De geschiedenis van Vlaanderen - Hoofdstuk 28
De Slag van Woeringen
Geschreven door: Charles
Vanderhaegen -
in lichte mate bewerkt door Herman Boel
Gepubliceerd met vriendelijke toestemming van Charles
Vanderhaegen.
Een betwiste erfenis
We zijn in 1300. Vlaanderen is door de Franse troepen bezet en de Vlaamse graaf Gwijde van Dampierre, net als zijn twee oudste zonen Robrecht en Willem, hebben zich aan de Franse troepen moeten overgeven en werden naar Parijs gebracht waar ze door de Franse koning werden gevangen gezet. Daarmede is de Vlaams-Franse oorlog zeker nog niet ten einde want het zwaarste moet nog komen, maar voor we verder gaan, moeten we eerst even het graafschap verlaten om onze aandacht te wijden aan het naburige hertogdom Brabant en in het bijzonder aan de politieke verwikkelingen die zich daar tijdens het einde van de 13e eeuw hebben afgespeeld.
Het hertogdom Brabant stond toen onder de leiding van de Brabantse hertog Jan I, zoon van Hendrik III van Brabant. In 1288 zal hij, in wat in de geschiedenis gekend is gebleven als de Slag van Woeringen, een overwinning behalen die vanaf het begin van de 14e eeuw geheel ons huidig Vlaams gewest op een indrukwekkende wijze, zowel economisch als machtsverhoudingsgewijs, sterk zal beïnvloeden.
De Slag van Woeringen (vroeger Worringen) was het besluit van een Limburgse vijfjarige successieoorlog die zijn oorsprong vond in de op elkaar botsende belangen van de aartsbisschop van Keulen enerzijds en de Brabantse hertog Jan I anderzijds, die beiden streefden naar de hegemonie in het gebied tussen Rijn en Maas.
De voornoemde politieke verwikkelingen begonnen in 1280 met de dood van Walram IV, hertog van Limburg. Hij had daarbij de hertogelijke titel aan zijn enige dochter Irmengard en dus zijn enige erfgenaam. nagelaten. Irmengard was gehuwd met Reinold van Gelre (het tegenwoordige Gelderland) en deze richtte zich 1282 tot de Duitse keizer Rudolf I met het verzoek dat hij het levenslang vruchtgebruik van de erfenis zou verkrijgen. Dit werd schijnbaar zonder enige tegenspraak van Irmengard aanvaard. In feite was dit voor haar geen probleem want de hertogelijke titel zou normalerwijze, na haar dood toch overgaan naar een van de kinderen uit haar huwelijk met Reinold gesproten. Maar nauwelijks drie jaar na de dood van haar vader, dus in 1283, overleed ze kinderloos. Onmiddellijk rees de vraag: wie had er recht op de Limburgse hertogelijke titel?
Nauwelijks begraven gingen de poppen aan het dansen. De pretendenten voor het Limburgse hertogdom begonnen zich zonder dralen om deze titel te verdringen en er waren er vier. De eerste was natuurlijk Irmengards echtgenoot Reinold van Gelre die dacht het recht te hebben op de erfenis van zijn overleden gemalin, daarbij steunende op het voornoemde levenslange recht op het vruchtgebruik van de erfenis dat hem, zoals gezien, in 1282 was toegekend door de Duitse keizer Rudolf I.
De tweede pretendent was Adolf, graaf van het op de rechter Rijnoever gelegen Berg en broer van Walram IV. Diens dochter Irmengard was dus niet alleen Adolfs nicht maar hij was ook haar naaste agnaat (de naaste bloedverwant van vaderszijde). In dit familieverband dacht hij dus recht te hebben op de erfenis.
Er presenteerden zich nog twee andere kandidaten: de graaf Hendrik VI van Luxemburg, gesproten uit een zijtak van het Limburgse huis en de heer Walram van Valkenburg. De eerste, merkende dat hij tegen de machtige Reinold geen kans maakte, haakte al spoedig af. De tweede, verloofd met Philippina, een zuster van Reinold, zocht geen ruzie met zijn toekomstige schoonbroer en trok zich eveneens uit dat ingewikkelde successieprobleem terug.
