De geschiedenis van Vlaanderen - Hoofdstuk 26
Gwijde Van Dampierre, graaf van Vlaanderen (1)
Geschreven door: Charles
Vanderhaegen -
in lichte mate bewerkt door Herman Boel
Gepubliceerd met vriendelijke toestemming van Charles
Vanderhaegen.
De macht der steden, na Margareta
In 1278, wanneer Margareta van Constantinopel 77 jaar oud is, doet ze afstand van de Vlaamse troon ten voordele van haar zoon Gwijde van Dampierre die, geboren in 1225, toen 53 jaar oud was.
Gwijde was de 21e graaf van Vlaanderen, vader van acht kinderen uit zijn eerste huwelijk met Mathilde van Dendermonde, van elf kinderen uit zijn tweede huwelijk met Isabella van Luxemburg en van een niet nader bepaalde hoeveelheid kinderen bij diverse maitresses.
Met het voortbestaan van het huis Dampierre had Gwijde dus schijnbaar niet veel problemen, maar wat de politiek betreft, waarin hij na de dood van zijn moeder werd gedompeld, had hij minder succes. Reeds vanaf het begin van zijn regering geraakte hij verstrikt in een conflict met de Vlaamse gemeenten, een conflict dat jaren zal aanslepen en in feite nooit zal worden opgelost en zelfs, zoals we later zullen zien, zal leiden tot de Frans-Vlaamse oorlog.
Na de dood van Boudewijn IX van Constantinopel hadden Gwijdes tante Johanna en moeder Margareta het land met onzekere en zelfs slappe hand bestuurd, wat zeker niet bevorderlijk was geweest voor het handhaven van het grafelijk gezag. De gevangenschap van Ferrand van Portugal, die 14 jaar had geduurd na de slag van Bouvines en de langdurende strijd tussen de Dampierres en de Avesnes hadden de grafelijke macht ernstig ondermijnd en zelfs tot op de rand van een financiële afgrond gebracht terwijl de steden, dankzij de lakenindustrie, zich uitermate hadden verrijkt.
De gravinnen, die steeds in financiële nood verkeerden en met begerige ogen toekeken hoe de steden steeds rijker en machtiger werden, konden niet anders, of dachten toch tenminste niet anders te kunnen, dan precies op die Vlaamse steden en burgerij financieel beroep te doen om hun hofhouding in stand te houden. Dit lukte wel maar ging onvermijdelijk gepaard met allerlei toegevingen aan tegeneisen vanwege de geldschieters onder de vorm van steeds meer gemeentelijke vrijheden en voorrechten, ten opzichte van de grafelijke macht, waardoor deze zich van de graaf naar de steden verplaatste.
Die macht van de steden lag wel niet zozeer bij de steden zelf maar eerder bij de lakenhandelaars die met hun kapitaalkracht zich van de bestuurlijke macht wisten meester te maken en in de steden en zelfs in de kleinere gemeenten zowel de wetgevende als de uitvoerende macht gingen vertegenwoordigen. Een goed voorbeeld hiervan vinden we terug bij de zogenaamde XXXIX van Gent. Een gemeentelijk bestuursorgaan dat zich in de tweede helft van de 13e eeuw zelfstandig, dus zonder enige inspraak van de grafelijke macht, had gevormd. Deze groep van 39 mannen, was een besloten kring, een patriarchaat met schepenen, rechters en raadslieden uit rijke families gesproten die het bestuur van de stad in handen hadden genomen en die macht volgens welbepaalde en strikte opvolgingsregels aan elkaar overdroegen.
Een probleem met Gent
Deze machtstoestand van de gemeenten ten overstaan van de grafelijke macht leidde onvermijdelijk tot allerlei misbruiken, die weer aanleiding gaven tot twisten en beroertes. Een van de voornaamste oorzaken hiervan was het belastingstelsel. Dit bestond uit een hoofdelijke belasting die voor iedereen gelijk was, zowel voor de armen als voor de rijken en een zogenaamd "ongeld", een verbruiksbelasting op eetwaren en drank die vooral de lagere klassen trof. Het gevolg van dit stelsel was dat de grootste belastingbetalers de middenstanders en de arbeiders waren en die waren daar niet bepaald gelukkig mee. Ze begonnen dan ook van de stadsbesturen te eisen inzicht te krijgen in de stadsrekeningen om te weten wat er precies met hun geld gebeurde.
