De geschiedenis van Vlaanderen - Hoofdstuk 29
Gwijde van Dampierre, graaf van Vlaanderen (3)
Geschreven door: Charles
Vanderhaegen -
in lichte mate bewerkt door Herman Boel
Gepubliceerd met vriendelijke toestemming van Charles
Vanderhaegen.
Vlaanderen zonder graaf
We schrijven 30 april 1300. De Franse troepen onder leiding van Charles de Valois, broeder van de Franse koning Filip Le Bel, hebben het grootste gedeelte van het Vlaamse graafschap bezet en alle Vlaamse weerstand tegen het Franse leger, gebroken. De Vlaamse graaf Gwijde van Dampierre en zijn twee oudste zonen Robrecht en Willem, verslagen, vernederd, vertwijfeld en door een ongelijke strijd volledig uitgeput, kunnen geen kant meer uit en moeten zich aan hun gehate vijand overgeven.
Samen met nog een vijftigtal Vlaamse ridders die de Vlaamse graaf zijn trouw gebleven, vertrekken ze onder leiding van Charles de Valois naar Parijs waar ze voor de Franse koning worden gebracht. De drie Vlaamse edelen vallen op de knieën en Gwijde, zich tot de koning richtend, smeekt hem om genade en barmhartigheid voor hem, zijn familie en het Vlaamse land. Zoals naar gewoonte blijft Filips koel onbewogen en kijkt hij de man die hem tartte en nu op zijn knieën ligt te smeken misprijzend aan. Hij zegt geen woord, maakt slechts één gebaar, met zijn hand wijzend naar de uitgang van de zaal waarin ze zich bevinden kijkt hij naar Charles de Valois, wat zoveel betekent als: breng ze weg uit mijn ogen! En dat gebeurt ook.
Gwijde wordt opgesloten in het kasteel van Compiègne, Robrecht van Bethune wordt gevangen gezet in het kasteel van Chinon, Willem in het kasteel van Issoudun en de vijftig ridders die de graaf vergezelden worden verspreid gevangen gezet in de kastelen van de koninklijke domeinen. Hier moet wel bijgezegd worden dat de Vlaamse edelen volgens hun rang correct, zoals het tussen edelen hoort, werden behandeld. Zo werd er aan Gwijde zelfs een jaargeld toegekend, kreeg hij kamerpersoneel ter beschikking en mocht hij met zijn zonen communiceren. Hij mocht ook de mis bijwonen en aan de bedelaars die, zoals het toen gebruikelijk was, zich aan de uitgang van de kerk, aan het einde van de mis verzamelden, aalmoezen uitdelen. Al de documenten die hij naar Parijs had meegebracht voor het voeren van zijn proces mocht hij behouden om zijn verdediging voor te bereiden. Maar tot een proces zal het nooit komen, want niettegenstaande de gevangenneming van de graaf is de Frans-Vlaamse oorlog nog lange niet afgelopen, die zal nog tot in 1320 aanslepen en dan is Gwijde al vijftien jaar dood.
Charles de Valois
(foto Encycl. Larousse)
De gevangenneming van Gwijde en zijn twee zonen komt in Vlaanderen met verslagenheid over en geeft een serieuze deuk aan hun autoriteit. Velen zien in de overgave van Gwijde aan de Fransen niets meer dan zwakheid met de volslagen ineenstorting van zijn gezag en aanzien tot gevolg. Komt daarbij dat Gwijde van Namen, de zevende zoon van Dampierre, samen met zijn broers Jan en Hendrik naar Namen zijn gevlucht, in plaats van de strijd die hun vader tegen de Fransen had gevoerd, van hen over te nemen en voort te zetten.
Dit is een toestand waar we in de Vlaamse geschiedenis niet bijzonder fier kunnen over zijn. Vlaanderen zat zonder graaf, zonder enige autoriteit, zonder enige leiding. Het Vlaamse volk, en daarin hoofdzakelijk de boeren, waren herleid tot een volk dat zich verlaten voelde door zijn leiders, door dezen die hen moesten beschermen tegen het vreemde, het onbekende. De toestand waarin het Vlaamse volk zich op dat ogenblik bevond was verschrikkelijk. Verslagen en overgeleverd aan de willekeur van de Franse bezetter en de koningsgezinde Leliaards, kon het niets anders dan, wilde het zijn vrijheid terug winnen, het grafelijke recht dat hen was ontnomen in eigen hand nemen en dat is ook wat er uiteindelijk zal gebeuren.
