De geschiedenis van Vlaanderen - Hoofdstuk 20

Boudewijn IX en de vierde kruistocht

Geschreven door: Charles Vanderhaegen - in lichte mate bewerkt door Herman Boel
Gepubliceerd met vriendelijke toestemming van Charles Vanderhaegen. 

Boudewijn en zijn vrouw nemen het kruis

In het jaar 1197 trok er door Noord-Frankrijk en Vlaanderen een begeesterde priester, Foulques de Neuilly, die met vurige toespraken alle gelovigen opriep om het kruis te nemen in een vierde kruistocht voor de bevrijding van Jeruzalem, een bevrijding die in de derde kruistocht van 1190 op een fiasco was uitgelopen.

Toen paus Innocentius III, die op 8 januari 1198 als opvolger van Coelestinus III was verkozen, over de vurige preken van de Franse priester hoorde spreken nam hij deze gelegenheid te baat om in de naam van de Heilige Kerk de geestelijkheid en de adel op te roepen de oproep van Foulques te volgen.

Meteen was er groot enthousiasme voor deze nieuwe kruistocht. In de eerste maanden van 1200 had er een ridderlijk toernooi plaats te Écry, in het graafschap Champagne. De graaf Thibault, toen 22 jaar oud, nam deze gelegenheid te baat om aan alle aanwezigen bekend te maken dat hij aan de oproep van de paus gevolg gaf en het kruis opnam ter bevrijding van Jeruzalem. Praktisch alle aanwezigen volgden zijn voorbeeld en dit (voor de Kerk) heuglijk nieuws verspreidde zich vlug als een lopend vuur over Vlaanderen en Frankrijk.

Ook Boudewijn IX werd door het enthousiasme gegrepen en op Aswoensdag van 1200 nam ook hij te Brugge, samen met zijn echtgenote Maria van Champagne, de zuster van voorgenoemde Thibault van Champagne, het kruis op voor deze nieuwe kruistocht. Zijn twee broers Hendrik en Eustache, samen met zijn kozijn Thierry, bastaardzoon van Filips van den Elzas, en het grotendeel der aanwezige baronnen volgden zonder aarzelen zijn opwekkend voorbeeld.

Het zal echter nog duren tot in 1202 voor de kruisvaarders op weg gaan naar het beloofde land, wat aan Boudewijn de tijd gaf om het een en ander te regelen wat de leiding van het graafschap betrof gedurende zijn afwezigheid. Filips, zijn derde broer en graaf van Namen, werd aangesteld als regent en als voogd om te waken over zijn enige dochter en kind, Johanna, toen nog maar twee of drie jaar oud (de juiste ouderdom is niet gekend), de latere Johanna van Constantinopel en het nog ongeboren kind, waarvan Maria in verwachting was.

Paus Innocentius IIIPaus Innocentius III
(uit een fresco in de Sacro Speco te Subiaco)

 

De voorbereidselen

Kort na deze ceremonie, ergens in de zomer van 1200, werd er in Soissons en twee maanden later nog eens in Compiègne, een bijeenkomst gehouden door de toekomstige kruisvaarders om overeen te komen wanneer het vertrek zou plaats hebben, op welke wijze de kosten ervan zouden worden betaald en hoe de tocht zou verlopen, over land of over zee. Daar Venetië op dat ogenblik de sterkste zeemacht van Europa was, besloot men zes afgevaardigden naar Venetië te sturen om daar van de doge, op dat ogenblik de oude Dandolo, te vernemen onder welke voorwaarde hij bereid zou zijn zijn vloot, of een gedeelte ervan, ter beschikking te stellen van de kruisvaarders.

In Venetië aangekomen duurde het een hele tijd voor ze door de oude doge werden ontvangen, schijnbaar had deze niet zo'n groot vertrouwen in die adellijke heren die nog eens naar Jeruzalem wilden trekken zoals reeds zovelen van hun voorvaders. Dandolo was echter heel sluw en begreep dat hij voordeel kon trekken uit de noden van de kruisvaarders. Aldus kwam het uiteindelijk tot het volgende: de doge was bereid de nodige schepen en bevoorrading ter beschikking te stellen van de kruisvaarders tegen de som van 85.000 zilvermarken, plus de helft van de gemaakte buit.

