De geschiedenis van Vlaanderen - Hoofdstuk 16
Filips Van Den Elzas, de 16e Graaf van Vlaanderen
Geschreven door: Charles
Vanderhaegen -
in lichte mate bewerkt door Herman Boel
Gepubliceerd met vriendelijke toestemming van Charles
Vanderhaegen.
De erkenning van Filips, zoon van Diederik van den Elzas, als plaatsvervangende graaf van Vlaanderen
Diederik van den Elzas, graaf van Vlaanderen tussen 1128 en 1168, overlijdt te Gravelines op 17 januari 1168 en wordt enkele dagen later begraven in het klooster van Watten, waar hij zich enkele jaren tevoren had teruggetrokken nadat hij gedurende 40 jaar het bewind had gevoerd over het graafschap Vlaanderen. Hij was toen 68 jaar oud, wat voor die tijd heel uitzonderlijk was, een tijd waarin de meeste mensen niet eens de leeftijd van 40 jaar bereikten.
Zijn vrouw Sibylla, dochter van Fulco V van Anjou, de latere koning van Jeruzalem die daar in 1165 overleed, had hem vier zonen en drie dochters geschonken. De oudste zoon Boudewijn, waarschijnlijk geboren in 1135 of 1136 (de juiste datum is niet gekend) en voorbestemd om Diederik als graaf van Vlaanderen op te volgen stierf echter al in 1150 op een leeftijd van 15 jaar waardoor de erfelijke titel overging op Filips, de tweede zoon, geboren in 1142.
Filips huwde in 1156 te Beauvais met Elisabeth, oudste dochter van Radulf I, graaf van Vermandois. Filips was toen 14 jaar oud en zijn bruid 13. Dit soort huwelijken op zeer jeugdige leeftijd waren schering en inslag in die tijd. Zij dienden zo goed als altijd om de uitvoering te verzekeren van bepaalde politieke plannen.
Radulf I overleed in 1152 en werd opgevolgd door zijn zoon Radulf
II bijgenaamd "de Melaatse" (In Frankrijk bekend als Raoulle-Lépreux)
die in 1163 kinderloos zal overlijden. Hierdoor kwam Elisabeth, als
enige erfgename van het graafschap Vermandois, waarbij toen ook Valois
en Amiénois behoorde, in het bezit van dit gebied en door het feit dat
zij de echtgenote was van Filips, kon deze zich de titel van Graaf van
Vermandois toeëigenen. Hierbij is het interessant te vermelden dat
Filips niet gewacht heeft op de dood van Radulf II om zich graaf van
een van de door zijn vrouw geërfde gebieden te noemen. Al in 1161, dus
twee jaar vóór de dood van Radulf II, noemde hij zich al graaf van
Amiens en trad hij ook als zodanig op.
Deze titel van graaf'was echter niet nieuw voor
Filips, want naar aanleiding van een plechtige vergadering gehouden aan
het grafelijke hof op 31 maart 1157, met het oog op het aanstaande
vertrek van zijn vader Diederik naar Palestina, had deze aan zijn zoon
Filips de overname van de grafelijke troon door alle staten van
Vlaanderen laten erkennen en werd hij officieel comes
constitutus (letterlijk: de als graaf aangestelde) genoemd.
Diederik moet er niet echt zeker van zijn geweest dat zijn zoon overal als "comes" werd erkend want op Sinksendag, 12 mei van datzelfde jaar, riep hij een nieuwe vergadering bijeen te Atrecht. De aanleiding hiertoe was een probleem met Kamerijk, toen de plaatselijke bisschop Nicolaas en diens burggraaf Simon van Oisy hadden geweigerd op de vergadering van 31 maart te verschijnen. Maar ook op deze tweede vergadering verschenen ze niet, niettegenstaande het uitdrukkelijke verzoek van Diederik. Uiteindelijk schijnt dit toch geen beletsel te zijn geweest voor de erkenning van Filips als "comes" want zonder enige uitzondering beloofden alle aanwezigen plechtig de jonge graaf tijdens de afwezigheid van zijn vader en in alle omstandigheden bij te staan. Daarop vertrokken Diederik en Sibylla min of meer gerustgesteld reeds 's anderendaags, d.i. op 13 mei, naar Palestina.
De reden voor de weigering van de Kamerijkse edelen om Filips tijdens de afwezigheid van zijn vader als graaf te erkennen, lag in het feit dat Diederik in 1153 een belasting op de graanoogsten van de kerken in het Kamerijkse bisdom opnieuw had ingevoerd nadat dit in onbruik was geraakt tijdens de problemen die op de moord van Karel de Goede waren gevolgd.
