De geschiedenis van Vlaanderen - Hoofdstuk 18

Boudewijn VIII, 17e graaf van Vlaanderen

Geschreven door: Charles Vanderhaegen - in lichte mate bewerkt door Herman Boel
Gepubliceerd met vriendelijke toestemming van Charles Vanderhaegen. 

Vlaanderen zonder graaf

Op 1 juni 1191 overleed Filips van den Elzas, de 16e graaf van Vlaanderen, voor de poorten van Akko, Palestina, aan een epidemische ziekte, waarschijnlijk cholera. Dit gebeurde tijdens de derde kruistocht, waaraan ook Filips Augustus, koning van Frankrijk en Richard Leeuwenhart, de koning van Engeland, hadden deelgenomen.

De dood van Filips van den Elzas bracht het Vlaamse graafschap in een benarde positie. Filips was kinderloos gestorven en er was dus geen directe opvolger. Wel had hij reeds in 1176, dus kort voor zijn eerste reis naar Palestina, ter gelegenheid van een vergadering van het hof te Rijsel zijn schoonbroer Boudewijn V, graaf van Henegouwen, als opvolger aangeduid in het geval dat hij kinderloos zou overlijden. Ook had hij vóór zijn tweede en laatste reis naar Palestina, dus in 1190, het gezag over het graafschap voor de duur van zijn afwezigheid toevertrouwd aan zijn echtgenote Theresia, dochter van koning Alfons I van Portugal. Maar 25 jaar waren er voorbijgegaan sedert de aanduiding van Boudewijn V van Henegouwen als zijn opvolger en het gezag van Theresia, in Vlaanderen om een of andere reden beter gekend als Mathilde, had weinig te betekenen. In feite stond het graafschap Vlaanderen nu zonder graaf en zonder enig degelijk algemeen erkend bestuur en kon het ten prooi vallen van om het even wie, als die maar vlug genoeg optrad. Zoals te verwachten ontbrak het niet aan kandidaten.

De eerste kandidaat, in een rij van drie, was Filips Augustus die wist dat Filips overleden was en dacht van diens afwezigheid gebruik te kunnen maken om Vlaanderen in te palmen en het aan zijn kroondomeinen te hechten. Hij zag zijn kansen groot omdat hij er zeker van was dat het bericht van Filips' dood Vlaanderen nog niet had bereikt en hij dus in feite vrij spel had. Maar heel zeker moet hij het niet geweest zijn want hij rekende voor het slagen van zijn plannen ook op de medewerking van Mathilde, Filips weduwe. Hij had zich dan ook gehaast, zodra hij de dood van Filips van den Elzas had vernomen, enkele van zijn ridders naar Vlaanderen te sturen om de gravin een bondgenootschap voor te stellen, een bondgenootschap dat hem in staat zou stellen, zo dacht hij, zijn ambities te verwezenlijken.

Filips II AugustusFilips II Augustus
Koning van Frankrijk ( 1181-1223)

De tweede kandidaat was Mathilde zelf, die als dochter van koning Alfons I van Portugal ervan had gedroomd koningin van Vlaanderen te worden in het geval dat haar man zou overlijden zonder iemand voor de Vlaamse troon aan te duiden. Tenslotte was zij toch prinses en had ze dus het recht de titel van koningin te dragen, zo dacht ze toch. Toen ze de dood van Filips van Filips Augustus vernam zag ze haar kansen schoon haar droom te verwezenlijken. Ze begreep echter dat ze dit niet alleen aankon en rekende daarvoor op het bondgenootschap dat Filips Augustus haar had voorgesteld en op zijn medewerking.

Een eigenaardig toeval zou echter zowel de plannen van Filips Augustus als die van Mathilde in de war sturen.