 

Op weg naar Venetië

De boden achtten het voorstel bevredigend en keerden met gerust hart terug naar het noorden waar zij de leiders van Dandolo's voorstel op de hoogte stelden. Zonder veel gebrom werd dit voorstel aanvaard, mede waarschijnlijk door een gebrek aan een militaire aanvoerder, want Thibault de Champagne, die als hoogste leider van de tocht was verkozen, was kort tevoren overleden. Hij was toen nauwelijks 24 jaar oud. Bonifacius van Montferrat werd als zijn opvolger aangesteld.

Het was in de zomer van 1202 dat de kruisvaarders zich klaar achtten te vertrekken. Boudewijn vertrok met zijn leger vanuit Brugge, dwars door Frankrijk en Noord-Italië en arriveerde, enige maanden later, zonder enige noemenswaardige problemen voor Venetië.

Tegelijkertijd vertrok een vloot met Vlaamse schepen vanuit het Zwin eveneens naar het zuiden, onder leiding van Jan van Nesle, de burggraaf van Brugge en Thierry, de kozijn van Boudewijn. Was ook aanwezig op een van de schepen, de gravin Maria, die kort daarvoor te Valenciennes bevallen was van een dochtertje. Het was de bedoeling dat de vloot Boudewijn zou vervoegen in Venetië, maar de vloot is niet zover geraakt. Gedurende de hele zeetocht heersten er heel zware stormen die de schepen beletten de straat van Gibraltar te passeren. Het was eerst in de herfst dat de vloot aankwam te Marseille. De gravin, doodvermoeid van deze lange ongelukkige zeereis gaf er de voorkeur aan voorlopig niet verder te reizen en de winter in Marseille door te brengen. Dit was slecht nieuws voor Boudewijn, die niet alleen had gerekend op zijn vloot, maar ook op het gezelschap van zijn vrouw.

Bovendien was er ondertussen een grote tweedracht ontstaan tussen de kruisvaarders. In Venetië aangekomen had de doge Dandolo namelijk betaling gevraagd van de overeengekomen 85.000 zilvermarken. Nu het op betalen aankwam koelde bij sommigen het religieuze idealisme en weigerden zij bij te dragen tot de betaling van zulk een immens bedrag, sommigen omdat ze gewoon geen geld hadden, anderen omdat ze hun geld niet wilden uitgeven. Om uit de impasse te geraken schonk Boudewijn nu alles wat hij bezat en alles wat hij had kunnen lenen. Dit voorbeeld werd wel door enkele andere edelen nagevolgd, o.a. door Bonifacius de Montferrat, zoals gezien de militaire leider van de groep en door de graaf van Sint Pol. Uiteindelijk was er nog een tekort van 34.000 zilvermarken.

Enrico DandoioEnrico Dandoio
(Cabinet des Estampes, Parijs)

 

Zara

Men zou verwachten dat Dandolo de betaling van dit tekort onmiddellijk zou eisen, of zoniet de overeenkomst verbreken. Maar dat deed de sluwe Dandolo niet. Integendeel, de doge was heel luchthartig, stelde de kruisvaarders gerust, hij kon best nog een tijdje op het geld wachten of zelfs vergeten... op voorwaarde dat de kruisvaarders de Venetianen wilden helpen om Zara te veroveren. Zara was een stad aan de Kroatische kust die vroeger tot Venetië had behoord maar al een hele tijd onderworpen was aan de koning van Hongarije.

De kruisvaarders waren niet bijzonder gelukkig met dit voorstel, want ze hadden geen zaken met de koning van Hongarije, die zelf katholiek was en zeker geen zaken om tegen Zara ten strijde te trekken. Zara was trouwens niet alleen een katholieke stad maar ook nog sedert 1154 de zetel van een rooms-katholieke aartsbisschop.