De jonge Filips beschouwde dit als een weigering van zijn
gezag, wat het in feite ook was, en zonder dralen, reeds op 26 mei,
nauwelijks twee weken na de vergadering te Atrecht trok hij met een
klein leger op tegen Simon. Deze mini-veldtocht liep echter op niets
uit zodat Filips onverrichterzake naar huis moest terugkeren. Niet voor
lang echter, want nauwelijks twee maanden later trok hij opnieuw op
tegen Simon. Deze keer was hij uitgerust met het nodige belegeringstuig
en slaagde hij erin de burcht van Oisy in te nemen en Simon tot
onderwerping te dwingen, voorlopig althans.
Een Vlaams-Hollands conflict
Filips had het als aangestelde graaf van Vlaanderen allesbehalve rustig na het vertrek van zijn ouders naar Palestina. Nauwelijks had hij Simon van Oisy min of meer klein gekregen of er kwam al een andere antagonist opduiken.
Deze maal ging het om Floris III, die in 1157 zijn vader Dirk VI als graaf van Holland had opgevolgd en dacht van de afwezigheid van Diederik gebruik te kunnen maken om een oude vete weer op te rakelen. Het was namelijk zo dat de eilanden van Zeeland "bewesten Schelde" sinds 1012 door de graven van Vlaanderen van de keizer van het Rooms-Duitse Rijk in leen werden gehouden, zodat die sedert dat jaar deel uitmaakten van Rijks-Vlaanderen. In 1076, dus onder het bewind van Robrecht de Fries, was dit gebied als achterleen (d.i. een leen in de tweede graad) in het bezit gekomen van de graven van Holland.
Floris III was door deze toestand geërgerd en wilde nu aan die leenverhouding ten opzichte van Vlaanderen een einde stellen. Om dit aan Filips duidelijk te maken begon hij de Vlaamse handel lastig te vallen door de zeeroverij in de Zeeuwse wateren te beschermen. Daarnaast richtte hij ook nog een nieuwe tol in te Geervliet, aan de monding van de Maas, precies de plek waar de Vlaamse schepen in de richting van Keulen de Rijn opvaren. Floris slaagde er zelfs in dit door hem bedacht tolrecht door de Duitse keizer Frederik I te doen bekrachtigen. Maar zelfs dit vond hij nog niet voldoende. Hij ging een verbond aan met de heer van Beveren en maakte aanspraak op het Land van Waas, een gebied dat onder de Vlaamse graaf ressorteerde.
Naar gewoonte antwoordde Filips zonder dralen op deze uitdaging. Met Pasen 1158 voer hij met een vloot soldaten de Schelde af, nam zonder veel tegenstand de burcht van Beveren in en versloeg het kleine leger van Floris, die schijnbaar niet op een dergelijke reactie van Filips had gerekend. Floris moest zich onderwerpen en afzien van zijn eis tot het tenietdoen van het achterleen, van zijn aanspraak op het Land van Waas en van de tolheffingen te Geervliet. Deze wapenstilstand is echter maar tijdelijk geweest want de vijandelijkheden zullen opnieuw oplaaien en aanslepen tot in 1167, toen het eindelijk tot een akkoord kwam tussen beide partijen, een akkoord dat werd bevestigd door het Verdrag van Brugge waarbij werd bepaald dat het betwiste gebied gezamenlijk door Vlaanderen en Holland zou worden bestuurd.
Zegel van Filips van den Elzas
Opnieuw problemen met Simon van Oisy
Terwijl Filips in Zeeland strijd leverde tegen Floris, kwam Simon van Oisy weer in opstand. Hij maakte van Filips' afwezigheid gebruik om Vlaanderen binnen te vallen. Die inval was van korte duur, Filips ging tot een tegenaanval over en kon hem zonder veel moeite dwingen onverrichterzake naar Kamerijk terug te keren.
Maar opnieuw duurde de vrede niet lang want in de zomer van 1159 kon Simon niet nalaten de vijandelijkheden weer te openen, opnieuw zonder veel succes, want Filips reageerde deze keer heel heftig. Al in juli slaagde hij erin de drie burchten van Kamerijk in te nemen. Verder is hij echter niet gegaan, want toen hij vernam dat zijn vader Diederik op terugtocht was vanuit Palestina, keerde hij naar Vlaanderen terug.
