De geschiedenis van Vlaanderen - Hoofdstuk 19
Boudewijn IX, de 18e graaf van Vlaanderen
Geschreven door: Charles
Vanderhaegen -
in lichte mate bewerkt door Herman Boel
Gepubliceerd met vriendelijke toestemming van Charles
Vanderhaegen.
De nieuwe Graaf treedt aan
Boudewijn IX, graaf van
Vlaanderen, graaf van Henegouwen als Boudewijn VI en keizer van
Constantinopel als Boudewijn I, werd geboren te Valenciennes ergens in
juli 1171 (de juiste datum is niet gekend) als zoon van Boudewijn,
graaf van Vlaanderen (VIII), graaf van Henegouwen (V), graaf van Namen
en van Margareta van den Elzas, zuster van Filips van den Elzas.
Hij huwde op 13 januari 1186, dus op vijftienjarige leeftijd met de
twaalfjarige Maria van Champagne, de dochter van de graaf van
Champagne, Hendrik I en nicht van de koning van Frankrijk. Uit dit
huwelijk werden er twee meisjes geboren: Johanna in 1199 of 1200 en
Margareta in 1202 (de juiste data zijn onbekend), de latere gravinnen
van Vlaanderen en Henegouwen.
Zoals we de vorige keer hebben gezien overleed zijn moeder Margareta op 15 november 1194. Als gravin van Vlaanderen uit het huis van den Elzas ging het graafschap, dat ze van haar broeder Filips van den Elzas had geërfd, nu over naar haar oudste zoon Boudewijn, die vanaf die dag de titel zal dragen van Boudewijn IX Graaf van Vlaanderen.
Van zijn vader die kort daarop, d.i. op 17 december 1195, overleed erfde hij de titel van graaf van Henegouwen, als Boudewijn VI, terwijl zijn broeder Filips het graafschap Namen toegewezen kreeg, mits manschap te doen aan zijn broer Boudewijn.
Wanneer Boudewijn de titels erft van graaf van Vlaanderen en Henegouwen, is hij 24 jaar oud en heeft hij, doordat hij zijn vader al op vroege leeftijd altijd heeft bijgestaan in diens politieke en militaire verwikkelingen, o.a. in de oorlog met Namur en in de adellijke revolte, al heel wat ervaring wat het bestuur van de graafschappen betreft.
Het zegel van Boudewijn IX, graaf van Vlaanderen
In zijn positie als leenman van de koning van Frankrijk was zijn verhouding tot Frankrijk van primordiaal belang, want de relaties met dat land waren gedurende het bewind van zijn vader niet bijzonder schitterend geweest. U herinnert zich dat Boudewijn VIII zich de woede van Filips Augustus, koning van Frankrijk, op de hals had gehaald toen hij diens plannen voor het zich toeëigenen van Vlaanderen had kunnen verhinderen.
Later, in 1191, hadden de twee antagonisten Boudewijn VIII en Filips Augustus, met het verdrag van Péronne, wel een soort vrede gesloten, maar de betrekkingen waren altijd troebel gebleven. Boudewijn wilde daar een eind aan stellen en de wankelende relaties tussen Vlaanderen en Frankrijk herstellen.
In juni 1196, dus nauwelijks zes maanden nadat hij de titel van graaf van Vlaanderen had geërfd, vertrok hij, na Filips Augustus van zijn bedoelingen op de hoogte te hebben gesteld en in overeenkomst met deze laatste, naar Compiègne waar hij manschap deed aan de Franse koning in aanwezigheid van de aartsbisschop Wilhelmus van Reims. Bij deze gelegenheid werd er ook tussen de twee vorsten een verdrag gesloten, waarbij Boudewijn volledige militaire steun aan zijn leenheer verzekerde, behalve tegen de Duitse keizer, daar die de leenheer was van Henegouwen en Namen. In ruil hiervoor verkreeg Boudewijn het kasteel van Mortagne, tegen Valenciennes en het Doornikse dat sedert 1187 van de Franse kroondomeinen deel uitmaakte.
Een Verdrag met Engeland
Die adellijke vorsten, graven en markiezen uit de Middeleeuwen, de politiekers van die tijd, waren werkelijk van slechte wil en niet te vertrouwen. Verdragen werden gesloten en gebroken, beloften werden plechtig afgelegd en niet gehouden, overeenkomsten werden aangegaan waaraan geen der partijen er aan dacht zich te houden.