De kruistocht was bedoeld om Jeruzalem te bevrijden en niet om oorlog te voeren tegen geloofsgenoten. Maar de kruisvaarders zaten vast. Of ze stemden toe en dan kon hun tocht naar Jeruzalem verder gaan of ze weigerden en dan mochten ze de rest van hun kruistocht vergeten. Tenslotte werden alle scrupules opzij gezet en werd besloten om op Dandolo's verzoek in te gaan. Zara werd door de kruisvaarders na een kortstondig beleg ingenomen en overgedragen aan de Venetianen. De kruisvaarders waren hierdoor van hun verplichtingen tegenover Dandolo ontslagen en konden nu hun tocht naar Palestina verder zetten.

 

Een kruistocht die ontspoort

Het doel van de vierde kruistocht, Jeruzalem bevrijden van de Saraceense bezetting, zou niet alleen nooit verwezenlijkt worden maar de kruistocht zelf zou zelfs uitdraaien op een versterking van de Islamitische macht in het Midden-Oosten. Een machtsstrijd in Constantinopel zou er aanleiding toe geven.

Terwijl de kruisvaarders in Venetië verbleven en in Zara en Dalmatië een oorlog tegen hun eigen geloofsgenoten voerden, kregen ze het bezoek van Alexius de Jonge, de zoon van lsaëc II Angelus, de vroegere keizer van Byzantium. Acht jaar daarvoor, nl. in 1195, was deze keizer door zijn broer, die ook Alexius heette, beter bekend als Alexius III Angelus, van de troon gestoten. Hem werden de ogen uitgestoken en hij werd samen met zijn zoon, de voorgenoemde Alexius de Jonge, opgesloten in een kerker van het keizerlijk kasteel. De jonge Alexius was er echter op een of andere manier, met de hulp van buiten, in gelukt kort nadien uit de kerker te ontsnappen en door vrienden geholpen met een boot uit Constantinopel naar Ancona, aan de Adriatische kust van Italië, te ontkomen.

Vandaar vertrok hij naar Rome, waar hij de paus om hulp smeekte, maar die scheen niet bijzonder geïnteresseerd, zodat het bij enkele troostwoorden bleef. Vanuit Rome vertrok hij nu naar de Duitse keizer Filips van Zwaben, die getrouwd was met lrène, Alexius' zuster. Filips was sterk onder de indruk van zijn schoonbroers avonturen maar was niet in staat zijnde hem militair bij te staan. Hij stelde voor een keizerlijke delegatie, met enkele leden van Alexius' gevolg, naar Venetië te sturen en aan de kruisvaarders het verzoek te richten Alexius te helpen de Byzantijnse troon voor hem te heroveren.

Alexius ging akkoord met dit voorstel en een groep van Duitse edelen en enkele gezellen uit Alexius' gevolg vertrokken nu naar Venetië, waar ze de leiders van de Kruisvaarders ontmoetten en hen de vraag stelden voor hulp. Om deze hulp te bekomen was Alexius bereid aan de Grieks-Orthodoxe Kerk (zogenoemd omdat deze in de liturgie het Grieks gebruikte in plaats van het Latijn) te verzaken en getrouwheid te beloven aan de Roomse Kerk. Daarbij beloofde hij ook nog een gift van 200.000 zilvermarken en 10.000 soldaten om aan de zijde van de kruisvaarders ten strijde te trekken tegen de usurpator van de Byzantijnse troon en eens die verjaagd de kruisvaarders bij te staan in de bevrijding van Jeruzalem.

Dit was voor de kruisvaarders, constant in geldnood verkerend, wel een aantrekkelijk voorstel, maar niet iedereen was er bepaald mee ingenomen. Verschillende kruisvaarders vreesden, als ze het voorstel aannamen, ten eerste nog eens een moeilijk te rechtvaardigen oorlog tegen een Christen mogendheid en ten tweede nog eens een uitstel om op te trekken naar Jeruzalem. Verschillende edelen werden dan ook afvallig en vertrokken huiswaarts.

Boudewijn en Montferrat waren echter opgetogen door het voorstel en Montferrat, als militaire leider van de kruisvaarders, zond dan ook de delegatie terug met de volgende boodschap: "Wij begrijpen goed wat ge wilt. Zeg tegen uw meester (Alexius) dat indien hij ons wil helpen in het heroveren van de grond die we verloren hebben (Palestina) wij hem zullen helpen de zijne te herkrijgen".

