De geschiedenis van Vlaanderen - Hoofdstuk 24
Margareta Van Constantinopel, Gravin van Vlaanderen
Geschreven door: Charles
Vanderhaegen -
in lichte mate bewerkt door Herman Boel
Gepubliceerd met vriendelijke toestemming van Charles
Vanderhaegen.
Margareta en Bouchard
Johanna van Constantinopel, oudste dochter van Boudewijn IX en Maria van Champagne overlijdt op 5 december 1244 en wordt opgevolgd door haar jongere zuster Margareta die ook ter ere van haar vader, kruisvaarder en keizer van Constantinopel, "Van Constantinopel" aan haar naam krijgt toegevoegd. Margareta werd geboren in 1202 en was dus 42 jaar oud toen ze de grafelijke troon besteeg.
Zij heeft, net zoals haar zuster Johanna, een vrij bewogen leven gekend. U herinnert zich dat Ferrand, de echtgenoot van Johanna, na zijn intrede in Vlaanderen, Bouchard van Avesnes als baljuw over Henegouwen had aangesteld. Van haar kant had ook Johanna aan Bouchard de bescherming opgedragen van haarjonge zuster. Bouchard was een heel eigenaardig personage. Hij was de zoon van Jacques uit het illustere huis van Avesnes en verbleef aan het Vlaamse grafelijk Hof. Bouchard was ook een heel intelligente jongeman die al op vroege leeftijd goed geletterd was, nogal vrij jong naar Parijs vertrok voor verdere studie en vandaar, gretig naar kennis en lering, naar de Ecole d'Orléans om daar kerkelijk recht te studeren. Al vlug bereikte hij de graad van bachelor en werkte hij zich op tot professor in burgerlijk en canoniek recht. Hij verkreeg een prebende (geestelijke bediening waaraan een vergoeding verbonden is) en werd tot slot van zijn studies door de toenmalige plaatselijke kardinaal tot subdiaken gewijd van de Notre-Dame kerk van Laon.
Maar lang bleef hij daar niet. Hij verdween gedurende enkele jaren, wat tot op heden een mysterie zal blijven, want men heeft nooit kunnen achterhalen waar hij die jaren was of wat hij deed. In ieder geval verscheen hij op een zeker ogenbik weer aan het Vlaamse Hof waar hem, zoals gezien, de bescherming van Margareta wordt toegekend. En dan gebeurt er iets vreemds. We zijn in 1212. Bouchard en zijn pupil (Margareta) verblijven op het kasteel van Quesnoy, in Henegouwen, ver van de woelige gebeurtenissen die het Vlaamse graafschap teisteren. Johanna en Ferrand, met de Franse koning Filips Augustus in oorlog verwikkeld hebben het te druk om zich met het lot van Margareta bezig te houden.
Margareta van Constantinopel
(naar een schets van Antoon de Succa. Kon.Bibl. Brussel)
Wat er zich toen in Quesnoy heeft afgespeeld weet men niet, maar men kan het wel raden want kort daarop, in 1213, eist Margareta van haar beschermheer dat hij met haar trouwt voor de Kerk. En dat gebeurt ook, maar dan wel in vrij ongemerkte, om niet te zeggen geheimzinnige, omstandigheden. Het huwelijk wordt ingezegend in de kapel van het kasteel van Quesnoy door de plaatselijke priester bij de naam van Werric de Nouvion. Er zijn alleen maar enkele Henegouwse ridders met hun wapenknechten als getuigen aanwezig, alsmede een klein aantal plaatselijke burgers van aanzien. Geen enkele vertegenwoordiger van het Vlaams grafelijke huis is van de partij en ook Johanna en Ferrand, de twee belangrijkste betrokkenen bij dit huwelijk, blijven afwezig.
Bouchard is dan 40 jaar oud en Margareta nog geen 12. Niet uitzonderlijk voor die tijd, maar wat wel uitzonderlijk is, is dat Margareta toen al, niettegenstaande haar jeugdige ouderdom manbaar moet zijn geweest, want reeds in het eerste jaar van haar huwelijk schonk ze het leven aan haar eerste kind, dat Jean d'Avesnes werd gedoopt en nog geen jaar later aan haar tweede, ook een zoon, die Boudewijn werd genoemd. Tot dan ging alles goed. Het geluk kon niet op.
