garnizoen van 12 man onder een zekere Michel du Mans. Menige Leliaards op vlucht voor Willem hebben er zich verborgen en hun voornaamste bezittingen in veiligheid gebracht. Niettegenstaande het kasteel beter versterkt is dan dit van Sijsele, slaagt Willem er toch in om het in te nemen. Heel de verovering eindigt met een plundering en een slachtpartij, zowel de Franse soldeniers als de verschrikte Leliaards worden onthoofd.

Alles bleek dus goed te verlopen, maar dat was slechts schijn. Met Gent loopt het mis. Wanneer ze vernemen wat de opstandelingen in Sijsele en Male hebben uitgericht vrezen de rijke Gentenaars hun bezittingen te verliezen als ze met de opstand meedoen. Op 11 mei nemen ze contact met De Chátillon. Op voorwaarde dat ze geen verbond sluiten met de Brugse opstandelingen staat deze toe dat het stadsbestuur zowel Leliaards als Klauwaards mag omvatten, dat de stadsrechten en de bezittingen van de Gentenaars door de Franse troepen zullen worden beschermd en het ongeld nog eens wordt afgeschaft. Door de Gentenaars nu gespaard te hebben, kon De Chátillon nu al zijn macht aanwenden tegen de Bruggelingen, die hij met een vreselijke kastijding bedreigde.

 

Brugge versus De Chátillon

Als het nieuws bekend wordt dat De Chátillon Gent heeft verlaten en nu zijn volledige legerkracht kan inzetten tegen Brugge, raakt de stad in paniek. Vele Bruggelingen die de partij van de opstand hebben gekozen zijn bang dat, als de Fransen terugkomen, zij hun bezittingen zullen verliezen. Wanneer ze vernemen dat De Chátillon vanuit Kortrijk naar Brugge oprukt met een leger bestaande uit een ruitermacht van 120 ridders, 680 edelknapen te paard, 300 man kruisboogschutters en ander voetvolk, proberen enkele Bruggelingen nog te redden wat er te redden valt. Een Brugse afvaardiging trekt De Chátillon tegemoet en vraagt om een onderhoud.

Zoals te verwachten valt, stelt De Chátillon zich hard op, maar na wat overleg wordt toch overeengekomen dat Brugge gespaard zal blijven als deze die schuld hebben aan de opstand de stad verlaten. Dit gebeurt ook. Op 16 mei verlaten bij de vijfduizend handwerkers de stad en trekken naar Damme, Aardenburg, Oostburg en de kust langs het Zwin. Maar niets schijnt in die tijd normaal te kunnen verlopen. Wanneer de verbitterde groep bannelingen in de haven van Damme op een colonne wagens stoot die proviand aanvoert voor het Franse leger, overrompelen zij de begeleiders, slaan ze dood en maken zich meester van het voedsel en de drank.

Dit nieuws bereikt al snel zowel de Bruggelingen als De Chátillon. Voor de Bruggelingen is dit nog eens een bewijs dat er met hen niet te spotten valt, maar zo denkt ook De Chátillon. Geërgerd door dit incident moet hij laten zien dat hij degene is die als landvoogd in Vlaanderen de wet stelt en niemand anders. Met strakke onheilspellende blik en veel machtsvertoon trekt hij op 17 mei de stad binnen. Een serieuze vergelding van de Fransen voor het incident van Damme vrezende, zenden de neringen die in de stad zijn achtergebleven een boodschapper naar de verdreven bannelingen met de smeekbede naar Brugge terug te komen om hun vrienden bij te staan tegen het Franse geweld dat ze verwachten.

De Chátillon moet dat niet geweten hebben, want wanneer hij met zijn troepen de stad binnentrekt, gedraagt hij zich zelfbewust en arrogant, maar ook overmoedig. De sfeer is vijandig maar hij vreest geen weerstand of in ieder geval toch maar heel weinig en dan begaat hij een fout. In plaats van zijn leger samen te houden verspreidt hij het over de gehele stad en legert het in verschillende herbergen.

Jacques de ChátillonJacques de Chátillon trekt nog eens Brugge binnen.
(Naar Karim Van Overmeire)

's Nachts blijft er maar een zwakke wacht op de gedeeltelijke vernielde wallen en aan de poorten. Met een over de stad verspreid leger dat bestaat uit grotendeels dronken soldaten en wachters die meer slaperig zijn dan wat anders, verkeert De Chátillon zonder het te beseffen in groot gevaar. De Bruggelingen houden alle bewegingen van de Franse soldaten in de gaten. Wanneer ze vernemen dat de landvoogd zinnens was om 's anderendaags enkele Bruggelingen op te hangen, vrezen ze niet alleen voor een bloedige repressie maar ook voor een plundering van de stad.