Adolf stond dus nu alleen tegenover Reinold, maar zijn kansen om de strijd voor de erfenis tegen Reinold te winnen waren vrij gering. Adolf wist dat, mocht het ooit tot een gewapende strijd komen tussen hem en Reinold, hij militair geen kans maakte, want wat zoiets als voor leger gold had hij niet en het geld om er een uit te rusten had hij al evenmin. Bovendien kon hij op niemands hulp rekenen, want de andere tegenkandidaten, de graaf van Luxemburg en Walram van Valkenburg, stonden eerder aan de zijde van de machtige Reinold dan aan de zijne. Hij bedacht daarom een plan waarmee hij letterlijk en figuurlijk het meeste munt kon slaan uit zijn onzeker Limburgs bezit. Dit plan vroeg om een bondgenoot en dat kon alleen maar Jan I, hertog van Brabant, zijn.
Jan I, hertog van Brabant
Jan I, de hertog van Brabant, werd geboren te Brussel in 1252. Toen zijn vader in 1261 overleed, waren Jan en zijn oudere broeder Hendrik IV nog minderjarig en dus niet gerechtigd om zelfstandig te regeren. Bovendien was Hendrik IV zwakzinnig. Het was dus zijn moeder Aleidis van Bourgondië die het regentschap over het hertogdom moest waarnemen. Dit duurde tot in 1267 toen Hendrik IV, in tegenwoordigheid van de afgevaardigden van de steden en van de ridders, afstand deed van zijn rechten op de hertogelijke troon ten voordele van zijn broer Jan I. De afstandsoorkonde werd voorgelegd aan de koning van Duitsland, Richard van Comwalis en door deze zonder enig probleem aanvaard. Een jaar later, op 16 augustus 1268 bracht Jan I hem te Kamerijk leenhulde voor Brabant en voor al zijn andere bezittingen.
Jan I was toen zestien jaar oud, dus nog vrij jong om het bestuur van een hertogdom als Brabant waar te nemen, maar hij was heel intelligent en gaf van het begin af blijk van diep doorzicht. In 1271 trad hij in het huwelijk met Margaretha, dochter van de Franse koning Lodewijk IX. Maar nauwelijks een jaar na haar huwelijk stierf ze in het kraambed. Kort daarop trouwde hij opnieuw, nog eens met een Margaretha, deze keer de dochter van Gwijde van Dampierre. Maar niettegenstaande dit huwelijk met de dochter van de graaf van Vlaanderen die toen niet bepaald de beste vriend was van de Franse koning, bleven zijn goede relaties met Frankrijk onaangetast, grotendeels door het huwelijk van zijn zuster Maria met de toenmalige koning van Frankrijk, Filips III de Stoute. Ook met Engeland wist hij goede relaties te onderhouden en voerde hij in 1277 huwelijksbesprekingen met de Engelse koning Edward I waarbij een huwelijk werd overeengekomen tussen zijn oudste zoon en opvolger Jan II met Margaretha, een dochter van de Engelse koning.
Alles ging dus goed met Brabant tot in 1282 de Limburgse successieoorlog uitbrak en Jan de machtsverhoudingen zag tussen de twee voornaamste antagonisten, Reinold van Gelre en Adolf van Berg. Jan begreep onmiddellijk dat Reinold de meeste kans maakte om zich meester te maken van Limburg en als dat gebeurde dit een bedreiging vormde voor Brabant. Limburg was namelijk van vitaal belang wegens zijn verbindingswegen met het Rijnland. Jan voelde aan dat hij zijn positie tussen Maas en Rijn moest versterken en als het kon zich zelfs van Limburg meester maken.
De grafbeelden van hertog Hendrik III en Aleidis van
Bourgondië, de ouders van Jan 1 van Brabant.
(In de dominicanenker* te Leuven)
Ook Adolf van Berg, die de machtsverhoudingen tussen Brabant, Gelre en Limburg perfect kende, wist dit en Jan I was dus ook de enige man met wie hij zaken kon doen. Bovendien beschikte de Brabantse hertog niet alleen over niet te versmaden geldmiddelen maar kon hij tevens beroep doen op de Standen, vooral de burgerij, die van mening waren dat hertog Jan hun enige kans was om de Limburgse handelswegen in handen te krijgen.