Dit was een verstandige beslissing want toen Diederik van zijn zoon het nieuws vernam van Simons agressief gedrag, nam hij meteen contact met hem op en wist hij na enkele vergaderingen Simon, evenals bisschop Nicolaas , ervan te overtuigen dat het verloren moeite was wat dan ook tegen het Vlaamse graafschap te ondememen. Simon boog het hoofd en nadat de vroegere verhoudingen werden hersteld en vastgelegd in het Verdrag van Bapaume en door beide partijen op 19 januari 1160 werden ondertekend, onderwierp Simon zich voorgoed en verdween hij van het strijdtoneel.
Geheim akkoord tussen Engeland en het graafschap
Toen Diederik in augustus 1159 van Palestina was teruggekomen en bekeek hoe zijn zoon Filips het bewind over het graafschap had uitgeoefend, dan kon hij niet anders dan vaststellen dat Filips het ondanks zijn jeugdige ouderdom vrij goed had gedaan.
Gedurende de volgende vier en een half jaar zullen vader en zoon gezamenlijk het bewind voeren over het graafschap. Het was tijdens deze periode dat de betrekkingen met Engeland meer uitgesproken politieke vormen aannamen. De aanleiding daartoe was het geldleen dat Willem de Veroveraar, toen hij tot koning van Engeland werd gekroond, aan zijn schoonvader Boudewijn V had toegekend. Het ging toen om 300 zilvermarken die Willem ieder jaar aan Boudewijn V betaalde voor diens neutraliteit in zijn veroveringsoorlog van Engeland. Dit geldleen werd na de dood van Willem onderbroken, maar werd opnieuw van kracht in 1103 overeenkomstig het akkoord van Dover. Dit akkoord tussen Robrecht II en Hendrik I, koning van Engeland, betrof ditmaal een jaarlijkse rente van 400 zilvermarken. Maar ook aan dit geldleen was een einde gekomen in 1154, na de dood van Steven van Blois (in Frankijk: Etienne de Blois), die Hendrik I als koning van Engeland was opgevolgd.
In 1163, hoogstwaarschijnlijk onder de druk van de Engelse koning, werd het geldleen opnieuw maar enigszins gewijzigd van kracht, na een geheim akkoord tussen Hendrik II, die Steven van Blois in 1154 als koning van Engeland had opgevolgd, enerzijds en zowel Diederik als Filips van den Elzas anderzijds. Het bedrag van de rente dat hiermee gemoeid was is onbekend.
Dit akkoord was kennelijk tegen Frankrijk gericht want het hield in dat beide Vlaamse graven er zich toe verbonden in geval van oorlog tussen Engeland en Frankrijk, eerstgenoemd land met een grotere krijgsmacht bij te staan dan zij overeenkomstig hun feodale verplichtingen aan hun opperleenheer, de koning van Frankrijk, verschuldigd waren.
Hier moet wel worden bijgezegd dat Filips zich maar weinig van
die verplichting heeft aangetrokken, wat blijkt uit zijn
ogenschijnlijke tegenstrijdige houding die hij ten opzichte van de
koning van Engeland aannam in verband met het huwelijk van zijn broeder
Mattheus.
Een huwelijk, een koning, twee graven en een aartsbisschop
De aanleiding tot Filips' houding was het graafschap Boulogne, dat door de graven van Vlaanderen tot in 1154, d.i. tot aan de dood van Steven van Blois, in leen werd gehouden. De enige erfgename van Steven was zijn dochter, die zich enkele jaren tevoren in een klooster had teruggetrokken en verder bekend is onder de naam van de Abdis van Ramsey. De mogelijkheid bestond dus dat, indien de Abdis zonder erfgenamen kwam te overlijden, Boulogne aan Frankrijk zou vervallen.
Hendrik II zag dit als een gevaar voor zijn verbindingslijnen met het vasteland en het leek hem toe dat het beste middel om dit gevaar te bestrijden erin bestond de Abdis uit het klooster te halen en haar met Mattheus, de broer van Filips, te doen trouwen.
Die oplossing was echter strijdig met de kerkelijke wetten en Thomas Becket, Hendriks kanselier en aartsbisschop van Canterbury, verzette er zich tegen. Gezien het geheime leenakkoord dat Filips en Diederik met de Engelse koning hadden gesloten, zou men verwachten dat ze zonder aarzelen de kant van de Engelse koning zouden hebben gekozen. Een huwelijk van Mattheus met de dochter van de vorige koning van Engeland kon trouwens alleen maar de macht van het Huis van den Elzas vergroten. Maar dat hebben ze niet gedaan, in ieder geval toch niet openlijk.