Jacques de Chátillon
Filip Le Bel, berekend en intelligent, beseft heel goed dat de toestand waarin Vlaanderen zich bevindt geen stand kan houden. Er moet leiderschap zijn, zoniet ontstaat er anarchie en daarmee het verlies van al het schone en goede dat Vlaanderen te bieden heeft. In tegenstelling tot wat werd verwacht duidde hij echter geen nieuwe graaf aan maar benoemde hij, op 18 mei 1300, een lieutenant du roi, in feite een gouverneur die in de naam van de koning Vlaanderen rechtstreeks zal besturen. Dit komt erop neer dat Vlaanderen nu aan de Franse kroondomeinen is toegevoegd en het graafschap heeft opgehouden te bestaan.
De keuze van Filips, voor de lieutenant du roi, valt op Jacques de Saint-Pol, beter gekend als Jacques de Chátillon, een oom van de koningin, Johanna van Navarre. Hij zal Charles de Valois vervangen die met Filips in onmin was geraakt betreffende de gevangenneming van Gwijde en zijn twee zonen. Een gevangenneming die hij niet gerechtvaardigd achtte, omdat de graaf en zijn zonen zich vrijwillig aan hem hadden overgegeven en het dus aan hem was geweest om over hun verder lot te beslissen en niet aan de Franse koning. Valois verliet het Franse hof en vertrok naar Rome om met paus Bonifacius VIII de zoveelste kruistocht voor te bereiden, een kruistocht die trouwens nooit heeft plaats gehad.
Zodra de Chátillon tot gouverneur is benoemd komt hij naar Vlaanderen en vestigt hij zich te Brugge van waaruit hij de volledige onderwerping van het Vlaamse volk aan de koning van Frankrijk moet voorbereiden. Hij heeft van Filips alle onderrichtingen meegekregen om de bezetting van het graafschap, nu het koninklijk domein genoemd, naar koninklijke wens te doen verlopen. De voorrechten van de steden worden in den beginne wel min of meer geëerbiedigd, maar wat de afzonderlijke bestraffing van personen betreft loopt het minder goed af.
Aanvankelijk waren de Fransen nogal inschikkelijk maar dit
duurde niet lang. De goederen van de uitgesproken Klauwaards worden in
beslag genomen en verdeeld onder de koningsgezinde Leliaards. Het
beslag slaat niet alleen op huizen en gronden, maar ook op geldelijk
bezit en verder op alles wat maar enigszins van waarde is. De Vlaamse
ridders die de graaf zijn trouw gebleven worden beschuldigd van
overtreding van het Verdrag van Melun van
1228 waarin o.a. werd bepaald (art. 50) dat de Vlaamse edelen een eed
van getrouwheid moeten afleggen aan de Franse koning. Hun goederen
worden aangeslagen en verbeurd verklaard.
Jacques de Chátillon
(Recueil d' Arras, Bibliothèque Arras)
Al die maatregelen van de Chátillon worden door de Leliaards die onder het bewind van Gwijde naar Frankrijk waren uitgeweken, met groot enthousiasme ontvangen en ze komen dan ook massaal terug naar Vlaanderen. De gouverneur geeft hen vrij spel en zo kunnen ze onder zijn bescherming de door hen opgelopen schade grotendeels teniet doen. Op het platteland waar de boeren zich de landerijen van de uitgeweken Leliaards hadden toegeëigend en onder elkaar verdeeld, worden deze nu tot teruggave verplicht. De in eer herstelde Leliaards nemen weerwraak voor wat zij beschouwen als het onrecht, dat hen door Gwijde werd aangedaan en daarmee gaan er onvermijdelijk allerlei brutaliteiten en zelfs soms doodslag gepaard.
Ook de steden werden nu na een relatief korte rust aangepakt. Wanneer deze zich niet goedschiks bij de macht van de koning wilden neerleggen werden forse boeten opgelegd. Zo moet leper, dat zich enigszins tegen de Franse bezetting had verzet een boete van 120.000 pond betalen plus rechtstreeks aan de koning een jaarlijkse rente van nog eens 3.000 pond.
De Chátillon moet zeker hierop van de Vlamingen een
gewelddadige reactie hebben verwacht, want hij laat in de grote centra
Brugge, Kortrijk en Rijsel versterkte gevangenissen bouwen om
weerbarstige Vlamingen, of zij die geen vertrouwen inboezemen, de mond
te snoeren.
