De geschiedenis van Vlaanderen - Hoofdstuk 17

Filips Van Den Elzas en de derde kruistocht

Geschreven door: Charles Vanderhaegen - in lichte mate bewerkt door Herman Boel
Gepubliceerd met vriendelijke toestemming van Charles Vanderhaegen. 

Kinderloos gebleven heeft Filips een nieuwe droom: Palestina

Filips van den Elzas, de 16e graaf van Vlaanderen, geboren in 1142, huwde in 1156 op veertienjarige leeftijd met Elisabeth, dochter van Radulf I, graaf van Vermandois. Na de dood van diens zoon Radulf II zal Filips hem als graaf van Vermandois opvolgen.

Toen Filips' vader, Diederik van den Elzas, in 1168 overleed erfde hij ook de titel van graaf van Vlaanderen en kan hij zich voortaan Graaf van Vlaanderen en Vermandois noemen. Vlaanderen staat dan op het grootst van haar geschiedenis. Het reikt van Zeeland in het noorden tot aan Soissons in het zuiden.

Maar er rustte als het ware een vloek op zijn geslacht want na 17 jaar huwelijk, zijn vrouw was toen al dertig jaar oud, had hij nog steeds geen wettelijke erfgenaam om hem op te volgen. Daarom rekende hij op zijn broer Mattheus, maar ook die bracht geen verandering in de dode erfopvolging want hij sneuvelde in datzelfde jaar 1173 in Normandië. Filip stelde nu zijn hoop op zijn andere broer, Peter, maar ook die stierf kort daarop, in 1176, eveneens kinderloos. Filips' kansen op een opvolger uit het huis van den Elzas waren daarmee uitgeput.

Totale ontmoediging heeft hem toen waarschijnlijk aangespoord van andere horizonten te dromen en wel met name van Palestina, het land dat zijn vader, Diederik, viermaal had bezocht en waar zijn moeder Sibylla, dochter van Fulco van Anjou, de koning van Jeruzalem, in 1165 was overleden. Waarschijnlijk ook het feit dat het toen voor een ridder als een soort van morele verplichting gold ten minste éénmaal aan de strijd tegen de Islam te hebben deelgenomen, zal wel zijn besluit naar Palestina te trekken hebben beïnvloed.

Nog een andere omstandigheid die eveneens tot zijn besluit heeft kunnen bijdragen is het feit dat de dertienjarige koning Boudewijn IV, kleinzoon van Fulco van Anjou, die sinds 1174 over het Heilig Land regeerde, door melaatsheid was aangetast en niet in staat was het hoofd te bieden aan Saladin, de sultan van Egypte en Syrië, een machtig generaal en de grootste vijand van de Christenen. We weten het niet zeker maar hoogstwaarschijnlijk heeft Filips hierbij met de gedachte gespeeld dat hierdoor de kroon van Jeruzalem binnen zijn bereik lag. Tenslotte was hij, door zijn moeder Sibylla een kleinzoon van Fulco van Anjou, stamvader van de regerende dynastie.

 

Filips in Palestina

Hoe dan ook, Filips scheepte op 12 juni 1177 te Wissant in, vergezeld van talrijke Vlaamse ridders en enkele Engelsen die zich op aandringen van Hendrik II, de koning van Engeland, bij de Vlaamse graaf vervoegden. Interessant is dat Filips voor zijn vertrek de Engelse koning had opgezocht met het verzoek hem op zijn tocht naar het Midden-Oosten te vergezellen, maar Hendrik II was niet op dit verzoek ingegaan. Wel had hij hem, in het kader van het geheim akkoord dat hij met Filips en diens vader Diederik in 1163 had gesloten, een bedrag van 500 zilvermarken geschonken als deelname in de reiskosten.

Filips' kleine vloot zeilde vanaf de Vlaamse kust via Gibraltar dwars door de Middellandse zee naar Palestina waar het na bijna acht weken zeetocht te Akko aanlegde op 1 augustus 1177. Dadelijk na zijn aankomst en zonder verpozen alsof hij dringende zaken had te regelen, vertrok Filips met zijn gezellen naar Jeruzalem waar hij door de jonge Boudewijn en alle groten van zijn rijk luisterrijk werd ontvangen.