Daarop werd besloten te Zara te overwinteren en zich bij het aanbreken van de lente naar Constantinopel te begeven.

 

Op weg naar Constantinopel

Een jaar nadat de kruisvaarders (juli 1202) vol enthousiasme met hun tocht naar het door de Islamieten bezette Jeruzalem waren begonnen waren ze niet verder geraakt dan Zara aan de Dalmatische kust van Kroatië. Het werd dus hoog tijd om te vertrekken en dat gebeurde ook. De maandag van Pasen 1203 (d.i. op 7 april) lichtte de vloot van de kruisvaarders het anker om enkele dagen later Korfoe te bereiken waar de jonge Alexius hen vervoegde.

Het was ook daar dat Boudewijn nieuws kreeg van zijn schepen die in Marseille voor anker lagen. De kapitein van de vloot, Jan van Nesle, vroeg aan de graaf om instructies betreffende het verder zetten van de reis. Boudewijn liet antwoorden dat hij hen verwachtte te Moton, havenstadje in het zuiden van de Peloponnesos. Maar Boudewijns vloot is daar nooit aangekomen. Om een of andere reden is Jan van Nesle doorgevaren naar Akko aan de Syrische kust. Daar zou Maria op haar Boudewijn wachten, maar tevergeefs. Ze zal dat stadje nooit meer verlaten en haar echtgenoot nooit meer weerzien.

Dat wist Boudewijn niet en hij heeft het waarschijnlijk ook nooit geweten. In ieder geval vertrok hij nu, op 24 mei 1203, met de kruisvaardersvloot naar Moton waar hij Maria dacht te zullen vinden, maar van Maria of zijn vloot was er geen spoor, zodat hij niet anders kon dan doorvaren naar Constantinopel.

 

De eerste inname van Constantinopel

Het weer was gunstig voor de kruisvaarders, alle zeilen en vlaggen wapperden in de wind, toen ze door de Dardanellen voeren, dwars door de Zee van Marmara en in de Bosporus langs de Europese kant op 23 juni 1203 aan land gingen bij de abdij van Sint Stefanus, op enkele kilometers van Constantinopel.

De volgende morgen onder leiding van Boudewijn en Montferrat maakten de ridders zich klaar om tot de aanval over te gaan. De maliënkolders werden aangetrokken, de ijzeren borststukken aangesnoerd, de zwaarden aangegespt, de helmen met het vizier naar beneden over het hoofd getrokken, de lange aanvalsperen in de linkerhand geklemd, de rechterhand vrijhoudend voor het zwaard.

Zo uitgerust trokken de ridders op naar de hoge versterkte wallen die Constantinopel omringden en waar er zich op de kantelen een grote massa mensen had samengetrokken die totaal verstomd en met de grootste verbazing dit wonderlijke tafereel van vreemde met ijzeren kleding uitgedoste soldaten aanschouwden. Tegelijkertijd bestormde de Venetiaanse vloot de stad langs de zee.

De strijd heeft geduurd tot in juli toen, de weerstand van Constantinopel volledig gebroken, men vernam dat Alexius III Angelus op een nacht, nadat hij de staatskas had geplunderd, de stad ongemerkt had verlaten. Toen dit nieuws zich als lopend vuur door de stad verspreidde, zochten de verwarde Grieken contact met de kruisvaarders en de Venetianen om onmiddellijk tot een overeenkomst te komen, wat ook zonder veel dralen gebeurde. De oude blinde Isaac II Angelus werd uit de kerker bevrijd en terug op de troon gezet.

Kort daarop, d.i. op 18 juli 1203, deed de jonge Alexius triomfantelijk zijn intocht in de stad, waar hij op 1 augustus, nadat zijn vader afstand had gedaan van de troon, in de kathedraal van Sofia tot keizer als Alexius IV werd gekroond. Maar zijn gezag was nogal gering, vooral toen de Grieken hadden vernomen dat hij de kruisvaarders' hulp had ingeroepen met de belofte aan het Grieks Orthodoxe geloof te verzaken ten gunste van de Roomse Kerk. Alexius voelde zich hierdoor vrij onzeker en vroeg aan de kruisvaarders, die al klaar stonden om eindelijk op te trekken naar Jeruzalem, om nog een tijd bij hem te blijven om zijn veiligheid te verzekeren. De kruisvaarders stemden toe en verschoven hun vertrek naar de lente van 1204.