Begin 1283 nam Adolf contact met Jan I en stelde hij hem voor zijn Limburgse rechten op de erfenis van Irmengard van hem af te kopen. Dit was precies wat Jan nodig had: inspraak in het erfenisrecht op Limburg. Na enkele onderhandelingen werd er op 13 september 1283 een akkoord gesloten waarbij Jan I voor de som van 32.000 mark alle rechten op de Limburgse erfenis van Adolf van Berg afkocht en hij zich nu als wettige hertog van Limburg kon beschouwen, gezien Reinold, door de keizerlijke beslissing in 1282 slechts het vruchtgebruik van de Limburgse bezittingen had verkregen en niet de bezittingen zelf.
Toen dit akkoord bekend geraakte en men ook nog vernam dat de
koning van Frankrijk, Filips III,
bijgenaamd de Stoute, schoonbroer van Jan I, diens rechten op Limburg
erkende, ontstond er heel wat commotie in het kamp van Reinold met zijn
bondgenoten de graaf van Luxemburg en Walram van Valkenburg.
Wat aan de oorlog voorafgaat
Jan I voelde hoe er zich, als gevolg van zijn overeenkomst met Adolf van Berg, een anti-Brabantse coalitie tegen hem aan het vormen was die, wanneer die verder uitgroeide, tot oorlog kon leiden. Nu was Jan I niet bepaald de man die bang was om tegen Reinold oorlog te voeren, maar voor het zover kon komen deed hij toch een poging het geschil uit de wereld te helpen. Hij richtte daarom een verzoek tot Reinold om de zaak voor het keizerlijke gerechtshof te brengen en Rudolf I, de Duitse keizer te laten beslissen.
Reinold die de zwakte van zijn pretenties kende en er zich ook van bewust was dat hij voor het keizerlijke gerechtshof, wegens de beslissing van 1282, geen kans maakte om gelijk te krijgen, weigerde. Dit paste schijnbaar perfect in de politiek van de Duitse keizer Rudolf, want toen hem het aanbod van Jan en de weigering van Reinold ter ore kwam, gebaarde hij van niets en keek de andere kant uit. Al dat eindeloze getwist tussen al die hertogen. graven, bisschoppen en heren ten westen van de Rijn interesseerden hem niet. Hij had al genoeg problemen. In het Duitse rijk heerste er toen meer anarchie dan orde en de keizerlijke schatkist was zo goed als leeg.
In feite kwam dit voor Jan goed uit, want dat betekende dat de Duitse keizer zich absoluut neutraal in het Limburgse geschil opstelde en hij dus van de Duitse kant niets te vrezen had. De tijd was nu aangebroken bondgenoten te vinden om hem, als het tot oorlog kwam, militair te steunen en eventuele vijanden te neutraliseren. De eerste die in aanmerking kwam was de Hollandse graaf. Op 10 oktober 1283 zag hij af van de leenhulde van enkele kleine gebieden die hij bezat in het graafschap Holland en won daarmee de welwillende neutraliteit van Floris V, de toenmalige graaf van Holland. De tweede die hij aan zijn zijde kreeg was Jan van Vlaanderen, bisschop van Luik en zoon van Gwijde van Dampierre, eveneens door hem enkele leenhulden af te staan waarop de Luikse kerk aanspraak maakte. De genegenheid van de Luikse burgerij voor de hertog was overigens een garantie dat de prins-bisschop zich niet snel in het kamp van Brabants vijanden zou plaatsen.
Een vijftiende-eeuwse voorstelling van het huwelijk van
hertog Jan I met Margaretha,
de dochter van graaf Gwijde van Dampierre. (Uit "Geschiedenis van
Brabant')
Gwijde zou zijn zoon hierbij niet volgen. Hij zal zich zelfs later aansluiten bij het kamp van Reinold. De reden hiervoor ligt waarschijnlijk in het feit de Margaretha, een van zijn dochters, die gehuwd was met Jan I, ondertussen overleden was en een andere dochter van Gwijde, ook Margaretha genoemd ongeveer tegelijkertijd gehuwd was met Reinold. Gwijde stapte dus over van de ene schoonzoon naar de andere. Het is niet helemaal duidelijk waarom, maar verder speelde dit voor Jan I geen grote rol. Van Gwijde had hij niet veel te duchten, want die had toen zelf genoeg problemen in zijn graafschap met de Vlaamse steden Gent, Brugge en leper.