Gijselbrecht van Bergen, kanselier van Boudewijn V van Henegouwen, was in het begin van 1191 door deze naar de Duitse keizer gestuurd om van hem te verkrijgen dat Waucer van Kamerijk, zijn landgenoot, de bisschoppelijke stoel zou worden toegekend. Op zichzelf niets bijzonders, ware het niet dat de Duitse keizer zich op dat ogenblik in Italië bevond, zodat Gijselbrecht die verre reis moest ondernemen om de Duitse keizer te kunnen spreken. Toen hij bij Parma aankwam, dat moet ergens in juli zijn geweest, ontmoette hij enkele Franse ridders die van Palestina op weg terug waren naar huis. Van deze ridders vernam hij dat Filips van den Elzas overleden was en dat Filips Augustus, toen hij dit overlijden vernomen had, twee ridders naar Vlaanderen had gestuurd, met name Pieter du Mesnil en Robrecht de Wavrin, om Mathilde op de hoogte te stellen van de gebeurtenissen.

Gijselbrecht begreep onmiddellijk welk belangrijk nieuws hij toevallig te weten was gekomen en zonder dralen stuurde hij dan ook een ijlbode naar Henegouwen om zijn heer Boudewijn V op de hoogte te stellen van hetgeen hij had vernomen. Zo gebeurde het dat Boudewijn het nieuws van Filips dood acht dagen vóór de Fransen en de Vlamingen vernam. Boudewijn werd van dat ogenblik af ingevolge de voorgenoemde Filips verklaring van Rijsel de derde kandidaat voor het Vlaamse graafschap en omdat hij vermoedde wat Filips Augustus in zijn schild voerde, besefte hij dat hij zonder dralen moest optreden.


Boudewijn V van Henegouwen versus Mathilde, weduwe van Filips van den Elzas

Boudewijn wist natuurlijk niet wanneer het nieuws van Filips dood Vlaanderen zou bereiken, wel begreep hij dat hij door een gelukkig toeval een voorsprong had op de twee voorgenoemde kandidaten, maar hoe lang die voorsprong zou duren wist hij op dat ogenblik niet, dat zou hij pas later vernemen. In ieder geval was dus onmiddellijk reageren noodzakelijk en vóór Filips Augustus en Mathilde het wisten, kwam Boudewijn met zijn leger naar Vlaanderen en eiste hij daar zijn erfrecht op de Vlaamse troon op, zowel in de naam van Filips' aanduiding van 1176 als in de naam van zijn echtgenote Margareta van den Elzas, zus van de overleden Filips van den Elzas.

Al vlug werd hij door de belangrijkste Vlaamse steden nl. Brugge, Kortrijk, leper, Oudenaarde, Geeraardsbergen, Aalst en het Land van Waas in zijn hoedanigheid van gemaal van Margareta en ingevolge de verklaring van 1176 als wettelijke opvolger van Filips van den Elzas gehuldigd. Alleen Gent stribbelde tegen. Mathilde had namelijk in het vooruitzicht van problemen met Boudewijn de stad versterkt met wapens en soldaten. Ook deed ze een beroep op de hertog van Brabant, een onverzoenlijke vijand van Boudewijn, om haar in haar verzet tegen Boudewijn bij te staan. Tegelijkertijd had ze ook Guillaume, de aartsbisschop van Reims die door Filips Augustus, voor zijn vertrek naar Palestina, was aangesteld om de staatszaken in het koninkrijk gedurende zijn afwezigheid waar te nemen, benaderd om tussenbeide te komen.

Boudewijn V, Graaf van HenegouwenBoudewijn V, Graaf van Henegouwen (1171-1195)

Boudewijn trok zich van het verzet van Gent niet veel aan, wel trok hij zijn leger samen bij Geeraardsbergen om zijn twee graafschappen, Vlaanderen en Henegouwen tegen de hertog van Brabant te verdedigen. Deze was namelijk op verzoek van Mathilde met een leger op weg naar Gent, maar toen hij op het leger van Boudewijn stootte en besefte dat hij geen enkele kans had enige overwinning te behalen, trok hij zich terug en keerde hij deemoedig terug naar Brabant, dit wel tot groot ongenoegen van Mathilde.