bestorming van ConstantinopelDe bestorming van Constantinopel door de Venetiaanse vloot (1203)

 

De tweede inname van Constantínopel

Maar zolang zullen de kruisvaarders niet hoeven te wachten om terug in actie te moeten komen. Nauwelijks zat Alexius IV op de troon van het Byzantijnse rijk of een nieuwe staatsgreep, door enkele misnoegde Grieken opgezet, stootte hem op 21 januari 1204 van de troon. Hij werd opgesloten in de kerker waaruit hij enkele jaren daarvoor was ontsnapt en een jonge Griek, genoemd Nicolaas Canabé, werd in zijn plaats op de troon gezet. Maar ook hij hield ternauwernood gedurende enkele dagen stand want een zekere Alexis Ducas, bijgenaamd Morchufle, nam op zijn beurt de macht in handen. De oude blinde Isaac werd vergiftigd, de jonge Alexius IV gewurgd en de onttroonde keizer Canabé, volgens traditie, in de keizerlijke kerkers opgesloten.

Toen de kruisvaarders dit vernamen was de verslagenheid groot, want de kansen dat ze ooit de beloofde 200.000 zilvermarken zouden krijgen voor hun militaire hulp waren nu definitief voorbij. De verslagenheid sloeg nu om in woede. Onmiddellijk werd het beleg van Constantinopel hervat en met zulk geweld dat Morchufle in paniek op de vlucht sloeg. Zo kwam het dat de kruisvaarders zich reeds op 12 april 1204 van de stad konden meester maken. De kruisvaarders zouden zich nu zelf verschaffen waar ze dachten recht op te hebben. De vierde kruistocht sloeg nu om in een rooftocht.

 

Boudewijn, keizer van Constantinopel

Er begon nu een wilde plundering van de stad. Alles wat aan waardevolle dingen en schatten in de paleizen en kerken in de laatste 900 jaar verzameld was, werd weggesleept of wanneer het niet kon worden vervoerd, zinloos vernield. Meer dan 2000 inwoners werden vermoord en wel eenzelfde aantal vrouwen verkracht, al hebben we daar geen precieze cijfers van.

De leiders van de kruisvaarders en de Venetianen schijnen zich niet veel van die plunderingen en moordpartijen te hebben aangetrokken want terwijl hun soldaten onbeheerst als barbaarse woestelingen tekeergingen waren ze in conclaaf bijeengekomen om te bespreken wat er met het nu keizerloze Oostromeinse rijk te doen viel. In ieder geval was er geen kwestie van een Griek op de troon te zetten. Was het niet beter de waardigheid van keizer van Constantinopel aan iemand onder hen op te dragen? Iedereen was het daarmee eens. Er moest een Roomse keizer op de Byzantijnse troon komen en die kon alleen maar komen uit de rangen van dezen die het land van zijn Grieks-Orthodoxe tirannen had bevrijd.

Op 7 maart 1204 werd besloten de keizer te laten verkiezen door een genootschap van twaalf leden, zes kruisvaarders en zes Venetianen, maar het zal duren tot 9 mei 1204 voor dat de benoemingen van de twaalf leden van het genootschap een feit zal zijn. Er waren maar drie kandidaten voor het keizerschap: Bonifacius de Montferrat, de militaire leider van de kruisvaarders, de doge Bandolo als hoofd van de Venetiaanse afdeling en Boudewijn IX, graaf van Vlaanderen en Henegouwen die werd beschouwd als de moedigste en meest beheerste van de drie.

Op 16 mei 1204 werd bekend gemaakt dat het uiteindelijk Boudewijn was die als keizer voor het nu geheten "Latijnse keizerrijk van Byzantium" was verkozen met als titel "Boudewijn, keizer van Constantinopel". Onder heel wat gejuich werd hij op een schild geheven en naar de kathedraal van Sofia gebracht, waar hij als achttiende graaf van Vlaanderen, na Boudewijn met den Ijzeren Arm, de kroon van Constantijn, de stichter van Constantinopolis, op het hoofd werd gezet.