Bouchard ontmaskerd
Maar lang heeft dit geluk niet geduurd. Johanna moet niet gelukkig met dit huwelijk zijn geweest en waarschijnlijk zware vermoedens hebben gehad van wat er zich in het kasteel van Quesnoy had afgepeeld, want een jaar later, in 1214, schrijft ze een brief aan Paus Innocentius III waarbij ze hem vraagt het huwelijk van haar zuster nietig te doen verklaren. Op welke gronden ze zich heeft gesteund om zoiets te durven eisen, weten we niet maar we kunnen ze wel afleiden uit een brief van de paus gedateerd van 20 februari 1215. Die brief was gericht aan de bisschop, de aartsdiaken en de proost van Atrecht met het verzoek de wettelijkheid van Margareta's huwelijk te onderzoeken op basis van vier vermoedens:
1. Waarom die geheimzinnigheid bij het afsluiten van het
huwelijk in Quesnoy ?
2. De vermoede overweldiging van de minderjarige Margareta.
3. Moest het subdiaconaat van Bouchard niet het huwelijk
onmogelijk maken ?
4. Bestond er enig verwantschap tussen de gehuwden ?
Het onderzoek was vlug beslist. Vanuit Orléans kwam de bevestiging dat Bouchard door de plaatselijke kardinaal tot subdiaconaat was gewijd. Er werd zelfs bij vermeld dat de kardinaal ter gelegenheid van de wijding Bouchard kaal had geschoren, zoals het bij een degelijke ceremonie gebruikelijk was.
Het geval kwam nu ter behandeling op het IVe Concilie van Latran (nov. 1215) waar, na onderzoek van de voornoemde vier vermoedens, het huwelijk ongeldig werd verklaard. Welke van de vier vermoedens of antwoorden op de gestelde vragen tot dit besluit had geleid weten we niet. Wel is het zeker, zoals later zal blijken, dat het om het derde punt ging: het subdiaconaat van Bouchard. Deze geestelijke functie werd namelijk toegekend voor het leven en sloot het huwelijk dan ook voor het leven uit.
Als Paus Innocentius III dit verneemt, geeft hij, op 19 januari 1216, aan de aartsbisschop van Reims en diens suffraganen last om Bouchard te excommuniceren. Hij schrijft daarbij het volgende: "Een verschrikkelijke en afschuwelijke misdaad is ons ter ore gekomen. Bouchard d'Avesnes, bekleed met het subdiaconaat van Notre-Dame de Laon heeft het aangedurfd op een frauduleuze wijze zijn nicht en edele vrouwe Margareta en zuster van onze edele vrouwe Johanna, gravin van Vlaanderen, te ontvoeren en op een onbeschaamde en leugenachtige wijze met haar in het huwelijk te treden. Daarom vragen wij u het openbaar te maken dat de afvallige Bouchard hiermede geëxcommuniceerd wordt en dat iedereen zijn gezelschap moet mijden zolang hij niet uit vrije wil het voornoemde jonge meisje terug onder de hoede van haar voornoemde zuster heeft geplaatst en zijn kerkelijke post met deemoed en bescheidenheid terug heeft opgenomen."
Dit was niet meer of niet minder dan een banvloek en de bisschop van Reims gaf nu aan alle kerkelijke overheden het bevel het interdict te werpen op al de plaatsen waar Bouchard zich zou ophouden, zolang hij zich niet aan de orders van de paus had onderworpen, d.i. Magareta niet terug onder de hoede van Johanna had geplaatst en zijn geestelijke post in Laon niet had hervat.
Maar in weerwil van deze strenge maatregelen liet Bouchard zich niet van zijn stuk brengen. Hij bleef gewoon in Henegouwen en sloot zich op in het kasteel van Etroeungt dat hij van zijn broer Watier d'Avesnes had gekregen ter gelegenheid van zijn huwelijk met Margareta. Toen kort daarop, d.i. op 17 juli 1216, Paus Innocentius III overleed, kreeg Bouchard even respijt en werd hij gedurende ongeveer een jaar door de kerkelijke overheden met rust gelaten.
Maar ook aan die korte rust kwam er een einde toen Innocentius III werd opgevolgd door Honorius III en deze, in de voetsporen van zijn voorganger, Bouchard met banvloeken vervolgde. De eerste kwam er op 17 juli 1217 en was zoals blijkt uit de tekst nog scherper gesteld dan de vorige. Zo schrijft de paus o.a. "Moge het God behagen dat Bouchard d'Avesnes, deze trouwloze en ontuchtige apostaat, getroffen worde door pijn en gebroken door berouw en boetvaardigheid, hij ootmoedig de kerkelijke straf zou ondergaan wat alleen maar de schande die zijn bezoedeld aangezicht overdekt zou kunnen uitwissen...."