Maar Mathilde gaf zich niet zo vlug gewonnen. Om haar rechten toegekend te krijgen, of wat ze dacht haar rechten te zijn, wendde ze zich nu tot Guillaume, aartsbisschop van Reims, om in de naam van de koning van Frankrijk, op wiens hulp ze nog rekende, uitspraak te doen in haar geschil met Boudewijn.

 

Boudewijn en Mathilde komen tot een akkoord

Guillaume ging allesbehalve enthousiast op haar verzoek in en belegde een vergadering te Atrecht voor de maand oktober (1191). Werden uitgenodigd: Boudewijn samen met zijn vrouw Margareta van den Elzas, en de gravin Mathilde, die zich alvast ter gelegenheid van deze bijeenkomst en waarschijnlijk ook wel om op de andere genodigden ietwat indruk te maken, de titel van koningin had toegeëigend.

Zodra de drie personages te Atrecht waren aangekomen opende Guillaume de vergadering en zonder dralen nam Mathilde meteen het woord en eiste zij, niet meer of niet minder, het hele Vlaamse graafschap voor zich op. Boudewijn repliceerde onmiddellijk met te zeggen dat zij geen enkel recht had op de Vlaamse troon. Het enige recht dat zij kon doen gelden waren de lenen waar zij als douairière binnen de grenzen van haar huwelijkscontract recht op had.

Hierop volgde een hele ruzie tussen de twee antagonisten tot Guillaume er toch eindelijk in slaagde een overeenkomst voor te stellen die na wat aarzelen door beide partijen werd aangenomen. Het was een overeenkomst die zowat de bestaande toestand bevestigde en het positieve element bevatte dat er nu vrede kwam tussen beide partijen, een vrede die trouwens niet meer zal worden betwist.

Mathilde erkende Boudewijn V van Henegouwen als Boudewijn VIII van Vlaanderen en behield in ruil de door haar huwelijkscontract toegewezen lenen, waaronder Rijsel, Kassel, Veurne en Diksmuide. Wel deed ze afstand van Aire en Sint-Omer (in Artois) ten voordele van Lodewijk (de latere Lodewijk VIII), zoon van Filips Augustus en Isabella van Henegouwen, die Filips van den Elzas in 1180 had uitgehuwelijkt aan Filips Augustus met als bruidschat Artois.

Boudewijn was met dit laatste niet helemaal gelukkig, maar hij legde er zich wel bij neer. Artois behoorde reeds grotendeels aan de Franse kroon en hij wilde geen problemen met de koning van Frankrijk voor het bezit van twee lenen die toch niet binnen de grenzen van het Vlaamse graafschap vielen.

Laat mij hier even aan toevoegen dat toen Lodewijk, dus de zoon van Filips Augustus, de termen van deze overeenkomst vernam en hieruit besloot dat Artois nu volledig aan de Franse troon toekwam, zich het recht toekende zich onmiddellijk de titel van Graaf van Artois toe te eigenen.

 

Filips Augustus terug in Frankrijk

Na de val van Akko op 11 juli 1191, tijdens de derde kruistocht en kort na de dood van Filips van den Elzas, keerde de zwaar zieke Filips Augustus niet onmiddellijk terug naar Frankrijk. Het zou duren tot in augustus voor hij voldoende hersteld was om de zware reis van Palestina naar zijn vaderland te ondernemen en tot in september voor hij Parijs bereikte.