In Gent gaf dat in 1275 aanleiding tot de eerste moeilijkheden. Daar het stedelijk bestuursorgaan, de fameuze XXXIX, weigerden iets van de gemeentelijke financiële toestand aan buitenstaanders bekend te maken, richtten deze zich nu tot de gravin met het verzoek het bestuur van de stad te hervormen. Gwijde, vergezeld van zijn moeder Margareta, begaf zich persoonlijk naar Gent om tijdens een openbare vergadering de klachten van het volk te horen en wat ze te horen kregen was niet bepaald schitterend. Sommige van de XXXIX waren ziek of kreupel en de meeste te oud om nog te kunnen besturen. De jongeren deinsden er niet voor terug straffeloos dochters uit vooraanstaande families te schaken en sommige leden van het personeel, in dienst van het college, vergrepen zich ongestraft aan dochters van middenstanders en arbeiders.
Toen ze dit vernam werd de gravin woedend en zette ze het gehele stadsbestuur, alle XXXIX, gewoon af en verving het door een ietwat soepeler regime bestaande uit dertien schepenen, dertien raadslieden en vier ontvangers. In feite was dit ook niet een bepaald democratische oplossing want de middenstanders en de arbeiders bleven er buiten. Alle dertig nieuw benoemden kwamen uitsluitend uit de rangen van de patriciërs.
Maar daar bleef het niet bij. De verontwaardigde XXXIX gingen tegen deze beslissing in beroep bij de koning van Frankrijk, Filips III de Stoute. Het beroep werd ontvankelijk verklaard en de koninklijke uitspraak kwam op 12 juli 1277: de dertig door Margareta benoemde magistraten werden ontslagen en de oude XXXIX, buiten acht, toch schuldig bevonden, werden in al hun rechten hersteld.
Filips III, de Stoute.
(Grand Larousse encyclopédíque, 1963)
Dit zou echter niet lang duren. In 1280 eigent Gwijde zich de controle toe over de gemeentelijke financiën en de jurisprudentie, dit laatste echter alleen in gevallen van hoogverraad en aanslagen op het grafelijk gezag. Opnieuw verkeren de XXXIX in alle staten en trekken ze voor de tweede keer naar Parijs om bij het Parlement (*) de verbreking van de beslissing van de graaf, die ze als onrechtmatig beschouwen, te bekomen .
Maar in tegenstelling tot wat de XXXIX verwachtten, werd de
klacht als ongegrond verklaard. Niet alleen dat, maar Gwijde kreeg ook
nog van ditzelfde Parlement het recht toegekend om van de schepenen en
andere bestuursleden van de Vlaamse steden jaarlijks een verslag te
eisen betreffende hun financieel beheer en hun financiële toestand.
Maar daarmee waren de problemen niet van de baan. Gent was niet de
enige stad met dewelke Gwijde te kampen had. Brugge en leper zullen
volgen.
(*) Het Franse Parlement kwam tot stand in 1239 als de opvolger van de vroegere curia regis (koninklijke raad). De leden werden benoemd door de koning en droegen de titel van "maitres". Het Parlement was geroepen om de rechtspraak van de feodale heren te controleren. Het Parlement trad dus op als rechter om te oordelen in alle gevallen die werden voorgelegd door de feodale onderhorigen, wanneer deze zich door hun heer, graaf of hertog, in hun prerogatieven bedreigd gevoelden.
Een probleem met Brugge
In 1279 hadden de Bruggelingen die schijnbaar met hetzelfde probleem te kampen hadden als de Gentenaars zich eveneens tot de Franse koning gewend met het beklag dat zij van het stadsbestuur geen recht op inzage kregen in de stadsrekeningen en bijgevolg niet konden nagaan of de belastingen die ze afdroegen doeltreffend werden aangewend. Maar de koning verwees hen naar de graaf om hun beklag te onderzoeken.
De klacht ging nu over naar Gwijde die de Brugse schepenen aanmaande hun rekeningen niet alleen aan zijn controle te onderwerpen maar ze ook aan de vertegenwoordigers van de ambachten ter inzage voor te leggen. Toen deze de grafelijke beslissing vernamen verzochten zij aan het stadsbestuur hun een verslag te overhandigen niet alleen van de financiële toestand van de stadskas, maar ook hoe de geïnde belastingen werden gebruikt.