Deze brief die verder de excommunicatie hernieuwt, lijkt evenals de vorige van Innocentius, eveneens uitgevaardigd als gevolg van een nieuwe klacht van Johanna aan de paus waarin ze vermeldt dat al haar aandringen bij Bouchard, haar Margareta uit te leveren, gewoon onbeantwoord blijven en hij bovendien doof en onverschillig blijft voor alle banvloeken die hem treffen.
Bouchard de stijfkoppige
Op 19 december 1218 schrijft de paus een tweede brief, deze keer aan de abt van St. Aubert, de deken van het kapittel van Kamerijk en tot meester Crépin, kanunnik van Kamerijk. In deze brief doet de paus zijn beklag dat Bouchard voor de pauselijke banvloeken zo onbewogen blijft. Zo schrijft hij o.a.: "Waarom heeft de goddelijke goedheid niet toegelaten dat de stoute apostaat Bouchard d'Avesnes niet uit zijn boosheid is ontwaakt en zijn ogen heeft geopend om de zonde die hij heeft bedreven te beseffen en nog steeds de onreinigheden waarmede hij zich heeft bevuild van zijn voetzolen tot aan het topje van zijn hoofd niet heeft ingezien en nog steeds geen kreet tot de Heer heeft gericht om uit die poel van verderf verlost te worden? Maar om hem terug op het goede pad te brengen verzoek ik u, geliefde broeders, ook de banvloek uit te spreken over zijn broers Watier en Gwijde d'Avesnes alsmede over Diederik van Houffalize" (zijn vriend)...
Ik heb al geschreven dat Bouchard een heel eigenaardig personage was en dit blijkt nu eens te meer het geval te zijn. Want ook deze zoveelste banvloek laat hem koud en ook zijn broers reageren niet.
De paus, met de onvoorstelbare macht die hij in die tijd op de maatschappij, dezen van de hoogste rang inbegrepen, uitoefende, moet serieus verbolgen zijn geweest dat zijn banvloeken niet het minste effect sorteerden. Maar al even koppig als Bouchard schrijft hij op 24 april 1219 een derde brief waarin hij niet alleen het interdict werpt op alle plaatsen waar Bouchard mogelijks zou worden opgemerkt maar bovendien ook over Margareta de banvloek uitspreekt omdat "zij zich als medeplichtige aan Bouchards zondig gedrag heeft gedragen door hem niet te hebben willen verlaten en, zoals door ons gevraagd, zich niet onder de hoede te hebben willen plaatsen van de edele vrouwe en zuster Johanna... "
Ook hier moet het waarschijnlijk Johanna zijn geweest die de pauselijke bul heeft uitgelokt door een brief waarin zij uiting gaf aan haar ergernis over de geschonden "pudor" (eerbaarheid) van haar jonge zuster en de oneer van haar ongeldig verklaarde huwelijk.
In ieder geval oogstten de pauselijke bemoeienissen, excommunicaties en banvloeken nog altijd geen enkel succes en bleven de aan minachting prijsgegeven echtelingen onscheidbaar. Alleen een politieke gebeurtenis zal hier verandering in brengen.
Bouchard de verliezer
In 1196 overleed Hendrik de Blinde, de graaf van Namen en Luxemburg. Kinderloos gebleven tot in 1165 had hij zijn neef Boudewijn V van Henegouwen als zijn opvolger voor Namen aangeduid. Toen hij echter uit zijn tweede huwelijk een dochter kreeg, bij de naam van Ermesinde, herriep hij deze beslissing, tot groot ongenoegen van Boudewijn en diens zoon Philips I. Toen Ermesinde in 1214 ook nog huwde met Walram III, hertog van Limburg en deze in de naam van zijn vrouw het graafschap Namen opeiste, werd er een successieoorlog in gang gezet die bijna tien jaar zal duren.