Wat hij wel te duchten had was wat men de ziel van het
anti-Brabants verbond heeft genoemd. Dit was niet Reinold, de graaf van
Luxemburg of Walram van Valkenburg, maar wel Siegfried
van Westerburg, de aartsbisschop van Keulen. Deze sloot
zich aan bij het kamp van Reinold daar door het Brabants-Bergs verbond
de oostkant van zijn territorium serieus werd bedreigd. Toen de graaf
van Gulik (Duits: Jülich) zich ook nog bij Jan I aansloot geraakte het
territorium van de prelaat, nu ook vanuit het westen bedreigd,
gevaarlijk in de knel. De enige manier om zich van die Brabantse
bedreiging te ontdoen was oorlog
Na de slag
De Slag van Woeringen, kan voor een middeleeuwse veldslag, met bij de 13000 deelnemers, een gigantische veldslag worden genoemd. Gedurende de vijf uren dat de slag in hevigheid heeft gewoed moeten er zowat 2400 soldaten, ridders en voetvolk samen, zijn gesneuveld. Wat het aantal gewonden betreft, beschikken we over geen gegevens, maar we kunnen die, als we een vergelijking maken met andere Middeleeuwse veldslagen, voorzichtig ramen op nog eens 2000. Hoeveel hiervan hun verwondingen hebben overleefd, weten we niet, maar gezien het totale gebrek aan hygiëne van die tijd zullen het er niet veel zijn geweest.

De opstelling bij de slag
(klik op de afbeelding voor een grotere versie)
Het aantal doden en gekwetsten ten opzichte van het aantal deelnemers aan de slag was voor de Middeleeuwen niets speciaals en op dat gebied was de Slag van Woeringen het ook niet, maar toch is Woeringen het symbool van de strijd tussen de oude en de moderne feodaliteit gebleven. Voor de eerste keer, en tegen alle in die dagen heersende begrippen in, werd de overwinning niet behaald dankzij de ridders, maar wel door het optreden van het voetvolk en voor Brabant was dat in de eerste plaats de Keulse militie die zich uit de Keulse gemeentenaren had gevormd. In deze slag waren het de boeren en de burgers die de beslissing hadden geforceerd en zonder enig ontzag hun adellijke tegenstanders in het stof hadden doen bijten en afgeslacht.
Dit doet geen afbreuk aan de door de hertog gevolgde strategie, noch aan de fanatieke strijdlust van zijn ridders, maar het feit dat het voetvolk, grotendeels bestaande uit boeren en gemeentenaren, hier voor de eerste keer in een Middeleeuwse veldslag het tegen de ridders durfden op te nemen, zal Woeringen voor altijd zijn unieke plaats geven in de krijgskunst van West-Europa.
Woeringen had voor alle veldheren van die tijd een teken moeten zijn dat de manier van oorlog voeren zich had gewijzigd, maar dat was het toen nog niet. Dit zal eerst later het geval zijn wanneer, 14 jaar na Woeringen, de Franse koning en met hem heel Europa zal opschrikken als ze vernemen dat het de Vlaamse boeren zijn die te voet, met slechts strijdknotsen en goedendags gewapend, de Franse geharnaste ridders, de schoonste van die tijd, onverschrokken te lijf zijn gegaan en hen een nederlaag hebben bezorgd die in de geschiedenis bekend zal blijven als de Guldensporenslag van 1302.