De blijde intrede
Maar de ellende en de vernedering van Vlaanderen is nog niet ten einde. In maart 1301 krijgen de Vlaamse steden te horen dat ze zich moeten voorbereiden op de 'blijde intrede' van de koning. Filip Le Bel vergezeld van zijn echtgenote, de koningin Johanna van Navarre, komt naar Vlaanderen om er te worden ingehuldigd als novus princips et immediatus dominus (nieuwe heer en rechtstreeks soeverein).
Het gevolg van de koning en de koningin telt 200 personen. Dowaai ontvangt op 8 mei 1301, als eerste Vlaamse gemeente, het koninklijke gezelschap. Vandaar vertrekt de stoet naar Rijsel en dan verder naar Doomik, Kortrijk en Oudenaarde. Op 22 mei komen ze aan te Gent waar ze prachtig onthaald worden. Het Gentse stadsbestuur, dat in 1275 door Margareta, moeder van Gwijde, was ingericht, is uiterst gelukkig met de komst van de Franse koning. Misschien zullen ze nu hun vroegere voorrechten die hen door Margerata werden afgenomen, terug kunnen eisen. De stad biedt de koning dure geschenken aan. Toernooien en volkse spelen wisselen elkaar gedurende vijf dagen ononderbroken af. De kosten van die feestelijkheden bedragen 27.000 Parijse ponden, maar dit is niet zo belangrijk. Het volk juicht de koning toe, maar niet zonder bijbedoelingen, want men maakt van de gelegenheid gebruik om aan de koning te vragen om het zogenaamde "ongeld", een grafelijke belasting op het bier en de mede (door gisting uit gekruide honing bereide drank) af te schaffen. Filips die niets liever doet dan alles wat Gwijde vroeger heeft ingericht of opgelegd teniet te doen, stemt onmiddellijk toe tot grote vreugde van de Gentenaars.
De koninklijke stoet verlaat op 27 mei Gent en doet twee dagen
later zijn intrede te Brugge waar het net zoals in Gent schitterend
wordt ontvangen. Het Brugse stadsbestuur heeft het "onrecht" dat hen
door Gwijde in 1279 was aangedaan blijkbaar niet vergeten. Net zoals in
Gent hebben de leden van het stadsbestuur zich helemaal in het nieuw
gestoken, niet alleen de schepenen maar ook hun vrouwen en dochters.
Het verhaal gaat dat de Franse koningin, wanneer ze de prachtige
gewaden van de dames en hun dochters zag, misnoegd zou hebben gekeken.
In hoeverre dit waar is weten we niet, maar het is wel een feit dat de
Vlamingen in de Middeleeuwen beter gekleed liepen dan de meeste andere
Europeanen. Vlaanderen was toen immers het centrum van de Europese
lakennijverheid en waarschijnlijk zal het Brugse stadsbestuur nog wel
een extra inspanning hebben geleverd om op de koning indruk te maken.
Intocht van het Franse koningspaar in Brugge in 1301.
(Stedelijk onderwijsmuseum leper)
Wat naast die schitterende kledij wel opvalt is dat de Bruggelingen wel in massa zijn komen opdagen maar er van de koning toejuichen niet veel terecht komt. Dit zwijgzame aanschouwen van de Franse vorst is het gevolg van een verbod van het stadsbestuur om "op straffe van dood" van de koning de afschaffing te vragen van de stedelijke belastingen, zoals de Gentenaars dat hadden gedaan met het "ongeld" en dit ook van de koning hadden verkregen. De stad ziet namelijk niet in hoe ze uit haar schulden zou kunnen geraken zonder die stedelijke belasting.
Als de koning dit mokkend en zwijgend aanschouwen van de
'blijde intrede' moet ervaren is zijn humeur volledig bedorven en geeft
hij het bevel de stad meteen te verlaten. De stoet trekt nu nog naar
Wijnendale en van daar uit naar leper waar het op 13 juni 1301 aankomt.
leper is de laatste stad op het koninklijk programma. Ook hier heeft
het stadsbestuur zich uitgesloofd om met grote feesten de koning
gunstig te stemmen. Maar het helpt niet veel. Filips is totaal
verstoord door wat hij in Brugge heeft moeten meemaken. Wanneer het
leperse stadsbestuur aan de koning vraagt de stedelijke privileges te
vernieuwen, weigert hij en geeft hij het bevel de stad te verlaten en
rechtsomkeer te maken terug naar Parijs. Zo eindigt de 'blijde intrede'
van de Franse koning in Vlaanderen niet zo blij als gepland.