Met de terugkeer van de bannelingen in aantocht rijpt het plan om de Fransen bij verrassing aan te vallen. We weten niet zeker wie het brein was achter dit plan, maar overeenkomstig sommige bronnen zou het een Vlaamse ridder zijn, die luistert naar de naam Willem van Boenhem, een vertrouweling van Jan van Namen. Maar wie het ook moge geweest zijn, het plan wordt uitgevoerd. Er wordt overeengekomen de Fransen aan te vallen in de vroege morgen van vrijdag 18 mei, bij het luiden van de klokken voor de eerste mis: de metten.

 

De Brugse Metten

En zo geschiedde. Door de nacht begunstigd hadden ondertussen de bannelingen, terug van Damme, de grachten rond de stad bereikt en beklommen ze gemakkelijk de bijna afgebroken vesten. De weinige Franse wachters zijn totaal verrast en krijgen geen tijd zich te verdedigen. Ze worden koelbloedig afgemaakt. Vandaar dringen de aanvallers de stad binnen en mengen ze zich met de andere Bruggelingen. Onder hen bevinden zich Pieter de Coninck en de vleeshandelaar Jan Breydel die samen met Willem van Gulik de Vlaamse opstand had ingeleid met de inname van het kasteel van Male en 12 Franse soldaten en Leliaards het hoofd hadden afgehakt.

Wanneer de eerste klokken beginnen te luiden dringen de opstandelingen binnen in de herbergen waar de Franse soldaten gelogeerd zijn en in de huizen van de Fransgezinde patriciërs. De Franse soldaten worden zonder genade afgemaakt. Overal weerklinkt de strijdkreet "schild en vriend" (*). Wie dit niet precies kan nazeggen en dus zijn Frans-zijn verraadt, wordt gedood.

Jan Breydel, gewapend met een zwaard en omringd door zijn volgelingen, hitst de gemoederen op met zijn luide bulderende stem: "Burgers van Brugge, het uur is gekomen om de moed van onze voorvaders te ontplooien en onze stad zal vrij zijn". Ook Pieter de Coninck door een grote menigte gevolgd schreeuwt het volk toe: "Vlaanderen de Leeuw, dood aan de Leliaards".
Het is een verschrikkelijke vrijdag. Elk kwartier van de stad wordt afgespeurd, iedere opstandeling zoekt naar Fransen of Leliaards die, wanneer gevonden, genadeloos worden afgemaakt. Terwijl de lijken zich opstapelen tracht nog een kleine groep Franse ruiters onder het bevel van Gauthier de Sapignies, een getrouwe generaal van De Chátillon, weerstand te bieden, waarschijnlijk om de landvoogd de kans te geven te vluchten, maar de overmacht is te groot en ook hij wordt met zijn mannen gedood. En het geweld houdt niet op, het doden en moorden zal doorgaan tot in de avond. Meer dan 1500 Fransen en Leliaardse patriciërs worden gedood en 85 Leliaardse edelen gevangengenomen, waarvan er later drie tegen een hoge losprijs zullen worden vrijgelaten.

(*) Of de strijdkreet precies "schild en vriend" was, is onzeker. Volgens sommige geschiedschrijvers was het "scilt ende vrient", volgens weer anderen was het "des gildens vrient". In feite was het geen strijdkreet maar een sjibbolet, d.i. een uiting waaraan het al dan niet bezitten van een manier van spreken of handelen is waar te nemen.

Brugse MettenDe Brugse Metten
(Naar het tafereel van de Kist van Oxford)

Niet alle garnizoensoldaten kwamen om. Sommigen slaagden erin vermomd de stad te verlaten, waaronder De Chátillon zelf. Toen deze geen kans had gezien om door een stadspoort te ontsnappen, had hij zijn heil gezocht in een klooster en maakte daarbij gebruik van de onschendbaarheid van geestelijk grondgebied. Rond 10 uur 's avonds slaagt hij er vermomd als monnik en vergezeld van de baljuw en een wapenknecht in de wallen te bereiken. Het water is vrij diep en ijskoud, maar de landvoogd heeft geen keuze. Samen met de baljuw bereikt hij zwemmend de andere oever. De wapenknecht verdrinkt, maar de landvoogd en de baljuw kunnen in de nacht ontkomen. Te voet, kletsnat, maar beschermd door de duisternis komen ze 's morgens volledig uitgeput aan te Kortrijk waar ze door de Franse troepen worden opgevangen.

Terwijl De Chátillon van zijn avontuur bekomt wordt reeds 's anderendaags, d.i. op 19 mei, in Brugge een vernieuwd stadsbestuur ingericht en worden de nodige maatregelen getroffen om het stadsleven aan de nieuwe situatie aan te passen. Ook wordt er een praktische schoonmaak gehouden. De lijken van de gedode Fransen en Leliaards worden op karren geladen en buiten de stad gevoerd waar ze zonder enige ceremonie op een stort worden achtergelaten.

Terwijl men zich te Brugge beraadt over wat te doen in het geval dat de Fransen zouden terugkeren, vertrekt De Chátillon naar Rijsel om daar een leger bijeen te brengen om voor eens en altijd de opstand met geweld en wapens te smoren.