Boudewijn had nog maar net het bericht ontvangen van de terugkeer van Filips Augustus, of hij trok met zijn gevolg naar Parijs om hulde te brengen aan zijn leenheer. Maar deze was alles behalve gelukkig met Boudewijn, want toen hij kennis had genomen van de overeenkomst die in Atrecht tijdens zijn afwezigheid tussen Mathilde en Boudewijn was afgesloten, was hij in woede ontstoken. Zijn origineel plan om zich van heel Vlaanderen meester te maken was mislukt en hij gaf Boudewijn de schuld hiervan. Dat de twee kleine lenen Aire en Sint­Omer nu definitief aan de Franse kroon toebehoorden vond hij maar een onbeduidende aanwinst.

Hij was zo boos dat hij zelfs overwoog Boudewijn, toch zijn schoonvader, gevangen te nemen tegen alle wetten van de gastvrijheid in. Maar zover kwam het niet. Door enkele vrienden in het huis van de koning op de hoogte gebracht van wat zijn schoonzoon van plan was, kon Boudewijn nog ijlings Parijs verlaten, slechts vergezeld van één van zijn ridders en twee kamerknechten. 's Anderendaags reeds was hij terug in Vlaanderen en bracht hij zonder dralen zijn leger in paraatheid voor het geval dat zijn schoonzoon zou overwegen op een of andere wijze militair tegen hem op te treden.

Maar ook hier kwam het niet zover. Filips Augustus, misschien wel gedeeltelijk onder druk van zijn echtgenote en misschien ook wel bevreesd voor een militair avontuur, bedacht zich en stuurde een bode naar Boudewijn met het beleefde verzoek met hem samen te komen te Péronne, waarbij hij hem verzekerde dat hij geen enkele vijandige bedoeling had.

Boudewijn ging in op het voorstel van Filips Augustus en begaf zich naar Péronne waar ze zonder veel problemen tot een overeenkomst kwamen. Deze hield in dat Filips Augustus afzag van enige aanspraak op Vlaanderen in ruil voor een betaling van vijfduizend zilvermarken pur au poids, wat in die tijd overeenkwam met wat het leen ongeveer per jaar opbracht. Boudewijn twijfelde niet en nam het voorstel zonder enige tegenzin aan en tot grote tevredenheid van Filips Augustus, zodat de vrede tussen de twee vorsten nu als hersteld kon worden beschouwd.

De overeenkomst werd kort daarop te Atrecht bevestigd in tegenwoordigheid van Margareta, Boudewijn's echtgenote, en enkele Vlaamse vazallen die naar traditionele gewoonte hun leenplichten bevestigden.

 

Oorlog om Namen

Nu hij zich met de koning van Frankrijk heeft verzoend, kan Boudewijn zijn tijd wijden aan het bestuur van zijn twee graafschappen, Vlaanderen en Henegouwen. Er viel heel wat te regelen, in de eerste plaats het geschil met Hendrik IV de Blinde.

Hendrik de Blinde (1112-1196) was de graaf van Luxemburg, Namur, Durbuy en Laroche en door zijn uitgestrekte bezittingen een van de machtigste vorsten van zijn tijd naast de Duitse keizer, de Franse koning en de Vlaamse graaf. Hendriks zuster Aleidis van Namur was in 1130 gehuwd met Boudewijn IV van Henegouwen zodat haar zoon Boudewijn V, (de VIIIste van Vlaanderen) geboren in 1150, zijn neef was.

Toen in 1165 Hendriks huwelijk nog steeds kinderloos was gebleven had hij in een officiële verklaring zijn neef, dus toen nog alleen maar Boudewijn V van Henegouwen, als zijn opvolger aangeduid wat de drie vorstendommen Namur, Durbuy en Laroche betreft. Maar in 1186 werd Hendrik onverwachts vader van een dochter, onverwachts inderdaad want hij was toen 74 jaar oud.