Ter gelegenheid van een groot feest, ter ere van Filips ingericht, bood de koning hem het regentschap aan over zijn rijk. Dat was op zichzelf al een vreemd voorstel, want het is niet duidelijk waarom Boudewijn behoefte had aan een regent. Misschien wel wegens zijn jeugdige ouderdom en zijn melaatsheid die hem tegenover Saladin, de voornoemde Arabische krijgsheer, tot een zwakke vorst maakten en hij best de steun van Filips kon gebruiken, maar de juiste reden kennen we niet. In ieder geval, welke de reden ook moge geweest zijn, tegen alle verwachtingen in wees Filips het aanbod van de hand. Ook hier is het nooit duidelijk geweest waarom Filips dit gul voorstel, dat hem tot koning van Jeruzalem had kunnen maken, heeft afgewezen.

Toen Boudewijn hem naar de reden van zijn afwijzing vroeg, antwoordde Filips dat hij als eenvoudige pelgrim naar Palestina was gekomen en hij geen opdracht kon aanvaarden die hem zou verhinderen naar Vlaanderen terug te keren als zijn verplichtingen daar er hem toe noopten. Hij voegde er echter aan toe dat hij wel bereid was een regent bij te staan die door de koning zou worden aangesteld. Dit was wel een duidelijke stellingname, maar voor de aanwezige edelen iets onbegrijpelijks. Was hij niet, afgezien van de Engelse en de Franse koning, de machtigste vorst van het Westen? Had hij niet aan de zijde van de Franse koning in 1173 heel wat burchten in Normandië veroverd en daarmee zijn krijgskunde bewezen? Men herinnerde zich hoe zijn vader Diederik in de laatste kruistocht tegen de Islamieten had gevochten. Velen zagen in Filips de redder in nood, maar door zijn eigenaardige besluiten kwam hij onbetrouwbaar over en begon men te twijfelen aan zijn werkelijke bedoelingen.

Boudewijn moet zeker wel door de afwijzing van zijn voorstel zijn getroffen, maar hij moet toch niet helemaal zijn vertrouwen in Filips hebben verloren want hij stelde hem nu voor als opperbevelhebber op te treden van een expeditie tegen Egypte, een expeditie die men samen met de Byzantijnen zou ondernemen. Maar ook dit aanbod wees hij van de hand. Hij was wel, zo argumenteerde hij, tot enige militaire hulp bereid maar hij wenste dat niet in Egypte te doen. Hij voerde aan dat hij van oorlogsvoering in een dergelijk land geen ervaring had en dat hij niet met de geografische gesteldheid van de streek vertrouwd was.

Ook, zo voerde hij verder aan, had hij een vermoeden van de gevaren die een dergelijke onderneming inhielden daar de verbindingswegen zo onzeker waren dat de bevoorrading daardoor in het gedrang kon komen. Een aanval op Egypte was, volgens hem, op dit ogenblik volledig ongeschikt. September stond voor de deur en dat was de maand dat de Nijl op haar hoogste peil stond en een groot deel van het land door overstroming ontoegankelijk was, terwijl in de eerste maanden van het jaar de laagste stand werd bereikt. Dat was dan ook de enige periode van het jaar dat een militaire onderneming kans had om te slagen. Bovendien zo wees hij er op was het onverstandig Egypte aan te vallen op een ogenblik dat Saladin daar het grootste gedeelte van zijn leger had geconcentreerd.

Zijn relaas moet wel indruk hebben gemaakt want het plan om Egypte aan te vallen werd tot nader order uitgesteld.

Boudewijn beschouwde de afwijzing van het regentschap door Filips als een voldongen feit en stelde nu voor de vorst van Antiochië als regent te benoemen, met dien verstande dat hij slechts zou optreden in tijden waarin de koning in de onmogelijkheid verkeerde zelf te regeren en dat hij alleen zou handelen overeenkomstig het advies van Filips.

Maar ook dit voorstel wees Filips van de hand met het argument dat de verantwoordelijkheid van een regent niet mocht worden beperkt. Bovendien, in het geval dat er toch tot die veldtocht naar Egypte werd besloten onder de leiding van de regent en men erin slaagde dit land te veroveren, dan moest dat land ook aan de overwinnaar, dus in dit geval aan de regent, worden toegekend. Maar dit laatste stootte weer tegen de borst van Boudewijn die vond dat dergelijke schikking afbreuk zou doen aan de prerogatieven van de kroon.

Hiermee werden de besprekingen afgebroken en trokken de Byzantijnse afgevaardigden, die naar Jeruzalem waren gekomen om de veldtocht tegen Egypte te bespreken, zich terug om hun verdere houding te bepalen.