De wapenschilden van de Woeringse veldheren -
v.l.n.r. Gelderland, Luxemburg, Brabant, Keulen
Deze gewijzigde oorlogsvoering en tactiek was voor Brabants vijanden een ware catastrofe. Niet alleen was de coalitie van de Keulse aartsbisschop totaal verslagen, maar de voornaamste tegenstanders waren ofwel gesneuveld of gevangen genomen. Hendrik IV, de graaf van Luxemburg, lag dood op het slagveld, de aartsbisschop was door de graaf van Berg gevangen genomen en zal na een korte opsluiting in een van Bergs kerkers worden vrijgelaten tegen een som van 12000 mark. Een ander belangrijke gevangene was Reinold van Gelre, die nog had getracht te vluchten, maar door enige Brabanders werd herkend en in de kraag gegrepen. Op Jans bevelwerd hij naar Leuven gebracht en opgesloten.
Jan zelf vertrok nog diezelfde avond met zijn gevolg en zijn Keulse gemeentenaren naar Keulen, waar hij 's anderendaags door de dankbare burgerij werd gehuldigd als overwinnaar en bevrijder. Te zijner ere richtten de Keulse burgers een kapel op, met boven de ingang deze inscriptie: Anno MCCLXXXVIII fuit Prelium in Worringen et hoc in Sabath (In het jaar 1288 had de slag van Woeringen plaats en wel op zaterdag).
De gevolgen
De slag van Woeringen had ontzaglijke gevolgen. Voor altijd was de invloed van de Keulse aartsbisschoppen in westelijke richting serieus gekortwiekt en de macht van Gelre zal voor lange tijd uitgeschakeld blijven. Brabant, met Limburg vergroot, zag niet alleen een verbetering van de handelswegen van Brabant naar het Rijngebied en zo zijn economische bloei gewaarborgd, maar kreeg daarmee ook een vaste greep op de politiek van het bisdom Luik dat nu gekneld zat tussen Brabant langs zijn westelijke grens en Limburg met Gulik aan zijn oostgrens.
In groter politiek verband bracht de overwinning van de slag van Woeringen Brabant een stap dichter naar een onafhankelijkheid ten opzichte van de keizer van Duitsland. Dit bracht wel met zich mee dat de invloed van Filips de Schone, koning van Frankrijk sedert 1285, aanzienlijk toenam, wat ertoe leidde dat de hertog meer en meer zowel tegenover de Duitse keizer als tegenover de Franse koning een houding ging aannemen die meer geleek op de houding van een gelijkwaardige bondgenoot dan van een afhankelijke buurman
De militaire uitgaven die met de vijfjange oorlog en Woeringen gepaard waren gegaan, hadden Jans schatkist wel tot op de bodem uitgeput. Om deze weer op een aanvaardbaar niveau te krijgen moest de hertog zich noodgedwongen tot zijn onderdanen richten en de enigen daarin die over de middelen beschikten die hij zocht waren de burgers. De Brabantse burgerij en in de eerste plaats deze die baas waren in de steden, waren echter door een sterke samenhorigheid en door een sterk streven naar zelfstandigheid gemotiveerd en waren dus niet zo geneigd om Jan zijn militaire uitgaven te bekostigen. Anderzijds konden ze toch niet anders dan de hertog dankbaar zijn voor zijn overwinning die ertoe had geleid dat de Brabantse economie een nooit geziene groei kende, vooral door de export van de autochtone lakennijverheid en de doorvoerhandel tussen Brugge en Keulen.
Het is zonder twijfel deze mengeling van economische belangen, financiële macht, nationale trots en dynastiek gevoel die ertoe heeft geleid dat de Brabantse burgen toen hebben beslist op Jans verzoek voor steur in te gaan, weliswaar op voorwaarde dat de hertog bereid werd gevonden voor deze steun ook enkele tegenprestaties te leveren. Tenslotte was de burgerij geen liefdadigheidsinstelling maar een groep van keiharde financiers.