Nauwelijks hadden Boudewijn en Filips Augustus met de zegen van de aartsbisschop van Reims de bovenvermelde overeenkomst gesloten, de eerste met de belofte de tweede militair bij te staan, de tweede met de belofte aan de eerste twee lenen te schenken, of het ging al fout.
Toen Boudewijn zijn twee door de Franse koning toegekende lenen opeiste, gebaarde diezelfde Franse koning van niets. Boudewijn besefte toen dat Filips Augustus door te weigeren hem de beloofde lenen af te staan, nog steeds geen afstand had genomen van zijn expansiedrang de Vlaamse gewesten aan zijn kroondomeinen toe te voegen. Hij zag zich dan ook verplicht om de onafhankelijkheid van zijn graafschap tegen de ambities van de Franse koning veilig te stellen, op zijn beurt de overeenkomst van Compiègne te verbreken en in plaats van zijn belofte de Franse koning militair te steunen, een bondgenoot te vinden die hem kon bijstaan in een eventuele oorlog tegen Filips Augustus.
Dit was niet zo moeilijk. De enige bondgenoot die in aanmerking kwam was Engeland met Richard Leeuwenhart die na de derde kruistocht tijdens zijn terugkeer naar Engeland door de Oostenrijkse hertog Leopold VI was gevangen genomen en slechts na het betalen van een enorm losgeld vrijkwam, in 1194 in Engeland was teruggekomen en praktisch onmiddellijk was begonnen een oorlog tegen Filips Augustus te beramen.
Toen Richard door Boudewijn benaderd werd met een voorstel tot bondgenootschap, was hij meteen akkoord. Op 20 juli 1197, na twee maanden onderhandelen, werd er tussen beide landen, Engeland en Vlaanderen, een militair bijstandsverdrag ondertekend waarbij werd bepaald dat indien een der beide landen in een oorlog met Frankrijk zou verwikkeld worden de Koning van Engeland en de graaf van Vlaanderen zich wederzijds militair zouden bijstaan. Bovendien zou Engeland aan Vlaanderen financiële hulp geven indien dit voor militaire redenen noodzakelijk zou blijken.
Het zegel van Richard I Leeuwenhart, koning van Engeland
1189-1199
Oorlog met Frankrijk
Nauwelijks was het Vlaams-Engels bijstandsverdrag getekend of de oorlog brak in volle hevigheid uit.
Richard kwam met zijn leger naar Normandië en nam de strijd op tegen de troepen van Filips Augustus die, onder het bewind van Jan zonder Land (de broer van Richard, die tijdens diens afwezigheid het bestuur in Engeland had waargenomen), van diens onpopulariteit en zwakheid gebruik had gemaakt om vanuit zijn kroondomein Parijs, Normandië binnen te dringen.
Ongeveer tezelfdertijd viel Boudewijn het Doornikse binnen, nam de stad Doomik in bezit met een wapenbestand in ruil voor het stopzetten van de versterkingswerken en van de militaire en financiële hulp aan de Franse koning en mits een zware boete. Vandaar uit trok hij naar Dowaai dat hij zonder veel moeite innam, en rukte verder op naar het zuiden waar hij achtereenvolgens Vermandois, Bapaume en Péronne veroverde .
De belegering van Atrecht die daarop volgde duurde echter wel langer dan Boudewijn had gedacht, wat aan Filips Augustus de tijd gaf tegen Boudewijn op te rukken. Toen hij met zijn leger Atrecht naderde, stopte Boudewijn zijn belegering en trok met zijn leger noordwaarts, alsof hij voor de Franse koning zwichtte. Die was door dit manoeuvre misleid en achtervolgde hem zonder te beseffen dat hij door Boudewijn in een militaire val werd gelokt.
De achtervolging leek voor Filips Augustus een succes, want enkele dagen later, dat moet ergens begin augustus zijn geweest, bereikte hij de regio leper. Wel waren zijn soldaten uitgeput en dringend aan rust toe wat er toe leidde dat Filips zijn kamp opsloeg op de uitgestrekte weiden ten westen van leper. Wat Filips echter niet wist, was dat die uitgestrekte weiden in feite een overstromingsgebied waren dat beheerst werd door een reeks sluizen langs de leperlee, een onbevaarbare zijrivier van de IJzer.