Wat viel er voor Filips nu nog te doen? Om dan toch niet onverrichterzake in het Heilig Land te hebben vertoefd stelden Filips' gezellen voor met de steun van Boudewijns leger of een gedeelte ervan een of andere krijgsverrichting te ondernemen. Dit voorstel werd aan Boudewijn voorgelegd en zonder aarzelen aanvaard. Filips zou in dienst treden van de graaf van Tripoli (het huidige Libanon) en de koning zou hem honderd ruiters en tweeduizend man voetvolk ter beschikking stellen.

Vergezeld van de graaf van Tripoli vertrok Filips nu met zijn leger naar het noorden van het Tripolitaans gebied van waaruit de krijgsoperaties zouden plaats hebben. De eerste schermutselingen, in november 1177, brachten niet veel aarde aan de dijk. Saladin had weliswaar zijn hoofdmacht naar Egypte overgebracht, maar hij had in Syriëtoch nog enkele garnizoenen achtergelaten die goed voorzien waren van wapens en mondvoorraad.

Uiteindelijk besloot men alle krachten op Harim te concentreren, een stadje op ongeveer 20 km ten oosten van Antiochië. Als oorlogsdoel leek het wel verantwoord want men had vernomen dat het garnizoen zopas in opstand was gekomen tegen de malik (d.i. de Arabische naam voor koning) van Aleppo, op 300 km ten noordoosten van Damascus en waaronder het stadje ressorteerde. Maar toen de Christenen tegen de stad oprukten stieten zij op een onverwachte sterke weerstand, zodanig zelfs dat ze uiteindelijk van de belegering moesten afzien en onverrichterzake naar Jeruzalem moesten terugkeren.
Er is wel een verhaal aan die mislukte veldtocht verbonden. In een van de gevechten voor de poort van Harim zou Filips een van de Arabische veldheren, Nobilio, in een ridderlijk gevecht hebben gedood en diens wapenschild ontnomen. Hierop stond een zwarte klimmende leeuw op gulden veld afgebeeld. Filips zou het schild aan zijn krijgslieden hebben laten zien en verklaard dat dit schild met zijn zwarte klimmende leeuw als aandenken aan zijn overwinning voortaan het wapen zou zijn van hemzelf en het symbool van Vlaanderen.

In hoeverre dit verhaal juist is weten we niet want er bestaan meerdere versies van die werkelijk gebeurde of verzonnen geschiedenis. Wel weten we dat de leeuw reeds vroeger in het wapen der Vlaamse graven voorkwam. We vinden hem o.a. terug op de zegels van Robrecht de Fries in 1072. Vanaf Filips van den Elzas echter werd de zwarte leeuw op het gulden veld verheven tot het symbool van heel Vlaanderen en dit is nog tot op heden het geval.

Buiten dit verhaal met het wapenschild dat Fillips naar Vlaanderen zou hebben meegebracht, kan men zich afvragen wat Filips eigenlijk in Palestina is gaan zoeken. En Filips moet zich blijkbaar dezelfde vraag hebben gesteld, want op 9 april 1178, nauwelijks 10 maanden na zijn aankomst in Akko scheepte hij in te Laodocia voor Constantinopel, waar hij aan de keizer een bezoek bracht. Kort daarop verliet hij Constantinopel en was hij terug in Vlaanderen in oktober 1178.

Leeuw van VlaanderenHet Vlaamse wapen 'de Leeuw van Vlaanderen'.
(Hendrickx, Vermorcken, Origine du blason de Flandre. Kon. Bibliotheek Albert 1, Brussel, 111681)
Zoals gepubliceerd in 'Beeld en Geschiedenis' van Tom iterschagel, blz. 194, Uitg. Brepols 1987.

 

Filips terug in Vlaanderen

Toen Filips in Vlaanderen terugkwam viel er heel wat te regelen, vooral wat zijn relaties met Frankrijk betrof, waar hij aan het Hof heel wat aanzien genoot. Hiervan dacht Filips gebruik te kunnen maken om er een dominante positie in te nemen en tot op zekere hoogte is dat ook tijdelijk gelukt.

Zo was hij bij de kroning van de veertienjarige Filips Augustus (in Frankrijk Philippe II Auguste) te Reims op Allerheiligen 1179 een van de meest vooraanstaande aanwezigen. Door de afwezigheid van Filips Augustus' vader, Lodewijk VII, door ziekte overmand (hij zal het jaar daarop overlijden) viel hem de eer te beurt het rijkszwaard te mogen dragen en bovendien tijdens het feestmaal als dapifer (*) op te treden.