Hertog Jan I met zijn wapenschild na 1288 met de gouden leeuw
(Brabant) en
de rode leeuw (Limburg) (Prentenkabinet Noord-Brabant)
In ruil voor de ruime financiële bijdrage
van de Brabantse burgerij heeft Jan in 1290-1291 een reeks bijna
gelijktijdige privileges verleend aan de Brabantse steden die hierdoor
hun politieke en economische macht aanzienlijk zagen toenemen. Het
Brabants recht werd gecodificeerd en geuniformeerd, wat voor de burgers
een grotere rechtszekerheid waarborgde. Ook in de constitutionele sfeer
werden de rechten en de plichten van vorst en onderdanen nauwkeuriger
en vollediger omschreven in een reeks opeenvolgende en aanvullende
constituties. Deze evolutie die tegen het einde van de 13e eeuw een
aanvang nam zal zich ook buiten Brabant laten gevoelen en leiden tot
een soort algemeen nationaal gevoel dat zich uitte in nauwere banden
tussen de bevolking en de dynastie wat weer leidde tot een
samenhorigheid tussen de vorst en de onderdanen ten opzichte van een
mogelijke vijand. Dit zullen we van dan af aan in praktisch alle
graafschappen en hertogdommen kunnen waarnemen en bijzonderlijk in het
Vlaamse graafschap waar de bevolking zich aan de zijde van Gwijde zal
scharen in zijn perikelen met de Franse koning.
Slot
Als in 1292 de eerste werkelijke moeilijkheden tussen Filips de Schone en Gwijde van Dampierre ontstaan, suggereren de raadgevers van hertog Jan zich op te werpen als scheidsrechter om zo zijn machtspositie zowel ten opzichte van het Vlaamse graafschap als ten opzichte van de Franse koning te verstevigen.
Maar de hertog ging hier niet op in. Hij besefte wel dat een dergelijke functie, voor zover ze door de vijandige partijen zou worden aanvaard, hem zeker wel macht en invloed zou kunnen verschaffen, maar beide antagonisten en hun koppigheid kennende, was hij daar niet zo zeker van en oordeelde hij dat het beter was zich van dat Vlaams-Frans geschil afzijdig te houden. Hij zond dan ook zijn raadgevers wandelen met de woorden: "Laat de zaken op hun beloop! Wat mij betreft mogen koning en graaf slaags raken". De toekomst zal uitwijzen dat hij gelijk heeft gehad.
Dat hij gelijk heeft gekregen zich niet met het Vlaams-Frans geschil te bemoeien heeft hij niet geweten want twee jaar later verloor hij in een tornooi, ter gelegenheid van het huwelijk van zijn vriend, de graaf van Bar (in het huidige Lorraine), het leven. Hiermede verloor Brabant de grootste van zijn hertogen. Hij werd begraven te Brussel, in de kerk van de Franciscanen, naast zijn tweede gemalin, Margaretha van Vlaanderen.
Hij werd opgevolgd door zijn zoon Jan II, een zeer vredelievende man en in zijn politiek zeer voorzichtig. Hoe verder zijn regering zal voortschrijden, des te minder zal hij zich wagen aan militaire avonturen. Wel was hij overtuigd van de kracht van Brabant en zijn gehele leven (hij zal regeren tot in 1312) heeft hij op de bres gestaan om die kracht te handhaven en de integriteit van zijn grondgebied en dynastie te waarborgen. Maar verder gaan zijn aspiraties niet. Waarom alles in de waagschaal stellen om hier of daar een hypothetisch gewin te behalen? Deze manier van denken zal ook blijken in verband met het Vlaams-Frans geschil.
Toen op 5 juni 1297 het Franse leger het Vlaamse graafschap binnenviel, voorzag de hertog de fatale afloop ervan voor Vlaanderen en zijn voorzichtigheid getrouw, bleef hij neutraal en dat was ook het beste voor Brabant, want vijf jaar later is de strijd beslist. We zijn dan in 1300, terug van waar we zijn vertrokken.
bibliografie:
1. UYTVEN, R. van. Dr. en prof.em. "De geschiedenis van Brabant", Uitg.
Davidsfonds, Leuven, zonder jaartal
2. HORST, H. van der. "Geschiedenis van Brabant", Uitg. Historie,
Nijmegen 1983.
3. KIKKERT, J.G. "De Brabanders", Uitg. Elsevier, Amsterdam 1980.
4. VERBRUGGEN, J.F. "De krijgskunst in West-Europa in de middeleeuwen",
Uitg. Paleis der Academieën, 1954.
Inhoudstafel - naar hoofdstuk 29