Nauwelijks had de Franse koning zijn kamp opgeslagen of Boudewijn, die hem op afstand steeds in de gaten had gehouden, liet de sluizen openzetten. Een vloed van water stroomde over de velden en veranderde op een paar uur tijd het gehele kamp in een moeras waardoor alles vast kwam te zitten en Filips leger een gemakkelijke prooi werd voor de Vlaamse troepen. Boudewijn die vanop afstand dit schouwspel had gade geslagen stuurde nu een bode naar de koning met het voorstel vrede te sluiten. Filips zou zich vrijuit met zijn leger mogen terug trekken op voorwaarde dat hij van verdere militaire acties tegen Vlaanderen zou afzien. Filips stemde toe en keerde met zijn gehavend leger terug naar Parijs.
Maar zoals gewoonlijk was er van woord houden geen kwestie. Zodra Filips Augustus terug was in Parijs, verklaarde hij de overeenkomst met Boudewijn ongeldig daar deze hem was opgedrongen door een opstandige vazal, met name Boudewijn. Toen een bode van Filips Augustus dit koninklijk besluit aan Boudewijn liet weten, kwam deze hiervan niet bepaald onder de indruk. Integendeel, nauwelijks was de bode teruggekeerd naar Parijs of Boudewijn rukte met zijn leger op naar Aire, ten zuidwesten van Sint-Omaars, dat hij zonder slag of stoot innam en waar hij zelfs triomfantelijk ontvangen werd.
Vandaar trok hij naar Sint-Omaars, maar deze stad was niet zo ingenomen met Boudewijns komst zoals dit met Aire het geval was geweest. De stad was heel sterk verdedigd en Boudewijn slaagde er niet in de stad binnen te dringen. Gelukkig kwam Amould, de graaf van Guines, hem ter hulp met een indrukwekkende uitrusting van ballista's, katapulten en een stormram die hoger was dan de verdedigingsmuren van de stad. Terwijl de soldaten aan de basis van één van de muren trachtten een bres te slaan, werd de stormram tot tegen de muur gereden en kwamen de katapulten in werking die de stad bestookten met zware stenen. Typisch Middeleeuwse oorlogsvoering.
De inname van Sint-Omaars met de stormram van de graaf van
Guines
Tegen een dergelijke aanval was Sint-Omaars blijkbaar niet bestand, want al heel vlug na de eerste aanval werden de stadspoorten geopend en mocht Boudewijn bezit nemen van de stad. Deze was zo opgetogen van die glorierijke overwinning dat hij Amould voor diens militaire medewerking een koffer met goud- en zilverstukken gaf die hij, in het kader van de Vlaams-Engelse overeenkomst, gekregen had van Richard Leeuwenhart voor het dekken van zijn oorlogskosten.
De oorlog was hiermede wel niet afgesloten want die sleepte nog meer dan twee jaar aan, met wisselende kansen voor beide partijen, maar zonder dat het eigenlijk tot een beslissende veldslag kwam. Het was dankzij de tussenkomst van Paus Innocentius III dat er eindelijk vrede werd gesloten. Op 2 januari 1200 kwamen de twee partijen bijeen, nog eens te Péronne en kwam het voor de zoveelste keer tot een overeenkomst. Nu zou de grens tussen Frankrijk en Vlaanderen eens en voor altijd worden vastgelegd. Boudewijn behield Dowaai, Aire en Sint-Omaars en de Franse koning behield Atrecht, Bapaume en Hesdin. Hoe lang dat zal duren zullen we later wel zien.
Een stukje Duitse geschiedenis
Mag dit verdrag al zo wankelend van natuur zijn als alle vorige, het had toch het voordeel dat er een tijdje rust kwam in de Vlaamse gewesten, want door het eindeloze en meestal nutteloze oorlogvoeren, waren beide partijen, zowel Boudewijn als Filips Augustus wel enigszins oorlogsmoe geworden.