Pieter de Coninc
Ondertussen is de toestand in Brugge volledig uit de hand gelopen. Het volk is te weten gekomen dat de schepenen de door hen gedane kosten in verband met de 'blijde intrede' niet alleen door de stadskas willen doen betalen, maar ook de nieuwe kledij waarmee ze zichzelf, hun vrouwen en dochters hebben uitgedost, terwijl het gemeen zijn feestelijke kledij zelf moet bekostigen. Dit leidde tot protest en woelingen die vooral werden vertolkt door een wever die luisterde naar de naam van Pieter de Coninc.
Pieter de Coninc is een man van eenvoudige afkomst, niet meer zo jong en niet bepaald groot, maar sterk en stevig gebouwd. Hij is niet geletterd, spreekt geen Frans en zeker geen Latijn. Hij is ook niet bepaald arm of rijk, maar wel getrouwd met de dochter van een welgesteld burger. Hij is heel schrander en wat hem bij het volk zo populair maakt is zijn buitengewone welsprekendheid en het feit dat hij zich opwerpt als de woordvoerder van de armste handwerkers: de wevers, volders, scheerders en ververs.
Wanneer de protesten en de woelingen voortduren doen de Leliaardse magistraten, die het betalen van hun persoonlijke kosten door de stadskas hebben bedacht, een beroep op de koninklijke baljuw, de Leliaard Pieter de Breucq, om de oproerkraaiers te arresteren en op te sluiten. Maar de baljuw is bang en durft het niet aan de raddraaiers in volle dag te arresteren, uit vrees niet levend uit hun handen te komen, maar hij geeft wel zijn sergeanten het bevel de kopmannen 's anderendaags bij het krieken van de dag van hun bed te lichten. Pieter de Coninc en vijfentwintig van zijn aanhangers worden effectief aangehouden en in het Steen opgesloten, op dat ogenblik de koninklijke gevangenis.
De opgesloten Pieter de Coninc en zijn aanhangers zullen waarschijnlijk verantwoordelijk worden geacht voor de koele ontvangst die de koning tijdens zijn 'blijde intrede' moest ondergaan, wat er op neer komt dat ze vermoedelijk zullen moeten terechtstaan wegens majesteitsschennis. De handwerkers vrezen dan ook voor het leven van hun leiders en komen in massa naar het Steen om er de vrijlating van hun mannen te eisen. Op 15 juni, na heel wat geschreeuw, verliezen ze het geduld en bestormen de gevangenis. De wachters worden overmeesterd en verplicht hun sleutels af te geven. Een uur later zijn De Coninc en zijn gezellen vrij. De massa die ondertussen is toegestroomd is uitgelaten wanneer ze De Coninc en zijn gezellen vrij zien verschijnen. In triomf wordt de held van de dag door de opgezweepte massa door de straten gevoerd.
Pieter de Coninc
(Detail van het standbeeld van Paul de Vigne op de markt te Brugge)
Wanneer Jacques de Chátillon dit verneemt is hij razend. De kille ontvangst van de koning in Brugge heeft hem reeds het gevoel gegeven dat hij als gouverneur de situatie niet volledig onder controle heeft. Nu komt daarbij dat zelfs de koninklijke gevangenis niet meer veilig is en praktisch zonder weerstand door een wilde massa onbeduidend gemeen kan worden ingenomen. Hij begrijpt, wil hij niet door de koning hiervoor verantwoordelijk worden geacht, dat hij zonder verwijl moet optreden.
En dat doet hij ook, nauwelijks heeft het nieuws van de inname
hem bereikt of hij spreekt tegen de opstandelingen een vonnis uit dat
op 13 juli zal moeten worden uitgevoerd: hun huizen zullen worden
gesloopt en hun werkplaatsen en gereedschap vernietigd. Wanneer het
stadsbestuur dit verneemt verwacht het serieuze problemen en
mobiliseert het een bereden militie terwijl de Chátillon 500 ruiters
klaar houdt aan de poorten van de stad die door de Leliaard, ridder
Jan van Gistel, in de vroege morgen zullen worden
geopend. Maar het plan lekt uit. De ambachten grijpen naar de wapens en
verschijnen met hun banieren op de markt. Jan van Gistel en andere
Leliaards slagen erin na een korte schermutseling te vluchten. De
Chátillon wacht met zijn 500 ruiters vruchteloos op het openen van de
stadspoorten. Hij kan en durft de stad niet meer in.