Het is niet duidelijk welke de drijfveren waren die hen hebben aangespoord te trachten het huwelijk van Mattheus met de Abdis nietig te doen verklaren. Was het om de kanselier Becket gunstig te stemmen ? Misschien wel. Men moet namelijk weten dat Becket op dat ogenblik een der machtigste mannen van Engeland was en dat hij, waarschijnlijk hierdoor, in een constant conflict met Hendrik II was verwikkeld. Het was zelfs zo dat Becket in 1164, vrezend voor zijn leven, onderdak had gezocht bij Filips, die hem gastvrij had ontvangen en geweigerd had op het verzoek van Hendrik II in te gaan om Becket uit te leveren. Deze zal wel in 1170 naar Engeland terugkeren, maar kort na zijn aankomst worden vermoord.
In ieder geval, het huwelijk van Mattheus met de Abdis hield
stand en het was zelfs zo dat zij (de beide Elzassers) door hun
bemoeingen er ook nog in slaagden om van Hendrik II te verkrijgen dat
hij het graafschap Lens, dat altijd met Boulogne verenigd was geweest,
als persoonlijk geschenk aan hen afstond.
Filips belegert de burcht van Oisy en dwingt de burggraaf
Simon tot overgave.
(Naar een ets uit "De Middeleeuwen" van H. W. Koch. Uitg. Helmond BV.
Helmond 1988)
Vlaanderen op zijn grootst
Zoals we hebben gezien vertrok Diederik in 1164 op verzoek van zijn echtgenote Sibylla voor de vierde maal naar Jeruzalem. Filips was nu 21 jaar oud en Diederik, die zich de laatste jaren niet veel meer van de regeringszaak had aangetrokken, droeg voor hij vertrok de macht volledig en voorgoed aan zijn zoon over. Dit blijkt uit het feit dat Diederik zelfs na zijn terugkomst in 1166 en tot aan zijn dood in 1168 zich nooit meer met enige regeringsaangelegenheid heeft ingelaten.
We hebben ook gezien dat Filips in 1163 na de dood van zijn
schoonbroer, de graaf van Vermandois, deze titel had overgenomen
krachtens de rechten van zijn echtgenote Elisabeth, de enige erfgename
van deze heerlijkheid. Filips voerde van toen af de titel van 'graaf
van Vlaanderen en van Vermandois'. Hij regeerde zo over een
gebied dat zich uitstrekte van de monding van de Schelde tot op 25 km
van Parijs. Hij was nog steeds de vazal van Lodewijk VII, de koning van
Frankrijk, maar het rijk waar hij over heerste was groter dan de
koninklijke domeinen.
Een ander deel van Vlaanderen, gekend als "Rijksvlaanderen"
hield hij van de Duitse keizer. Het omvatte het land van Aalst, de Vier
Ambachten (met Boechoute, Assenede, Hulst en Axel) en Zeeland bewesten
Schelde. Deze territoriale machtspositie liet hem toe, indien hij dit
nodig mocht achten, een beroep te doen op de Duitse keizer als
tegenwicht voor een te sterke druk vanuit Frankrijk en anderzijds kon
hij ook, indien nodig, zijn Franse bezittingen tegenover de Duitse
keizer in de weegschaal leggen.
Ten slotte versterkte Filips ook nog zijn greep op Kamerijk en slaagde hij er na de dood in zijn vroegere aartsvijand, Bisschop Nicolaas, zijn broer Peter, die proost was van de Brugse Sint-Donaaskerk en uit dien hoofde tevens kanselier van Vlaanderen, door de kanunniken van het Kamerijkse kapittel en door de aartsbisschop van Reims als elect bisschop te doen erkennen.
Dit alles maakte van het graafschap Vlaanderen onder Filips
van den Elzas, naast het Anglo-Angevins rijk een van de machtigste
staten van West-Europa.
Hoop, wanhoop en bittere berusting
De macht van Filips in het West-Europese verband was dus vrij aanzienlijk en werd nog versterkt in 1169 toen zijn zuster Margareta huwde met de erfprins van Henegouwen, de latere Boudewijn V. Ter gelegenheid van dit huwelijk kwam er ook tussen de twee graven Filips en Boudewijn een bondgenootschap tot stand waarbij ze elkaar tegen alle eventuele vijanden wederzijdse steun beloofden, behalve tegen hun respectieve leenheren, de koning van Frankrijk en de bisschop van Luik.