Boudewijn schijnt nogal gerust te zijn geweest wat de Franse koning en diens ambities betrof, want hij richtte nu zijn blikken in oostelijke richting om ook langs die kant zekerheid te krijgen dat er van die zijde geen gevaar dreigde voor zijn graafschappen. Min of meer gebonden door het militaire bijstandsverdrag dat hij in 1197 met Engeland had gesloten, koos hij voor de opvolgingstrijd voor de Duitse kroon in 1198 de zijde van Engeland in het verdedigen van de Welfenkandidaat Otto tegen de Franse kandidaat Filips van Zwaben, uit het huis van de Hohenstaufen.
De Welfen waren een machtig Duits vorstengeslacht dat tegen het einde van de 11e eeuw voor de troonopvolging van het Duitse Rijk in botsing kwam met de Hohenstaufen, beter gekend als de Ghibellijnen, zo genoemd naar hun koninklijk kasteel Waibling, ten noordoosten van Stuttgart. Toen Lotharius III van Saksen, in 1133 door paus Innocentius II tot Duits keizer gekroond, zonder zoon bleef, duidde hij zijn schoonzoon, de Welf Hendrik de Trotse, hertog van Beieren en Saksen, tot zijn opvolger aan. De Rijksvorsten waren bevreesd voor de uitbreiding van de macht van de Welfen en gaven daarop hun voorkeur aan een tegenkandidaat Koenraad III uit het huis van de Hohenstaufen. Deze keuze verdeelde het rijk in twee vijandige partijen, de Welfen en de Ghibellijnen.
Een verzoening kwam wel tijdelijk tot stand toen de door de Engelse koning Richard Leeuwenhart en de Vlaamse graaf Boudewijn gesteunde Welf Otto IV, na de dood van de Duitse keizer Hendrik VI, op 12 juli 1198 te Aken door paus Innocentius III tot keizer van het Duitse Rijk werd gekroond.
Later (in 1208) zal de door Frankrijk gesteunde kandidaat, Filips van Zwaben, worden vermoord en zal Filips Augustus de Engels-Duitse coalitie verslaan in de beroemde slag van Bouvines op 27 juli 1214. Deze slag betekende het einde van de macht van de Welfen in het Duitse Rijk en het uitgangspunt voor de suprematie van de Capetingse macht in Frankrijk.
Nog eens een probleem met Namur
Dit zal Boudewijn niet meer meemaken, maar ondertussen zal de verzoening van 1198 hem wel toelaten een ander probleem op te lossen dat ondertussen was opgedoken.
Tijdens de oorlog tussen Boudewijn en Filips Augustus was deze laatste erin geslaagd (in 1198) de broer van Boudewijn, Filips van Namen, gevangen te nemen. De graaf Thibault van Bar of Barrois (het huidige Bar-Le-Duc in het Franse dép. Meuse) en Luxemburg, die Hendrik de blinde in 1196 had opgevolgd, had daarvan gebruik gemaakt om zonder veel tegenstand in het Naamse regelmatig met zijn soldaten strooptochten te ondernemen en de bevolking op allerlei manieren lastig te vallen.
De reden die hij hiervoor aanvoerde was dat hij de geldigheid van de overeenkomst van 1165 betwistte die in 1188 door de aartsbisschop was bevestigd en waarbij Hendrik de Blinde zijn neef Boudewijn V van Henegouwen als zijn opvolger, wat betreft o.a. het vorstendom Namur, had aangeduid. In feite maakte Thibault aanspraak op het vorstendom Namur en wilde hij dat het bezit ervan zou terugkeren naar het graafschap Luxemburg.
Daar Filips van Namen niet in staat was zich tegen de eisen van Thibault te verdedigen, nam Boudewijn als broer zijn verdediging op zich. Om aan de pesterijen een einde te maken en wat betreft de door Thibault gestelde eis betreffende de terugkeer van het vorstendom Namur tot Luxemburg, nam Boudewijn contact op met Thibault om op een of andere manier tot een overeenkomst te komen die zou bepalen wat bij wie behoorde en toelaten de vrede in dat gebied te verzekeren.
Thibault begreep dat hij niet opgewassen was tegen de macht van Boudewijn en stemde toe . Er werd gedurende heel wat maanden onderhandeld, onderhandelingen die op 26 juli 1199 leidden tot het verdrag van Dinant.