Zoals te verwachten weigerden de magistraten hierop in te gaan. Zoals te verwachten inderdaad, want het voorleggen van een eerlijk verslag leek hen niet opportuun aangezien de stadskas op dat ogenblik diep in de schulden zat. Op hun beurt richtten ze zich nu ook tot de graaf en legden hem het probleem van de stadskas in nood voor. Hierop gaf Gwijde aan het Brugse stadsbestuur het recht nieuwe belastingen te heffen om de stadskas weer in evenwicht te brengen. Het is niet helemaal duidelijk waarom Gwijde een dergelijke beslissing nam, want hiermee kreeg hij de ambachten en neringen tegen zich wat voor zijn grafelijk gezag, dat al zo wankel stond, niet bepaald gunstig was.
Toen de ambachten van deze onpopulaire maatregelen op de hoogte werden gebracht, brak de hel los. Gedurende meerdere weken stond de stad in rep en roer en werd ieder normaal bestuur van de stad onmogelijk gemaakt. Bloedige twisten tussen de verschillende facties waren dagelijkse kost. De graaf moest tussenkomen in het geschil - dat was meer dan zijn recht, dat was zijn plicht. Maar de graaf was op dat ogenblik afwezig, hij zat in Frankrijk waar hij besprekingen voerde met de Franse koning. Gedurende zijn afwezigheid had zijn zoon Robrecht van Bethune, het grafelijke gezag overgenomen en deze, toen hij het nieuws van de Brugse opstand vernam, haastte zich met een groep soldaten van de grafelijke macht naar de oproerende stad om te trachten daar orde op zaken te stellen.
Robrecht trad zowel op tegen de schepenen als tegen de vertegenwoordigers van de ambachten. Zware straffen werden uitgesproken tegen beide facties, meerderen werden gevangen gezet en enkelen zelfs opgehangen. Dit waren nogal zware maatregelen maar Robrecht beging de fout om de macht van het patriciaat ongedaan te laten of zelfs niet eens te milderen, wat de ambachten opnieuw naar het geweld deed grijpen.
Het gewoel hield niet op en het toppunt kwam wanneer het houten belfort, waar de vrijheidskeuren en de stadsrekeningen werden bewaard op 15 augustus 1280, dag van O.L.V. Hemelvaart, in de vlammen opging. Alle documenten betreffende de stadsfinanciën werden door het vuur vernietigd, waardoor ook alle mogelijke bewijzen van corruptie en wanordelijk bestuur voor altijd verloren gingen. Het is nooit uitgemaakt wie of wat de brand had aangestoken of veroorzaakt, maar het vermoeden ging dat het de schepenen waren die het gebouw opzettelijk in brand hadden laten steken om alle sporen van financiële onregelmatigheden te doen verdwijnen. Wanneer de ambachten vernemen dat er van de compromitterende documenten niets meer overblijft, breekt er een nieuwe oproer los die in de geschiedenis zal bekend blijven als de "Grote Moerlemaeye" (*).
De opstandelingen maken zich meester van het gemeentehuis, de stadsklerken worden op de vlucht gedreven en vervangen door mannen uit het eigen kamp. Zo blijft de toestand tot op 25 mei 1281 wanneer Gwijde, ondertussen terug uit Frankrijk, met zwaarbewapende ridders de stad binnentrekt om met de opstandelingen af te rekenen. Niet opgewassen tegen de macht van de graaf moeten deze zich uiteindelijk gewonnen geven.
Het vonnis van Gwijde was niet mals. De stad moest hem een boete
betalen van 100.000 pond, verspreid over twee jaar en een eeuwig
durende jaarrente van 1000 pond. Wanneer tegen dit vonnis opnieuw
rellen uitbraken liet hij vijf leiders van de opstandige beweging
opknopen en legde hij aan de stad een bijkomende boete op van 45.000
pond. Maar tot grote ontsteltenis van de ambachten werden de corrupte
ambtenaren in hun vroegere functies hersteld. En daarmee waren Gwijdes
problemen nog steeds niet opgelost.
(*) "Moerlemaeye", oorspronkelijk "Morlemeye". De term is een
samentrekking van "morren" of "moeren" (zijn ongenoegen uitschreeuwen)
en "meyen", of "maeyen", een Oudviaams woord dat staat voor "met de
armen zwaaien".
Een probleem met leper
Nauwelijks had Gwijde zich met heel wat tegenstand van het Brugse probleem min of meer verlost, of hij kreeg te doen met leper.