Maar Filips' grootste probleem bleef het feit dat zijn huwelijk na 17 jaar (we zijn in 1173) nog steeds kinderloos was gebleven. Hij had wel een natuurlijke zoon, een bastaard dus, ook Diederik genoemd, maar die kwam voor de erfopvolging niet in aanmerking. Filips moest dus dringend op zoek naar een wettelijke mannelijke erfgenaam uit het huis van den Elzas, om het graafschap voor zijn dynastie te redden. Hij hoopte op een mannelijke nakomeling van zijn broer Mattheus die, zoals we hebben gezien, gehuwd was met de Abdis van Ramsay. Maar ook deze hoop zal in rook opgaan.
Nog hetzelfde jaar brak er een nieuwe oorlog uit tussen Engeland en Frankrijk. Filips koos de zijde van de Franse koning Lodewijk VIl en viel samen met zijn broer Mattheus Normandië binnen en overmeesterde daar enkele burchten. Maar die schamele overwinning was bitter want tijdens de belegering van Driencourt werd Mattheus zo vreselijk gewond dat hij enkele dagen later overleed. Filips was helemaal ontdaan en meer dan ooit bekommerd over de toekomst van zijn rijk. Hij staakte de strijd en keerde naar Vlaanderen terug.
Mattheus liet twee dochters na, maar geen zonen, dus langs die kant viel er niet veel te verwachten voor de toekomst. Nu dacht Filips aan zijn broer Peter, de bisschop elect van Kamerijk. Peter was op dat ogenblik nog steeds niet door de paus in zijn waardigheid van bisschop bevestigd, zodat hij nog steeds van zijn kerkelijke loopbaan kon afzien en dit is, zeker onder de druk van zijn broer, wat hij ook deed. Kort daarop huwde hij met de weduwe van de graaf Guido van Nevers, waarbij hij door Lodewijk VIl werd beleend met Nevers. Wat de politieke bedoeling is geweest van dit huwelijk is niet duidelijk want Nevers ligt op meer dan 200 km ten zuidoosten van Parijs en kon dus maar weinig bijdragen tot een versteviging van het huis van den Elzas.
Het huwelijk op zichzelf was wel een goede zaak, want het schiep een nieuwe kans op een mannelijke erfopvolger. Maar ook deze kans ging voorbij want in 1176 stierf ook Peter, in vrij mysterieuze omstandigheden, waarschijnlijk vergiftigd, maar wie er belang mag hebben gehad bij zijn dood is nooit duidelijk geweest. In ieder geval, daar er uit diens huwelijk slechts een dochter was geboren en geen enkele zoon, schenen nu alle kansen op een mannelijke erfgenaam voor het huis van den Elzas voor goed verkeken. Er is wel nog sprake geweest van nog een andere broer, een bastaard van Diederik, maar ook deze kwam niet in aanmerking.
Filips moet toen verschrikkelijk ontmoedigd zijn geweest en het is waarschijnlijk die ontmoediging die hem heeft aangespoord zijn geluk elders te gaan zoeken. Hij had in zijn broer Peter immers de laatste kans gezien op een mannelijke erfvolging. Daarom leek hij nu meer belang te hechten aan zijn eigen glorie dan aan de zorg voor een nageslacht.
Wie na hem zou komen om zijn landsheerlijkheden over te nemen, scheen hem van toen af niet meer te interesseren. Hij begon van andere horizonten te dromen en daarbij heeft hij zeker ook gedacht aan zijn vader die vier keer naar Palestina was geweest. Hij dacht toen aan de jonge koning Boudewijn IV, koning van Jeruzalem, die door melaatsheid was aangetast en waarschijnlijk niet lang meer zou regeren. Mogelijk heeft hij met de gedachte gespeeld de melaatse vorst op te volgen.
Hij zal omstreeks Sinksen 1177 inschepen naar Palestina, nadat hij in Rijsel door zijn leenmannen hulde had laten doen aan zijn zuster Margareta en haar echtgenoot Boudewijn V van Henegouwen aan wie het vorstendom Vlaanderen, na zijn dood zou overgaan.
En dan komt de derde kruistocht in zicht.
Bibliografie:
1. LE GLAY, Edward. "Histoire de comtes de Flandre", Brussel
1843
2. VAN WERVEKE, H. "Filips van den Elzas", in het Nationaal Biografisch
Woordenboek (4), Brussel 1970.
3. VAN WERVEKE, H. "Een Vlaamse graaf van Europees formaat: Filips van
den Elzas", Unieboek BV, Bussem 1976.
Inhoudstafel - naar hoofdstuk 17