Hierbij werd de opvolging van Hendrik de Blinde definitief geregeld met de bepalingen dat Filips markgraaf bleef van het graafschap Namur, maar dat het graafschap zelf in twee delen werd gesplitst. Het gebied ten oosten van de Maas en ten zuiden van het woud van Arche werd als concessie aan Thibault toegewezen, doch het hele gebied ten westen van de Maas bleef integraal deel uitmaken van het graafschap Namur.
Boudewijn IX als wetgever
Boudewijn IX was niet alleen een gewiekst veldheer en een handig diplomaat, hij had ook nog een hele klare kijk op de sociaal-economische toestanden in zijn domeinen. Dit komt duidelijk tot uiting met een heel uitzonderlijk document van zijn tijd: het zogenaamde "woekerverbod" van 1199.
We moeten teruggaan naar 1196 en 1197 toen de oogsten over het gehele land door aanhoudende regens, stormen en abnormale lage temperaturen, twee jaar na elkaar mislukten met het gevolg dat er een vreselijke hongersnood uitbrak die tot in 1199 heeft geduurd.
Daaruit vloeide voort dat de schaarse beschikbare voedingswaren slechts aan monsterachtige hoge prijzen te verkrijgen waren, wat er op zijn beurt toe leidde dat vele mensen in levensnood, lening-operaties aangingen tegen abnormaal hoge intresten. Tegen het einde van de 12e eeuw was door deze toestand het aantal woekeraars in het graafschap en omgeving schrikwekkend toegenomen wat er op zijn beurt toe leidde dat vele schuldenaars niet in staat waren de aangegane schulden wegens een opeenstapeling van intresten op intresten terug te betalen. Dit berokkende onnoemelijke schade aan de kerken, had onterving van rijke edelen en niet-edelen tot gevolg en de teleurgang van kinderen en weduwen. Er dreigde opstand.
Boudewijn stond hier voor een sociaal-economisch probleem dat dringend moest worden opgelost en dit kon alleen door de woekerintresten een halt toe te roepen en terug tot een redelijke verhouding te komen tussen de financieel machtigen en de financieel zwakken. Dit kon alleen gebeuren door een rechtstreekse tussenkomst van het hoogste gezag en dat was de graaf.
Ergens in 1199 (de juiste datum is niet gekend) vaardigde
Boudewijn een ordonnantie uit, waarbij hij verbood in zijn
graafschappen, Vlaanderen en Henegouwen, voortaan nog leningen tegen
intresten af te sluiten. Bovendien werden alle intresten op leningen
aangerekend vanaf kerstdag 1197 ongeldig verklaard en deze die reeds
waren betaald moesten worden teruggestort. Bezittingen die waren
gekocht met de woekerwinsten moesten worden verkocht en de opbrengst
gegeven aan degenen van wie de woeker ontvangen was. Wat de
schuldenaars betrof, deze kregen drie jaar tijd hun schulden te
vereffenen, een derde in elk der komende jaren.
Weze hierbij gezegd dat de idee van intrest als ongeoorloofde woeker
niet uit het brein komt van Boudewijn IX, maar wel uit het canoniek
recht dat het overtreffen van geleende gelden steeds als zondig heeft
beschouwd.
Het interessante hierbij is echter dat we hier, op het einde van de 12 de eeuw voor de eerste keer voor een leke-wetgever komen te staan. Een economisch-politieke nieuwigheid die zich heel vlug in de volgende eeuwen in alle mogelijke richtingen zal uitbreiden.
Deze ordonnantie is niet de enige sociaaleconomische maatregel die Boudewijn heeft uitgevaardigd, maar wel de belangrijkste voor hij aan de oproep van paus Innocentius III tot de vierde kruistocht, gevolg zal geven. Hij zal vertrekken op 2 april 1202 naar Palestina, het beloofde land dat hij nooit zal bereiken.
Bibliografie:
1. LEGLAY, Edward. "Histoire des comtes de Flandre", Librairie
de A. Vandale, Brussel 1843.
2. PREVENIER, W. in het Nationaal Biografisch Woordenboek.
Deel 1. Blz. 224 t.e.m. 238, Paleis der Academieën, Brussel 1970.
3. WARNKOENIG, L.A. "Histoire de la Flandre", M. Hayez,
Brussel 1835.
4. PREVENIER, W. "Een economische maatregel van de Vlaamse
graaf in 1199", Tijdschrift voor geschiedenis, Gent 1965.
Inhoudstafel - naar hoofdstuk 20