Toen de leperse schepenen meerdere stadsordonnantiën uitvaardigden die er op neerkwamen dat de lakenondernemers en -arbeiders, dit waren de scheerders, de wevers en de volders, een extra belasting moesten betalen om de stadsschuld onder controle te krijgen, dus een belasting nog boven het fameuze "ongeld", brak er een algemene opstand uit. Praktisch iedereen deed er aan mee, ook rijke families die geen zeggingsschap hadden in de stadspolitiek, zodat de opstand weldra uitgroeide tot een totale chaos. De schepenen werden opgezocht. Wie niet tijdig konden vluchten werd vermoord, zijn huizen geplunderd en in brand gestoken.
Hele bendes trekken door de stad met een soort van oorlogskreet die in de geschiedenis zal blijven bestaan als de naam voor deze opstand, namelijk kokerulle. Waar die naam vandaan komt weten we niet precies, de ware betekenis is verloren gegaan, maar waarschijnlijk is het een Oudviaamse samentrekking van cocket (belasting, tol) en rolle of rulle (lijst van zaken die op een rechtszitting moeten besproken worden). Hoe het ook zij, de opstandelingen slaagden erin zelfs de meest verpauperde lagen van de leperse bevolking voor zich te winnen en zelfs versterking te laten aanrukken vanuit Poperinge.
De graaf moest tussenkomen om de orde te herstellen en dat deed hij ook. Met een groep Duitse lansknechten die hij toen in dienst had, trok hij naar leper en slaagde hij erin in vrij korte tijd de opstandelingen onder de knie te krijgen. Hij richtte een grafelijke rechtbank in die moest onderzoeken welke de oorzaken waren van de opstand en het daarmee gepaard gaande geweld en wie er had aan deelgenomen. Het bleek al heel vlug duidelijk dat zowat iedereen boter op het hoofd had.
Ook hier was Gwijde niet mals met zijn vonnis. Voor de plunderingen en de moorden worden vijf Poperingenaars aangehouden en ergens in Frankrijk gevangen gezet. De lakenondernemers en de schepenen worden elk beboet met 500 pond. De lakenarbeiders krijgen een eeuwige boete op de hals van een halve penning per werkdag. De schepenen worden van boete vrijgesteld in ruil voor een geldelijke persoonlijke gifte aan de graaf en ze worden verplicht de stadsrekeningen twee keer per jaar aan de graaf voor te leggen.
Filips De Schone verschijnt ten tonele
Met deze afrekening wordt het een tijdje rustig, in ieder geval wat de gemeenten betreft, maar andere problemen duiken op en verduisteren de Vlaams-Franse politieke relaties wanneer Gwijde zich in 1292 naar Engeland begeeft om daar de Engelse koning Eduard I te ontmoeten en met hem besprekingen te voeren.
We zijn in 1292. De Franse koning Filips III, bijgenaamd de Stoute was in 1285 overleden en opgevolgd door zijn zoon Filips IV, beter bekend als Filips de Schone (Philippe Ie Bel). Vanaf zijn troonsbestijging had Filips af te rekenen met Engeland in verband met Guyenne, het vroegere hertogdom Aquitanië, tussen Charente en de Pyreneeën en waarvan de Engelse koning Eduard in 1285 leenhertog was geworden. Net zoals in Vlaanderen deden de inwoners van dat gebied constant beroep op de Franse koning of op het Parlement van Parijs om de verbreking te verkrijgen van allerlei beslissingen van de Engelse koning in verband met hun financiën, belastingen of ordonnantiën welke ze als indruisend tegen hun rechten beschouwden.
Filips de Schone, toen 24 jaar oud, was een zeer sterke persoonlijkheid, zelfbewust, zeer intelligent, sluw en emotieloos, vandaar dat men hem ook wel Le Roi de Fer noemde. Zijn politiek was er op dat ogenblik op gericht Vlaanderen en Guyenne onder volledige Franse macht te krijgen. Het was dan ook te verwachten dat hij het bezoek van Gwijde aan de de Engelse koning als een bedreiging voor zijn ambities beschouwde. Toen hij ook nog vernam dat Filipinna, de dochter van Gwijde, aan Eduard, prins van Wales en zoon van Eduard I en toekomstige koning van Engeland, als bruid was beloofd, besliste hij deze huwelijksovereenkomst, die hij als een gevaar voor Frankrijk beschouwde, te verijdelen
De sluwe Filips liet nu aan Gwijde weten dat hij van hem verwachtte dat hij met zijn dochter, voor ze naar Engeland zou worden gebracht voor het geplande huwelijk, naar het Franse Hof zou komen om van hem Filips en leenheer van Gwijde afscheid te nemen. De niets vermoedende Gwijde aanvaardde zonder enige achterdocht de uitnodiging en ging met twee van zijn zonen en met Filipinna. Omringd door een groot gevolg van Vlaamse edelen ging hij naar Corbeil-sur-Seine waar hij door Filips en de koningin Johanna van Navarre met veel charme werd ontvangen Maar de charme was slechts schijn. Gwijde, zonder enige argwaan, liep in een val want Filips had alie uitgangen van het kasteel laten vergrendelen waardoor het Vlaamse gezelschap letterlijk zijn gevangene werd.