Dit bracht met zich mee dat Hendrik op zijn verklaring van 1165 terug kwam en zijn dochtertje Ermesinde, uithuwelijkte aan Hendrik II van Champagne met als bruidschat de drie domeinen die hij 21 jaar daarvoor aan Boudewijn had beloofd. Dit viel bij Boudewijn in slechte aarde en hij wendde zich dan ook tot Frederik I, bijgenaamd Barbarossa, keizer van het Heilig Rooms-Duitse Rijk en leenheer van Hendrik, om diens beslissing ongedaan te maken en de verloving van zijn dochter ongeldig te verklaren.

De keizer stemde hiermee onmiddellijk in want hij kon niet dulden dat een leen, hier dus de drie voorgenoemde gebieden, in de handen zou vallen van een Franse prins. Champagne omvatte namelijk twee graafschappen: Troyes en Meaux, beide lenen van de Koning van Frankrijk Filips Augustus. Hij verklaarde dan ook dat Hendrik op zijn voornemen moest terugkomen. Maar Hendrik stribbelde tegen, in zoverre zelfs dat hij Hendrik van Champagne met zijn jonge bruid (ze was toen één jaar oud) naar Frankrijk liet vertrekken. Het onvermijdelijke gevolg was oorlog tussen neef en nonkel. Een oorlog die enkele jaren zal aanslepen en gedurende dewelke Boudewijn zich gewapenderhand meester zal maken van de drie gebieden.
Uiteindelijk werd er door de tussenkomst van de aartsbisschop toch vrede gesloten waarbij werd bepaald dat de oorspronkelijke belofte van Hendrik de Blinde werd bevestigd en Namur tot een markizaat werd omgevormd. Van dan af (april 1188) zal Boudewijn niet alleen graaf zijn van Vlaanderen en Henegouwen maar ook nog markies van Namur.

Zegel van Boudewijn VIIIZegel van Boudewijn VIII,
graaf van Vlaanderen en Henegouwen (1191-1195)

 

Een adellijke Revolte

Maar Hendrik de Blinde was daar niet gelukkig mee. Maar zelf machteloos om iets aan de overeengekomen regeling te wijzigen, zocht hij dan maar op alle mogelijke manieren Boudewijn te pesten. Dit zou uiteindelijke uitlopen op een soort van complot gevolgd door oorlog. Eerst en vooral richtte hij zich tot de Hertog van Brabant, zoals gezien de aartsvijand van Boudewijn die het nog altijd niet had kunnen verkroppen dat hij enkele jaren daarvoor met zijn leger voor Geeraardsbergen voor het leger van Boudewijn had moeten zwichten. Sloten zich ook nog aan bij het complot: Roger van Warcoing, kastelein van Kortrijk, Thierri van Beveren, kastelein van Dixmuide, en ten slotte een zeker Willem van Sthinke. Met hun vijven dachten ze Boudewijn klein te krijgen.

De eerste die tot de aanval over ging was Roger van Warcoing die begon met van Boudewijn allerlei exorbitante rechten op te eisen en het daarbij niet kon laten zich te gedragen alsof hij de meester was en Boudewijn slechts een van zijn onderdanen.

Boudewijn reageerde zoals gewoonlijk onmiddellijk. Hij trok met zijn leger naar Warcoing, stak het slot van Roger in brand en verwoestte heel het omliggende land. Roger moest de wijk nemen, maar kreeg onderdak bij de andere samenzweerders die nu samen optrokken tegen Boudewijn. Vanuit het zuiden van Vlaanderen trokken ze op naar Rupelmonde waar ze zich van een van de kastelen van Boudewijn meester konden maken.

De reactie van Boudewijn was alweer onmiddellijk. Hij viel vanuit Bergen Brabant binnen en verbrandde alles wat hem in de weg stond. Hij rukte op tot aan Nijvel. Ondertussen was Eudes III, de graaf van Bourgogne die gehuwd was met Mathilde, de weduwe van Filips van den Elzas, in de naam van de koning van Frankrijk hem ter hulp gekomen, maar dit hielp niet veel want ook Hendrik III, de hertog van Limburg moeide zich in de strijd langs de kant van de hertog van Brabant en rukte op naar Namur.