(*) Een dapifer was een ambt aan het Franse Hof dat vroeger aan iemand van het koninklijk huis werd toegekend en het alleenrecht verschafte om de koning aan de tafel te mogen bedienen. Men noemde hem ook wel sénéchal.

Het was zelfs zo dat Lodewijk VIl zijn zoon omwille van zijn jeugdige leeftijd die onder Filips hoede stelde, wat neerkwam op een voogdij. Deze tijdelijke positie heeft Filips trachtten te bestendigen door zijn nicht Isabella van Henegouwen uit te huwelijken aan Filips Augustus met als bruidschat een gebied dat overeenkwam met Artois. Wat Filips heeft bezield om zijn eigen graafschap zo te verminken zal wel voor altijd een raadsel blijven, want door dit huwelijk versterkte hij niet zijn positie, maar verzwakte hij die doordat de Franse koning door die bruidschat nu een greep kreeg op een groot gedeelte van het Vlaamse graafschap.

Toen Lodewijk VII op 19 september 1180 overleed, eigende Filips Augustus zich een gezag toe dat hem onttrok aan de inmenging in het lands bestuur van de grote feodale heren, waaronder Filips. Dit kwam hard aan bij Filips. Hij begreep dat hij door het uithuwelijken van zijn nicht van Henegouwen een stommiteit van formaat had begaan. Toen op 26 maart 1182 ook nog zijn echtgenote Elisabeth van Vermandois kinderloos overleed verviel het vorstendom aan haar zuster Eleonora, een toestand waarvan Filips Augustus gebruik maakte om de haar toekomende gebieden voor de Franse troon op te eisen.

Filips weigerde echter die af te staan. Na heel wat onderhandelingen en met de tussenkomst van o.a. Hendrik II, werd er op 4 april 1182 een merkwaardige overeenkomst gesloten waarbij Filips afstand deed van het betwiste gebied maar hij het toch mocht behouden, zogenaamd als pand voor de terugbetaling van de geldsommen die hij ten gerieve van de Franse koning had uitgegeven.

De relaties tussen Vlaanderen en Frankrijk bleven echter vrij onzeker en dat zal duren tot in 1190 wanneer zowel Filips als Filips Augustus zich voorbereidden om deel te nemen aan de derde kruistocht.

 

De derde Kruistocht

Toen in 1148, na de mislukte poging om Damascus in te nemen, de kruisvaarders, de een na de andere naar huis vertrokken, verzamelde er zich een gigantisch leger onder de leiding van de Seldjoekse heerser Noer al-Din en begon er een twintigjarige veldtocht waarbij het grootste gedeelte van de landen die door de kruisvaarders in de eerste kruistocht waren veroverd, voor de Christenen verloren gingen. In 1174 overleed Noer al-Din en werd hij opgevolgd door Saladin (zijn echte naam was alNasir Salah al-Din), een zeer kundig veldheer die de veroveringstocht van zijn voorganger voortzette en er in 1187 in slaagde om Jeruzalem op de Christenen te veroveren en daarmee de derde kruistocht in het leven riep.

Zoals de val van Edessa in 1145 tot algemene verontwaardiging had geleid en daarmee de tweede kruistocht uitlokte, leidde de val van Jeruzalem nog meer tot groot opzien en ontzetting en riep de aangedane paus Gregorius VIII met passie op tot een nieuwe kruistocht. Het eerste antwoord kwam van de Duitse keizer Frederik I, bijgenaamd Barbarossa, het tweede van de Franse koning Filips Augustus, het derde van de Vlaamse graaf Filips en het vierde van de Engelse koning Richard Leeuwenhart.

Barbarossa vertrok als eerste op 11 mei 1189 vanuit Regensburg ter kruisvaart. Voor de zeventigjarige keizer was dit zijn tweede reis naar Palestina. Vergezeld van zijn zoon Frederik V van Zwaben en 29 graven uit alle Duitse gouwen kwam hij na een tocht die een vol jaar had gevraagd aan in de vlakte van Seleucia, aan de overzijde van het Taurusgebergte. Toen hij daar op 10 juni 1190 de rivier Kalykadnos wilde oversteken om Seleucia binnen te trekken gleed zijn paard uit, viel hij met zijn zware wapenrusting in het water en verdronk. Voor het Duitse leger, helemaal ontredderd, was de kruistocht afgelopen en het keerde ontmoedigd naar Duitsland terug.