Zijn keizerschap zal echter niet lang duren en doorspekt zijn met niets dan last, kommer, oorlog en politieke tegenslagen. Ook in zijn privé-leven heeft hij gedurende de elf maanden dat hij de kroon heeft gedragen, heel wat onheil moeten verwerken.

keizerlijke zegel van Boudewijn IXHet keizerlijke zegel van Boudewijn IX

 

Het einde

Slechts enkele maanden gekroond, bereikte hem het nieuws dat Maria, zijn echtgenote, in Akko op 20 augustus 1204 na een pijnlijke aanslepende ziekte voor altijd de ogen had gesloten. Dit was een vreselijke slag voor Boudewijn. Aan welk lot waren nu zijn twee nog zo jonge dochterkens, die in Vlaanderen waren achtergebleven, overgeleverd ?

Doch dit waren niet de enige zorgen die Boudewijn te dragen had. Zijn eerste zorg was de organisatie van het nieuwe "Latijnse keizerrijk". Zoals in die tijd wel meer gebeurde bestond die "organisatie" erin de veroverde gebieden onder de dappersten van de veroveraars te verdelen. Ook Boudewijn volgde nu deze feodale traditie. Aan Bonifacius de Montferrat werd Saloniki toegekend, waar hij na enige strijd te hebben moeten leveren, zegevierend zijn intrede deed. Lodewijk, graaf van Blois, die destijds samen met Richard Leeuwenhart en Filips van den Elzas had deelgenomen aan de derde kruistocht, kreeg Nicea en Dandolo in naam van de Venetiaanse Republiek mocht bezit nemen van Epirus en Kreta.

Zo werd het Oostromeinse keizerrijk, nu het "Latijnse keizerrijk" tussen de voornaamste drie leiders van de kruisvaarders verbrokkeld, waardoor het maar, naar buiten uit, weinig kracht kon ontwikkelen. Boudewijn zal uiteindelijk een der eerste slachtoffers worden van die verbrokkeling die de zwakheid van zijn rijk uitmaakte. Zo werd zijn regering al heel vlug door Bonifacius van Montferrat betwist, wat tot een soort politieke oorlog aanleiding gaf, maar uiteindelijk toch niet met wapengeweld ontspoorde, maar wel tot een tweedracht leidde die nooit werd geheeld.

Zijn tweede zorg waren de Grieken die, helemaal niet opgetogen met die nieuwe Roomse keizer, beroep hadden gedaan op Johannisse, de koning van Bulgarije, om tegen Boudewijn ten strijde te trekken. Zonder dralen en begerig zijn macht uit te breiden veroverde deze eerst zonder veel moeite Adrianopel en marcheerde toen van daar uit, met een geweldig leger van naar schatting vijftienduizend man, naar het oosten in de richting van Constantinopel, waar Boudewijn hem opwachtte met een leger dat niet eens half zo sterk was als dat van zijn tegenstander. Boudewijn had wel zijn broer Hendrik in allerhaast uit Azië teruggeroepen, maar zijn oproep kwam te laat en Hendrik zal maar aankomen als de strijd gestreden is.

De botsing van de beide legers was verschrikkelijk. Door de zwakte van Boudewijns leger werden de kruisvaarders door de macht van de Bulgaren volledig verpletterd. De gelukkigsten konden ontsnappen aan het lot dat deze die werden gevangen genomen te wachten stond. In dit verwarde strijdgewoel sneuvelden o.a. Lodewijk van Blois en werd Boudewijn door de Bulgaren gevangen genomen. De datum: 14 april 1205.

Na zijn gevangenneming heeft men nooit nog iets van Boudewijn gehoord. Misschien was hij wel gewond geweest en is hij later in gevangenschap overleden, maar zeker weten we het niet. De wildste verhalen hebben toen de ronde gedaan betreffende wat er na zijn gevangenneming door Johanisse met hem is gebeurd. Volgens sommigen werd hij door de Bulgaarse koning terechtgesteld of volgens anderen weer, in een kerker opgesloten waaruit hij nooit meer is vrijgekomen of uit dewelke hij later misschien wel is kunnen ontsnappen. Deze laatste veronderstelling zal het trouwens twintig jaar later mogelijk maken dat een gewezen eremijt zich voor Boudewijn IX zal laten doorgaan en er zelfs in slagen deze persoonsverwisseling gedurende enkele maanden vol te houden. Die eigenaardige gebeurtenis staat in onze Vlaamse geschiedenis bekend als deze van de "valse Boudewijn". We zullen er uitgebreid aandacht aan schenken in ons volgend hoofdstuk.