In die strijd tussen Walram en Phlips II, zoon van voornoemde Philips I, koos Johanna kordaat de kant van Philips II terwijl Bouchard en zijn broer Gwijde d' Avesnes de kant kozen van Walram. Het is niet duidelijk waarom zij zich langs de kant van Walram opstelden in plaats van gewoon een neutrale houding aan te nemen, want eigenlijk hadden ze niets met die opvolgingsoorlog te maken en was er wat de d'Avesnes betreft niets aan dat voor hen van enig nut kon zijn. De werkelijke reden is waarschijnlijk te zoeken in de vijandige houding die Johanna ten overstaan van Bouchard en zijn broer had aangenomen, gedreven door haar politiek tegen het huwelijk van Margareta.
De strijd woedde met wisselende kansen tot in 1219 Gwijde, dus de broer van Bouchard, in nogal wat duistere omstandigheden werd gedood en Bouchard door de soldaten van Johanna gevangen genomen en gedurende twee jaar lang in een kerker te Gent opgesloten.
Deze partijkeuze van Bouchard is waarschijnlijk de ernstigste fout die hij ooit maakte. Toen ook nog de paus opnieuw tussenbeide kwam was zijn lot praktisch beslist. Om zijn "zonden" te vereffenen gebood hij Bouchard een bedevaart naar Rome te ondernemen, waardoor hij na zijn gevangenschap nog eens een jaar van het toneel verdween. Margareta moet toen zeer teleurgesteld zijn geweest dat hij haar alleen had gelaten in dat kasteel van Etrceungt, om een nutteloze oorlog te voeren, want kort na zijn vertrek naar Rome heeft ze zich verzoend met de Kerk en werd ze door de paus van de banvloek, die tegen haar in 1219 was uitgesproken ontslagen. In 1223 kwam er eindelijk een einde aan die successieoorlog door de bemiddeling van de aartsbisschop van Keulen, die in het voordeel van Johanna werd uitgesproken. Vanaf dan verdwijnt ook Walram van het politieke toneel. Hij overlijdt in 1226.
Willem van Dampierre met Margareta van Constantinopel
(Handschrift Aantekeningen betr. Brugse stadhuis)
Willem van Dampierre
Kort nadat Margareta zich met de Kerk had verzoend, verliet ze het kasteel van Etrceungt en nam ze met haar twee kinderen, Jean en Boudewijn, haar intrek in het kasteel van Rosoy dat aan een van de zusters van Bouchard behoorde. Ze zal daar twee jaar verblijven, dus tot in 1225 wanneer bekend wordt gemaakt dat ze reeds in november 1223 met Willem van Dampierre uit het Huis van Dampierre uit het graafschap Champagne in het huwelijk was getreden. We zullen later zien dat het geslacht van Dampierre meer dan een eeuw over Vlaanderen zal regeren.
Kort voor haar huwelijk met Dampierre had Bouchard haar nog een brief geschreven waarin hij haar verzekerde dat hij nog altijd van haar hield. Maar Margareta had hem geantwoord: "Sire, laat mij in vrede en houdt u bezig uw gebeden te lezen". Dit moet voor Bouchard een vreselijke slag zijn geweest want van dan af voelde hij zich door iedereen verlaten. Het ergste voor hem was het verlies van Margareta die hij, volgens een kroniekschrijver van die tijd zeer had lief gehad. Hij trok zich terug op het kasteel van Etrceungt waar hij nog vijftien jaar, door iedereen verlaten, zal leven. Hij overleed in 1240 en werd zonder veel ceremonie begraven in Corfontaine (Henegouwen).
Margareta, gravin van Vlaanderen
Wanneer Johanna op 5 december 1244 kinderloos overlijdt verwerft Margareta de Vlaamse troon. Zij is op dat ogenblik al 12 jaar weduwe van Willem van Dampierre. Ze had haar man vijf kinderen geschonken. Het eerste, een dochter , naar haar tante Johanna genoemd en in 1246 op 22-jarige leeftijd overleed. Het tweede, een zoon, naar zijn vader ook Willem genoemd, die in 1248 met Lodewijk IX, koning van Frankrijk deel nam aan de Zevende Kruistocht en in 1251 te Trazignies omkwam in een steekgevecht. Het derde, ook een zoon, Gwijde genoemd, de latere graaf van Vlaanderen. Het vierde die de naam droeg van Jan en in 1258 overleed en tenslotte het vijfde, een dochter die zich al heel jong als non terugtrok in een klooster waar ze in 1302 overleed. Margareta zelf overleed in 1279, zodat slechts twee van de vijf kinderen uit haar tweede huwelijk haar overleefden.