De Brugse opstand
De Chátillon begrijpt dat hij met 500 ruiters de strijd tegen de Bruggelingen niet aankan en doet daarom beroep op zijn broer Guy de Saint-Pol die hem met een troepenmacht van Leliaards voor de poorten van Brugge komt bijstaan. Hoe groot die macht is weten we niet, maar uit sommige verslagen uit die tijd kunnen we afleiden dat het om zowat 1000 man ging, waaronder nog eens 500 ruiters. Wanneer de Bruggelingen van op de stadsmuren deze geweldige macht onder hun ogen zien ontplooien worden ze door onrust gegrepen. De toestand is ernstig en overleg wat te doen is dringend nodig, maar veel valt er niet te overleggen, de Franse macht is te groot. Ze beseffen dat zij een krachtmeting met het Franse leger niet kunnen winnen en besluiten met de Chátillon tot een overeenkomst te proberen te komen.
Er wordt een delegatie naar de Chátillon gestuurd en na enig palaver kan het geschil zonder bloedvergieten worden beslecht mits naleving van volgende voorwaarden: (1) de Bruggelingen moeten zich onderwerpen aan het koninklijk gezag. (2) Er moeten 500 gijzelaars aangeduid worden die als waarborg voor het naleven van de overeenkomst zullen dienen. (3) Brugge zal voortaan door een koninklijke ambtenaar bestuurd worden en niet langer meer door de schepenen van de stad. (4) Daartegenover staat dat de opstandelingen met Pieter de Coninc aan het hoofd niet zullen vervolgd worden, maar wel de stad moeten verlaten en er nooit meer zullen mogen terugkeren. (5) Hun bezittingen worden wel verbeurd verklaard.
Nadat beide partijen hiermee akkoord gaan, worden de poorten van de stad geopend. Pieter de Coninc en aanhangers verlaten de stad, zonder door de Fransen te worden lastig gevallen. Wanneer ze uit het oog verdwenen zijn, doet de Chátillon zijn intrede in de stad. Het duurt niet lang of om een herhaling van dit avontuur in de toekomst te willen vermijden, geeft hij bevel om de stadspoorten weg te nemen, enkele stukken van de stadswallen af te breken en een deel van de omringende grachten te dempen.
Maar dat is niet alles, ook zekere oude stadsrechten en
vrijheden worden ingetrokken, wel zullen de Bruggelingen ze kunnen
terug krijgen als ze zich aan de overeenkomst houden en dan ook nog wel
tegen betaling. Het aantal volgens de overeenkomst 500 gijzelaars wordt
verminderd tot 468. Eigenaardig genoeg bevinden er zich tussen deze
groep zeven uitgesproken Leliaards, een 70-tal Fransgezinde patriciërs
en slechts een honderdtal opstandige wevers.
Jacques de Chátillon trekt Brugge binnen.
(Foto uit "De Guldensporenslag" van Karim Van Overmeire)
Door deze merkwaardige keuze heeft de Chátillon het nu niet alleen bij de volksklasse verkorven maar ook bij de patriciërs die niet alleen hun rechten beknot zagen maar ook nog gijzelaars hadden moeten leveren. Het is niet duidelijk wat de Chátillons bedoelingen zijn geweest wanneer hij die keuze heeft bedacht, maar diplomatisch gezien was het een serieuze vergissing. Schijnbaar onbewust schiep hij door deze opmerkelijke beslissing een kloof tussen de koning en het deel van het volk dat steeds aan zijn zijde hadden gestaan.
Nochtans bleef het een tijdje rustig. De Brugse opstand die zoals gezien op 13 juli was uitgebroken scheen definitief gesmoord te zijn, maar de Chátillon was daar toch niet helemaal zeker van en maakte van de relatieve rust gebruik om naast de versterkte gevangenis die hij reeds het jaar daarvoor had laten oprichten nu ook nog een versterkte burcht met fort te laten bouwen.
Om het bouwen van deze burcht te bekostigen bedacht de
Chátillon nu een nieuwe belasting. Alle arbeiders in de lakenindustrie
en de ambachten moesten een vierde van hun inkomen aan de Franse
tollenaars afstaan, wat ertoe leidde dat heel wat Bruggelingen de stad
verlieten en zich gingen vestigen in de Vier Ambachten dat tot
Rijksvlaanderen behoorde en dus niet onder het bewind van de Franse
koning viel. Door deze emigratie werd de lakenindustrie zwaar getroffen
wat weer aanleiding gaf tot nieuwe frustraties.