In ieder geval was voor de kruisvaarders, met de dood van Boudewijn, de vierde kruistocht nog niet helemaal afgelopen, dan was dit voor het graafschap Vlaanderen wel het geval. Door de dood van Boudewijn was er in Vlaanderen namelijk nog eens geen mannelijke opvolging en zal Vlaanderen voor de eerste keer onder het bestuur komen van een gravin: Johanna, de oudste dochter van Boudewijn IX.

 

Het verdere lot van het Latijnse Keizerrijk

Na de dood van Boudewijn was de troon van het Latijnse keizerrijk vacant gevallen en werd Hendrik, dus de broer van Boudewijn , zonder veel ceremonie door de kruisvaarders eerst tot regent en een jaar later, d.i. in 1206 tot keizer van het rijk uitgeroepen.

Hendrik was een koele krachtige persoonlijkheid wat blijkt uit het feit dat hij er in slaagde de kritieke toestand, waarin zijn rijk na de dood van zijn broer verkeerde, in een vrij korte tijd meester te worden. Niet alleen dat, maar hij slaagde er ook nog in zijn Griekse onderdanen tot zijn vrienden te maken door deze tegen de constante aanslagen van de Roomse Kerk te verdedigen, ietwat dat hem niet bepaald met dank door de paus (Innocentius III) werd afgenomen.

Ook op militair gebied moet hij tamelijk begaafd zijn geweest, want het was hij die twee jaar later (in 1208) met een nieuw gevormd leger optrok tegen Johannisse en deze in de slag bij Philippopoli (het huidige Plovdiv) in Bulgarije definitief versloeg. Nog eens vier jaar later, dus in 1212, slaagde hij erin vrede te sluiten met Theodorus I, die na de dood van Lodewijk van Blois, zich meester had gemaakt van Nicea en zich aldaar tot Byzantijns keizer had laten kronen.

Maar ook dit hielp niet veel om het Latijnse rijk van de ondergang te redden. Hendrik overleed op 11 juni 1216, nauwelijks 42 jaar oud en als opvolging was er schijnbaar niet veel beschikbaar, zodat men beroep deed op Pierre van Courtenay, de schoonboer van Hendrik om naar Constantinopel te komen om aldaar tot keizer gekroond te worden, maar de ongelukkige Pierre is nooit in Constantinopel aangekomen. Daarop deed men beroep op Robert van Courtenay en tenslotte in 1228 op Boudewijn van Courtenay, toen nauwelijks 10 jaar oud. 

Dit was de laatste keizer van het Latijnse rijk. Hij zal het uithouden tot in 1261, wanneer de Griek Michaël Paliologos het bezit zal nemen van Constantinopel en het Griekse keizerrijk herstellen.


Bibliografie:
1. LEGLAY, Edward. "Histoire des comtes de Flandre", Librairie de A. Vandale, Brussel 1843.
2. LUYKX, Theo, Prof. Dr. "De graven van Vlaanderen en de kruistochten", Heideland, Hasselt 1967.
3. VILLEHARDOUIN. "La conquête de Constantinople", Les belles lettres, Parijs 1938.

Inhoudstafelnaar hoofdstuk 21

 
 
Over Herman Boel

Herman Boel is voltijds zelfstandig vertaler en auteur van twee skeptische boeken.

Lees meer »
Disclaimer
  • Aansprakelijkheid voor gebruik van de inhoud van de website.

Lees meer »
Browsercompatibiliteit

Deze webstek werkt prima in moderne browsers als Google Chrome, Firefox en Opera en mogelijk ook min of meer goed in Internet Explorer en Safari.

Contact

U kan me contacteren via het het invulformulier.

Online contactformulier »