Boudewijn, die ondertussen nog een opstand in Gent had moeten onderdrukken, hoorde het nieuws van de belegering van zijn markizaat, rukte zonder verwijl vanuit de omstreken van Gent op naar Namur waar hij het leger van de hem vijandige coalitie zodanig verraste, dat het niettegenstaande zijn superieure macht volledig werd verpletterd. De hertog van Limburg alsook zijn twee zonen en niet minder dan achthonderd ridders werden gevangen genomen en de andere ridders van de coalitie namen in wanorde en paniek de vlucht. Einde van de revolte.

Deze overwinning zal voorlopig vrede brengen in Vlaanderen en Henegouwen.

 

Het einde

We zijn nu in de herfst van 1194 aanbeland wanneer Boudewijn terugkomt in Brugge en daar zijn vrouw dodelijk ziek terugvindt. Een paar dagen later, d.i. op 15 november, overlijdt ze. Ze zal worden begraven in de Sint-Donaaskerk, dezelfde waar Karel de Goede in 1127 werd vermoord.

De dood van Margareta wijzigde wel de machtsverhouding van Boudewijn ten opzichte van het Vlaamse graafschap. Door de dood van Margareta, uit het huis van den Elzas, ging het graafschap over op haar oudste zoon, ook Boudewijn genoemd, dit overeenkomstig de wilsbeschikking van Filips van den Elzas, waarbij hij had bepaald dat na zijn dood Boudewijn van Henegouwen slechts graaf van Vlaanderen zou zijn in de naam van zijn vrouw en dat na zijn dood het graafschap zou overgaan op haar zoon.

Zegel van MargaretaZegel van Margareta
echtgenote van Boudewijn VIII en gravin van Vlaanderen

Boudewijn was een voor zijn tijd eerlijk man die zijn vrouw steeds met veel respect had behandeld. Het was bepaald dat het graafschap via zijn vrouw op zijn zoon zou overgaan; zo zij het! Hij brak daarop zijn zegelring waarop de inscriptie stond "Baldvin Comes Flandrie et Hainoie" en nam weer deze terug die hij had gedragen vóór hij het graafschap Vlaanderen in de naam van zijn vrouw overnam en waarop alleen maar "Baldvin Comes Hainoie" was vermeld.

Hij zal hem echter niet lang meer gebruiken. Op 17 december 1195 overlijdt hij op zijn beurt en laat hij 7 kinderen achter. Drie jongens en vier meisjes: Boudewijn, Hendrik, Filips, Eustache, Yolende, Isabella en Sibylla.

Het is Boudewijn als oudste zoon die hem opvolgt als Boudewijn IX, graaf van Vlaanderen en als Boudewijn VI van Henegouwen. Hij zal in de geschiedenis beter bekend blijven als Boudewijn van Constantinopel.


Bibliografie:
1. LEGLAY, Edward. "Histoire des comtes de Flandre", Librairie de A. Vandale, Brussel 1843.
2. VAN DE KERCKHOVE, Gregorius. "Geschiedenis van de graven van Vlaanderen", Uitgeverij Sintal, Leuven 1979.
3. BONENFANT P., JOOSEN H., QUICKE F. en VERNIERS L. "Historische Lectuur", blz. 81 Uitg. A. De Boeck, Brussel 1948.

Inhoudstafelnaar hoofdstuk 19

 
 
Over Herman Boel

Herman Boel is voltijds zelfstandig vertaler en auteur van twee skeptische boeken.

Lees meer »
Disclaimer
  • Aansprakelijkheid voor gebruik van de inhoud van de website.

Lees meer »
Browsercompatibiliteit

Deze webstek werkt prima in moderne browsers als Google Chrome, Firefox en Opera en mogelijk ook min of meer goed in Internet Explorer en Safari.

Contact

U kan me contacteren via het het invulformulier.

Online contactformulier »