 

Voorbereiding tot oorlog

Maar voorlopig zal het niet zo ver komen. Filip Le Bel (Philippe Le Bel) begint zo langzamerhand genoeg te krijgen van het bestuur van De Chátillon dat niet anders te omschrijven valt dan als een grote mislukking. Het was ook duidelijk dat het zijn onbekwaam optreden is geweest dat tot de massacre van Brugge heeft geleid. Na overleg met zijn minister beslist hij de bevoegdheden van de landvoogd te splitsen om een nieuwe catastrofe te vermijden. Er komt een burgerlijke landvoogd en een militaire bevelhebber. Het is de graaf van Boulogne die tot de eerste functie wordt benoemd en Robert d' Artois tot de tweede en tegelijkertijd wordt belast zo vlug mogelijk een leger te mobiliseren om het Franse gezag in Vlaanderen te herstellen.

Ook koningin Jeanne de Navarre bemoeit zich met de zaak. Ze is uitzinnig van woede als ze verneemt wat er in Brugge is gebeurd, want zij is niet vergeten hoe de Bruggelingen tijdens de 'blijde intrede' haar en de koning mokkend en zwijgend hadden aangekeken en hoe ze zich door deze koele ontvangst beledigd had gevoeld. Ze laat Robert d' Artois tot haar brengen en wanneer hij verschijnt schreeuwt ze hem toe: "Omgebracht moeten ze, allen zonder onderscheid van leeftijd of geslacht, spaar niemand". En daarmee weet Robert d' Artois wat de koningin van hem verwacht.

Ondertussen, op 23 mei, is Willem van Gulik teruggekomen naar Brugge en laat hij zich voor de tweede keer triomfantelijk inhalen. Nog enthousiaster dan de vorige keer is het volk wanneer ze de jonge knappe edelman zien verschijnen die fier op zijn paard zit en het wapenschild met de grafelijke leeuw voor zich houdt, het symbool van Vlaanderen in de strijd voor zijn vrijmaking van het Franse juk.

En die strijd ter bevrijding begint op 31 mei. Op die dag verlaat Willem van Gulik samen met Pieter de Coninck de stad aan het hoofd van een tamelijk goed met wapens, belegeringsmachines en levensmiddelen, uitgerust leger dat voor het grootste deel bestaat uit Bruggelingen, versterkt door vrijwilligers uit de omliggende gemeenten Aardenburg, Sluis, Hoeke, Damme en enkele van verder weg, zoals van Blankenberge, Oostende en Diksmuide. Het leger is ook nog versterkt met ridders ingehuurd in Brabant, Loon en Zeeland, ridders die in feite niets met Vlaanderen of de koning van Frankrijk te maken hebben, maar zich als huurlingen ter beschikking stellen van gelijk wie hen betaalt.

Jeanne de NavareJeanne de Navare geeft aan Robert d'Artois de raad alle Bruggelingen te doden.
(Naar een gravure ontleend aan de "Geschiedenis van België door G.H. Moke)

Nog dezelfde avond slaat het Vlaamse leger het beleg voor het slot van Wijnendale waar zich een Frans garnizoen schuil houdt. Wanneer dit weigert zich over te geven wordt het kasteel door een contingent ingesloten en trekt de rest van het leger verder naar Gistel. 's Anderendaags gaat het via Diksmuide naar Veurne en Nieuwpoort.Overal slaan de Leliaards op de vlucht en worden de koninklijke baljuws afgezet en vervangen door Klauwaardsgezinden. Op 6 juni wordt Sint-Winoksbergen ingenomen, op 9 juni de stad Kassel en vandaar gaat het naar Kortrijk.

Ondertussen is ook Gwijde van Namen, de zevende zoon van Gwijde van Dampierre, te Brugge aangekomen en sluit zich aan bij de opstandelingen waaruit hij zonder veel moeite nog een legermacht kan verzamelen. Die trekt op 12 juni naar Wijnendale dat wordt ingenomen en vandaar via leper naar Kortrijk waar op 11 juli de beslissende slag zal worden geleverd: de Guldensporenslag.


bibliografie:
1. VAN BELLE, Juliaan. "Een andere Leeuw van Vlaanderen", Uitg. Flandria Nostra, Torhout 1985.
2. VAN OVERMEIRE, Karim. "De guldensporenslag", Uitg. Egmont, Brussel 2001.

Inhoudstafelnaar hoofdstuk 31

 
 
Over Herman Boel

Herman Boel is voltijds zelfstandig vertaler en auteur van twee skeptische boeken.

Lees meer »
Disclaimer
  • Aansprakelijkheid voor gebruik van de inhoud van de website.

Lees meer »
Browsercompatibiliteit

Deze webstek werkt prima in moderne browsers als Google Chrome, Firefox en Opera en mogelijk ook min of meer goed in Internet Explorer en Safari.

Contact

U kan me contacteren via het het invulformulier.

Online contactformulier »