Margareta had voor de kinderen uit haar tweede huwelijk een uitgesproken voorkeur ten nadele van haar twee zonen uit haar eerste huwelijk tegenover dewelke zij een soort van ongerechtvaardigd en moeilijk te verstaan misprijzen liet blijken dat zich uitte in een miskenning van de rechten van haar eerst geboren zoon Jean, een miskenning die heel wat ellende veroorzaakte en zelfs tot oorlog zal leiden.
Twee kandidaten voor de grafelijke titel
Drie maanden nadat Johanna in de kelders van de abdij van Marquette, begraven werd, ging Margareta naar Péronne om daar aan de koning van Frankrijk Lodewijk IX (in de geschiedenis beter gekend als Saint Louis) leenhulde te brengen van de graafschappen Vlaanderen en Henegouwen. Ze had haar oudste zoon uit haar tweede huwelijk, d.i. Willem van Dampierre, naar zijn vader genoemd, toen 19 jaar oud, meegebracht en stelde hem aan de koning voor als haar enige gerechtigde opvolger. Zij trachtte aldus, door hiervoor de goedkeuring van de koning te verkrijgen, de twee jongens uit haar eerste huwelijk voor altijd van de troon van Vlaanderen of Henegouwen uit te sluiten.
Maar zo eenvoudig ging dat niet. Jean en Boudewijn, dus de twee jongens uit haar eerste huwelijk, op een of andere wijze op de hoogte gebracht van Margareta's bezoek aan de koning van Frankrijk, kwamen plotseling tot grote ontsteltenis van Margareta opdagen en zich richtende tot de koning vroegen hem of zij niet evenveel rechten hadden als de kinderen van Dampierre daar zij toch ook de kinderen waren van Margareta en zij dus niet konden onterfd worden zonder schande en onrechtvaardigheid.
Lodewijk IX, (Saint Louis) koning van Frankrijk (1226-1270)
(Lithografie van Fragonard)
Toen Jean d'Avesnes, toen 30 jaar oud, zich ook nog aan de koning voorstelde als de enige gerechtigde opvolger van zijn moeder, brak er een hevige ruzie uit tussen de twee zonen van dezelfde moeder maar uit een verschillend bed. Daarbij beschuldigde Willem zijn halfbroer Jean ervan niets meer te zijn dan de zoon van een afvallige priester, op de wereld gekomen uit een onwettig huwelijk en dus als bastaard geen enkel recht op erfopvolging kon inroepen.
Lodewijk IX, die als een verstandig en vrij integer man bekend stond, weigerde in de twist tussen te komen en gaf aan Margareta te kennen dat hij haar leenhulde wat de lenen Vlaanderen en Henegouwen betrof wel aanvaardde maar voorlopig geen uitspraak wilde doen wat betreft de wettelijkheid van haar voorstel Willem als haar enige gerechtigde opvolger te erkennen.
Het duurde niet lang of het nieuws van het geschil tussen de twee broers verspreidde zich over de twee graafschappen en leidde tot twee partijen die zo tegen elkaar te keer gingen dat het geschil dreigde uit te lopen op een regelrechte oorlog. Henegouwen stelde zich op langs de kant van Jean d'Avesnes en Vlaanderen langs de kant van Willem van Dampierre.
Broederlijke twist
Het zal twee jaar duren voor de paus in het geschil tussen de Avesnes en de Dampierre's een beslissing zal nemen. Ondertussen bleef de strijd tussen de halfbroeders onverminderd woekeren en zelfs in hevigheid toenemen. De Avesnes konden niet verkroppen dat Willem van Dampierre hun in aanwezigheid van alle edelen van het Franse Hof had uitgemaakt voor bastaarden.
Jean huwde in 1246 met Aleidis, zuster van Willem II, graaf van Holland die later, in 1248 door de Duitse keurvorsten te Aken gekozen werd als Rooms koning (*). Verzekerd van de militaire steun van zijn schoonbroer en van praktisch het gehele ridderschap van Henegouwen dreigde hij nu de wapens op te nemen tegen zijn moeder. Een burgeroorlog was imminent.
Gelukkig konden zijn raadheren hem van dit plan doen afzien en konden ze hem overtuigen dat het beter was, zowel voor het land als voor een eerherstel van hem en zijn broer, zich tot de Franse koning te wenden en deze te laten beslissen in deze familiestrijd. Jean aanvaardde het voorstel, dat werd doorgestuurd naar Margareta en Willem van Dampierre. Na enig overleg aanvaardden ook zij dit voorstel.