Maar dat wist Gwijde niet en hij vermoedde ook niets. 's Anderendaags na de traditionele mis, werd hij met Filipinna door de koning ontvangen en zoals hij naar gewoonte door deze werd verzocht te spreken zei hij "Heer Koning, ziehier uw nichtje Filipinna die ik en mijn goede Vlaamse heren aan de koning van Engeland hebben beloofd als bruid voor zijn zoon. Zij had echter niet naar Engeland willen vertrekken zonder van u, zoals het hoort, afscheid te nemen".
Het antwoord van de koning was zeker niet wat Gwijde had verwacht. "In de naam van God", zo luidden de koninklijke woorden, "heer graaf, ik denk dat uw dochter, wat ons en het koninkrijk betreft, geen schadelijker huwelijksverbinding had kunnen aangaan als deze die ge mij aankondigt. Maar dit zal niet doorgaan, want gij hebt met mijn vijand onderhandeld zonder mij vooraf te raadplegen en zonder enig respect voor mijn soeverein gezag. Gij en uw dochter zullen dan ook hier blijven voor zolang ik dat nodig acht".
Hierop gaf de koning het bevel zijn gevangenen naar het Louvre te brengen en hen daar op te sluiten. Het gevolg van de edelen die Gwijde hadden vergezeld, mochten vrijuit gaan.
Toen in Vlaanderen het nieuws van de aanhouding van de oude graaf en zijn dochter bekend werd, verwekte dit een algemene verontwaardiging. Drie zonen van Gwijde, met Robert van Nevers aan het hoofd, slaagden er later in (in januari 1294) met de hulp van de paus Bonifacius VII hun vader vrij te krijgen, maar de Franse koning wilde Filipinna niet vrijlaten. Wat er later met haar is gebeurd weet men niet precies. In ieder geval heeft men haar nooit meer gezien. Een Vlaamse versie luidt dat de prinses in het gevang van het Louvre wegkwijnde tot ze uiteindelijk, na 12 jaar gevangenschap, door vergiftiging om het leven werd gebracht (1306).
Gwijde van Dampierre en zijn dochter Filipinna, op bezoek bij
Filips de Schone, worden op zijn bevel gevangen genomen.
(De gravure is ontleend aan G.H. Moke, zoals weergegeven door Juliaan
van Belle in zijn "Een andere Leeuw van Vlaanderen')
Problemen met Filips de Schone
Ondertussen blijft de oorlog tussen Frankrijk en Engeland aanslepen, wat tot zware economische problemen leidt voor Vlaanderen. De Franse koning die al het mogelijke zoekt om de Engelse macht te stuiten verbiedt nog in dat zelfde jaar 1294 de invoer van Schotse en Engelse wol in Vlaanderen. De Engelsen schijnen hier niet bepaald van onder de indruk te komen, wat ze verplaatsen gewoon hun wolhandel van Vlaanderen naar Dordrecht in Holland. Dit betekent een harde klap voor Vlaanderen en vooral voor Brugge dat vóór het embargo zowat de grootste wolmarkt was van West-Europa. Voortaan moeten de Brugse handelaars de Engelse wol via allerlei zijwegen uit Holland verkrijgen, wat tot een ontsporing van de prijzen leidt met alle problemen van dien.
Filips de Schone, Koning van Frankrijk
(Groot Seminarie, Brugge)
Maar voor de graaf is de wolhandel voorlopig niet het grootste probleem, maar wel Henegouwen. In 1290 was Valencijn (Valenciennes) in opstand gekomen tegen haar landsheer Jean van Avesnes. Toen in 1294 de toestand nog niet was opgeklaard maakte Gwijde hiervan gebruik om de Avesnes dwars te zitten door de opstandige stad onzer zijn controle te krijgen en dat lukte ook nog. Robrecht van Bethune, de oudste zoon van Gwijde trok met een klein leger naar Valencijn en slaagde erin het grafelijk gezag van de Dampierres door de inwoners van die stad te laten erkennen.