inscheep kruisvaardersDe kruisvaders schepen zich in.
(Detail uit een Frans miniatuur uit de 14e eeuw)

Op 4 juli 1190 vertrokken de Franse koning Filips Augustus en de Engelse koning Richard Leeuwenhart vanuit Vezelay via Sicilië, waar ze een half jaar verbleven, naar het oosten. Filips Augustus kwam op 20 april 1191 bij Akko aan en Richard Leeuwenhart, vertraagd door een vreselijke storm, eerst op 8 juni van datzelfde jaar. Kort daarop, op 11 juli 1191, vielen ze Akko aan, veroverden ze de stad op Saladin en slaagden erin hem te dwingen tot het overdragen van 3000 gijzelaars. Na deze overwinning beschouwde Filips Augustus zijn taak als volbracht en voer hij op 2 augustus 1191 terug naar huis.

Die snelle aftocht werd hem wel als desertie in de schoenen geschoven. Was hij niet op reis gegaan om Jeruzalem van de ongelovigen te bevrijden? In ieder geval had vanaf dan Richard de vrije hand en nam hij ook het commando op zich van het Franse leger, dat Filips Augustus had achter gelaten. Op 22 augustus liet de "goede" Richard de 3000 gijzelaars, waar hij niets mee kon doen, door zijn soldaten ombrengen en vertrok hij uit Akko om Jeruzalem te veroveren.

Maar zover is het nooit gekomen. Om een of andere reden aarzelde Richard, onderbrak hij zijn tocht naar Jeruzalem en betrok hij een residentie in Jaffa, waar hij enkele levenslustige dames uit Akko liet overbrengen en zijn leger een rustperiode gunde. Deze rustperiode heeft geduurd tot in juni 1192 toen hij opnieuw naar Jeruzalem oprukte. Maar ook dan weer aarzelde hij vlak voor de stad tot de aanval over te gaan en maakte hij rechtsomkeer. Zes maanden later zal hij Palestina verlaten en inschepen voor Engeland.

Op 1 september 1190 vertrok Filips op zijn beurt vanuit Gent op kruistocht, nadat hij het gezag voor de duur van zijn afwezigheid aan zijn echtgenote had toevertrouwd (Filips was in 1182 hertrouwd met de dertigjarige Theresia, dochter van koning Alfons I van Portugal). Hij begaf zich met zijn leger via Keulen naar het zuiden, overwinterde in Italië en scheepte zich in februari 1191 in op een Engels schip met bestemming Messina, waar hij zich bij Filips Augustus en Richard Leeuwenhart voegde.

Samen met Filips Augustus vertrok hij op 20 maart 1191 uit Messina en landde op 20 april bij Akko waar hij zich aansloot bij bij het leger van de Christenen dat Akko belegerde. Maar hij zal de verovering van Akko noch het einde van de derde kruistocht niet meer meemaken. Hij stierf op 1 juni 1191 aan een epidemische ziekte, waarschijnlijk cholera. Hij was de laatste van de vier groten om naar Palestina te vertrekken en de tweede om er te sterven.
Hij werd op het Sint-Nikolaaskerkhof ten oosten van Akko begraven. Zijn weduwe gravin Theresia liet later zijn stoffelijk overschot naar Clairvaux overbrengen, waar het in een door haar gestichte kapel werd bijgezet.
Hij werd opgevolgd door Boudewijn V van Henegouwen als Boudewijn VIII van Vlaanderen.


Bibliografie:
1. VAN WERVEKE, Hans. "Filips van den Elzas en Willem van Tyrus", Paleis der Academieën, Brussel 1971.
2. VAN WERVEKE, Hans. "Filips van den Elzas", Fibula-Van Dishoek, Haarlem 1976.
3. LEHMAN, Johannes. "De kruisvaarders", Forum Boekerij, Baarn 1976.

Inhoudstafelnaar hoofdstuk 18

 
 
Over Herman Boel

Herman Boel is voltijds zelfstandig vertaler en auteur van twee skeptische boeken.

Lees meer »
Disclaimer
  • Aansprakelijkheid voor gebruik van de inhoud van de website.

Lees meer »
Browsercompatibiliteit

Deze webstek werkt prima in moderne browsers als Google Chrome, Firefox en Opera en mogelijk ook min of meer goed in Internet Explorer en Safari.

Contact

U kan me contacteren via het het invulformulier.

Online contactformulier »