Toen de Franse koning het verzoek van beide partijen om tussen te komen in een geschil dat nu al jaren aansleepte ontving, stemde hij toe maar geen subjectief oordeel willende vormen stelde hij een raad van wijzen voor die bestond uit de Franse kardinaal Eudes, de Italiaanse bisschop Tusculum, een legaat van de Heilige Stoel en hemzelf.
Beide antagonisten, Margareta voor de Dampierre's en Jean voor de Avesnes, stemden toe de uitspraak van de koninklijke raad, wat die ook mocht zijn, te aanvaarden en er zich in de toekomst naar te voegen. Margareta liet aan al haar onderdanen alsmede aan al de Vlaamse gemeenten weten dat zij als haar opvolger deze zou erkennen die door de hoge raad zou worden aangeduid. Jean d'Avesnes deed van zijn kant hetzelfde.
(*) Vanaf 962 werd de Duitse keizer en zijn mogelijke opvolger door de keurvorsten gekozen, wier aantal op 7 was vastgesteld. De door hen gekozen opvolger(s)droegen de titel van Rooms koning. Het was deze opvolger wiens rechten op de keizerlijke troon door de paus werd bevestigd die de keizerlijke waardigheid verkreeg gevolgd door de kroning door de paus.
Vrede, dood en haat
Het koninklijke arbitrale oordeel werd in juli 1246 bekend gemaakt. Het charter vermelde het volgende: "Wij hebben in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest deze twist geregeld als volgt: Wij hebben het graafschap Henegouwen met al zijn afhankelijkheden toegekend aan Jean d' Avesnes, ridder, met de verplichting te voorzien dat zijn grafelijke erfenisrechten voor zijn broeder Boudewijn worden verzekerd. Wij geven aan Willem van Dampierre, ridder, het gehele graafschap Vlaanderen en zijn afhankelijkheden, met de verplichting zijn grafelijke erfenisrechten voor zijn broeders Gwijde en Jan zullen worden verzekerd. "
Dit oordeel werd door beide partijen aanvaard waarop de koning aan Margareta uitdrukkelijk liet weten dat hij Willem van Dampierre als haar erfgenaam voor de opvolging van de Vlaamse grafelijke troon aanvaardde.
De familiale problemen tussen Margareta en haar zonen leken nu
geregeld, maar het oordeel van de koning had de vijandige gevoelens
tussen beide partijen, zoals we later zullen zien, nog altijd niet tot
rust gebracht. In ieder geval heerste er nu toch wat vrede wat koning
Lodewijk IX toeliet de oproep van de paus tot nog eens een kruistocht
(de zevende) te beantwoorden en het kruis op te nemen om Jeruzalem, dat
hij nooit bereikte, te bevrijden.
Ook Willem van Dampierre was van de partij en samen met de koning
vertrok hij naar het Heilig Land, maar reeds twee jaar later zal hij
terugkomen naar Vlaanderen.
Nauwelijks terug, tot grote vreugde van zijn moeder, riep de heer van Trazignies, een van de hoge baronnen van Henegouwen, op tot een ridderlijk toernooi die zich op de vlakte voor zijn kasteel op 6 juni 1251, zou afspelen.
Ridders, graven en hertogen uit Henegouwen, Holland, Brabant, Duitsland en ook Vlaanderen met Willem van Dampierre aan het hoofd van een briljant gevolg, verschenen op de afgesproken dag, gewapend met lansen en zwaarden op het vechtterrein. De strijd tussen de verschillende facties brak onmiddellijk los. Willem, ongeduldig zijn wapenschild met de Vlaamse leeuw zwaaiende, mengde zich in het gevecht en alles ging goed tot hij door een groep Henegouwse ridders van achteren werd aangevallen en van zijn paard gestoten. Door de aanstormende paarden verpletterd was zijn dood praktisch onmiddellijk.
Willem van Dampierre verliest in 1251, tijdens het toernooi
van Trazignies, het leven.
(G.H. Moke "De Geschiedenis van België)
Wanneer Margareta zijn dood verneemt en de omstandigheden die er toe leidden, wordt ze door diepe smart, die omslaat in diepe haat getroffen en schreeuwt ze uit: "Het zijn de Henegouwers die mijn zoon hebben vermoord. Zij zijn mijn vijanden, maar bij God, ik zweer het dat ik zijn dood zal wreken". En dat is ook wat ze zal doen.
Inhoudstafel - naar hoofdstuk 25