Tegelijkertijd wilde de Vlaamse graaf ook Oosterbant bij het Vlaamse graafschap aanhechten. De Franse koning ging hiermee zonder moeite akkoord, Gwijde was immers zijn leenman terwijl Avesnes de leenman van de Duitse keizer was. Maar Filips akkoord is maar van korte duur want in 1296 sluit hij, achter de rug van Gwijde, een akkoord met Jean van Avesnes waarbij overeengekomen wordt dat Oosterbant aan de Franse domeinen zal worden toegevoegd en Avesnes Valencijn zal terug krijgen.
Een koninklijk bevel wordt aan Gwijde bezorgd waarbij de koning van hem eist dat de Dampierres Valencijn ontruimen en teruggeven aan de Avesnes. Gwijde, die zich voor de zoveelste keer bedrogen voelt, is woedend en weigert aan Filips bevel gehoor te geven. Maar Gwijde is niet opgewassen tegen de macht van de Franse koning. Wanneer deze verneemt dat Gwijde weigert zijn bevelen op te volgen wordt hij in juni 1296 als graaf van Vlaanderen geschorst en krijgt hij van de koning een dagvaarding om zich voor het Parlement van Parijs te komen verantwoorden.
Leenopzeg
Maar Gwijde laat weten dat hij weigert voor het Parlement te verschijnen omdat dit slechts als rechtbank kan optreden in zaken betreffende de rechtspraak van de feodale heren. Volgens het leenrecht zijn het alleen de Pairs de France die bevoegd zijn om hem te oordelen, omdat dit college het enige is dat de leenmannen van dezelfde leenheer vertegenwoordigt. De Franse koning maakt zich, althans volgens Gwijde, schuldig aan rechtsweigering.
Schijnbaar heeft Gwijde gelijk, want na heel wat discussies nodigt Filips Gwijde nog eens uit om naar Parijs te komen waar "de Pairs de France zullen recht spreken over de zaken waarvoor ze bevoegd zijn". Filips is een sluw man en met een dergelijk gezegde kan hij alle kanten uit, maar Gwijde laat zich opnieuw vangen. Hij vertrekt naar Parijs, waar hij door de koning en het Parlement en niet door de Pairs wordt ontvangen. Wanneer Gwijde heftig protesteert krijgt hij tot antwoord: "nogal duidelijk, heer graaf, de Pairs zijn niet bevoegd verklaard om in dit conflict te oordelen". Dit is wat de koning heeft beslist overeenkomstig zijn adagium: "que veut le roi, ce veut la loi".
De ontmoeting ontspoort in een juridisch gevecht en eindigt met een totale vernedering van de Vlaamse graaf. Gwijde zit als gevangen, kan geen kant uit. Van de grote vijf Vlaamse steden moet hij Gent aan de koning afstaan en in de vier andere steden Brugge, leper; Kortrijk en Dowaai wordt de macht van de graaf zodanig ten voordele van de Franse koning uitgehold dat alle grafelijke macht bijna volledig wordt geknakt.
Verschrikkelijk vernederd terug in Vlaanderen roept hij een
aantal staatsleiders bij zich die samen komen te Geraardsbergen om een
anti-Franse coalitie te vormen. Deze bijeenkomst loopt uit op een
formeel militair verbond met Engeland dat op 7 januari 1297 te lpswich
door beide partijen, de Engelse koning en Gwijde wordt ondertekend.
Twee dagen later breekt Gwijde definitief met Filips de Schone. Deze
leenopzeg zal tot de Frans-Vlaamse oorlog
leiden die Vlaanderen zal teisteren tot in 1320.
bibliografie:
1. LEGLAY, Edward. "Histoire des comtes de Flandre", Librairie de A. Vandale, Brussel 1843.
2. VAN BELLE, Juliaan. "Een andere Leeuw van Vlaanderen", Uitg. Flandria Nostra, Torhout 1985.
3. VAN OVERMEIRE, Karim. "De guldensporenslag", Uitg. Egmont, Brussel 2001.
Inhoudstafel - naar hoofdstuk 27