Jan van Namen
Zoals gezien waren drie zonen van Gwijde: Jan, markgraaf van Namen en zijn twee broers Gwijde, genoemd naar zijn vader en Hendrik, graaf van Lodi, na de gevangenneming van hun vader en nog twee andere broers, Robrecht van Bethune en Willem, heer van Crèvecceur op 30 april 1300 naar Namen gevlucht, wat hen door de graafsgezinden toen vrij kwalijk werd genomen.
Ze werden echter wel op de hoogte gehouden van wat er zich in Vlaanderen afspeelde, wat voor het graafschap een gunstig gevolg had, want toen ze vernamen wat er in Vlaanderen en bijzonderlijk in Brugge aan het gebeuren was moeten ze zijn wakker geschud. Jan, als oudste van de drie zonen die zich in Namen schuil hielden, besefte schijnbaar dat hij, doordat zijn vader met zijn twee oudere broers in gevangenschap niet veel konden uitrichten, nu in feite het waarnemend hoofd was van de Vlaamse dynastie. Dit hield in dat hij een grote verantwoordelijkheid droeg, namelijk de plicht al het mogelijke te doen om Vlaanderen van de Franse overheersing te bevrijden en de rechten van het huis Dampierre restaureren.
Alleen of zelfs met zijn twee broers kon hij evenwel vanuit zijn Naamse positie maar weinig aanvangen. Hij was echter behendig en listig en hij begreep dat de vrijheid van Vlaanderen en het lot van het grafelijk huis, stond of viel met het volk. Het waren tenslotte de arbeiders en de boeren die met hun gedurfd, zonder enige grafelijke leiding, optreden het sein voor de weerstand aan de Franse bezetting, hadden gegeven.
Komt daarbij dat de positie van de Chátillon, door het aanhoudend geweld dat zich over heel Vlaanderen had verspreid op heel korte tijd ernstig was verzwakt want niet alleen met Brugge waren er problemen, ook met Aalst, leper, Gent en Kortrijk had de Chátillon af te rekenen. Zijn leger en dat van zijn broer Guy de Saint-Pol konden niet overal tegelijkertijd zijn om de smeulende oproerhaarden te dempen met het gevolg dat het Franse leger praktisch machteloos moest toekijken hoe het verzet zich meester maakte van de toestand.
De tijd voor Jan om op te treden en zich als leider van de Vlaamse opstand te manifesteren was dus gunstig. In de winter van 1301 stelde hij zich in verbinding met de hoofdmuiters van Brugge, de graafsgezinde Klauwaards en natuurlijk met de populaire Pieter de Coninc, de held van de Brugse opstand tegen de Chátillon in juni 1301. Jan slaagde erin hem te overtuigen dat het voor het welslagen van de Vlaamse opstand nuttig zou zijn om naar Brugge terug te keren.
Zegel van Jan van Namen,
zesde zoon van Gwijde van Dampierre
(Rijsel, Archives du Nord, Chambre des Comptes)
Pieter de Coninc gaat akkoord en gesteund door de graafsgezinden binnen de Brugse stadswallen doet hij in januari 1302, met zijn handlangers een geslaagde inval in de stad. De Chátillon kijkt machteloos toe en zient dat alle weerstand onmogelijk is. De koninklijke baljuw en zijn schout verlaten, gevolgd door een groot aantal patriciërs, die voor hun leven vrezen, de stad, waarop de ambachtslieden onder leiding van Pieter de Concinc zich meester maken van het stadsbestuur.
Dit was een belangrijke stap in de richting van een Vlaamse overwinning op de Franse bezetter, maar er was meer nodig. Er diende een man gevonden te worden, die de afzonderlijke volksbewegingen kon verenigen en die man was er, maar het was niet, zoals verwacht Jan van Namen, maar wel Willem van Gulik, zijn neef.
bibliografie:
1. LEGLAY, Edward. "Histoire des comtes de Flandre", Librairie de A. Vandale, Brussel 1843.
2. VAN BELLE, Juliaan. "Een andere Leeuw van Vlaanderen", Uitg. Flandria Nostra, Torhout 1985.
3. VAN OVERMEIRE, Karim. "De guldensporenslag", Uitg. Egmont, Brussel 2001.
Inhoudstafel - naar hoofdstuk 30
