De geschiedenis van Vlaanderen - Hoofdstuk 14

Het korte bewind van Willem Clito, 14e graaf van Vlaanderen

Geschreven door: Charles Vanderhaegen - in lichte mate bewerkt door Herman Boel
Gepubliceerd met vriendelijke toestemming van Charles Vanderhaegen. 

Willem Clito wordt erkend als graaf van Vlaanderen

Op 13 maart 1127 kwam de koning van Frankrijk, Lodewijk VI, bijgenaamd "de Dikke", naar Atrecht om na de dood van Karel den Goede die op 2 maart was vermoord, een opvolger voor de grafelijke troon te laten verkiezen. Karel was immers kinderloos gebleven en had dus geen rechtstreekse opvolger. Meteen werden de Vlaamse ridders door de koning uitgenodigd om in Atrecht samen te komen en te beraadslagen over de troonopvolging, want de kandidaten waren talrijk.

De besprekingen duurden tot 23 maart en mondden na een lange procedure die overeenkomstig de feodale wetten van die tijd werd gevoerd uit in de electio (verkiezing) van Willem Clito, ook genoemd Willem van Normandië als kandidaat-graaf van Vlaanderen.

Na deze koninklijke en ridderlijke benoeming moesten ook nog de gemeenten hun goedkeuring geven voordat de kandidaat definitief de titel van graaf van Vlaanderen kon opeisen. Al op 27 maart werd in Brugge begonnen met de voorbereiding van de ceremonie die volgens een oude traditie met de definitieve verkiezing gepaard ging. Niet alleen de Bruggelingen maar ook de Vlamingen uit de omstreken werden uitgenodigd om de ceremonie bij te wonen. De priesters kwamen met hun fiertels, waarop de belangrijkste burgers van de stad een eed moesten afleggen en waarbij ze zich verbonden deze grafelijke kandidaat te kiezen die "op een nuttige wijze de domeinen van het graafschap zou besturen en op krachtige wijze de rechten van het graafschap tegen zijn vijanden zou verdedigen".

Drie dagen later kwamen de ridders uit Atrecht terug en verzamelden zij zich in Brugge waar ze met gejuich en met het luiden van de klokken werden ontvangen. Zonder veel tijd te verspillen presenteerden ze zich op het veld buiten Brugge, waar alles voor de ceremonie was opgesteld en waar een grote schare burgers zich had verzameld om van de ridders het verslag te horen van de besprekingen in Atrecht.
Het was een zekere Walter die de schenker (*) was geweest van Karel den Goede en deel had uitgemaakt van de groep ridders die aan de verkiezing van Willem Clito in Atrecht had deelgenomen, die het podium besteeg en het woord nam nadat hij, zoals de traditie het wilde, de van de koninklijke zegels voorziene brieven van de koning van Frankrijk boven zijn hoofd had uitgestoken om aan de menigte te laten zien dat de boodschap die hij bracht daadwerkelijk van de koning afkomstig was. De boodschap luidde als volgt:

"Luister, beste burgers, naar hetgeen er door de koning en de baronnen, na grondig en voorzichtig onderzoek, werd beslist. De prinsen van Frankrijk en de eersten van Vlaanderen, na de koning te hebben gehoord, hebben als graaf voor uw land gekozen: de jonge Willem van Normandië, edel van afkomst en vervuld met moed.... Overeenkomstig deze beslissing vraag ik u niet alleen, maar beveel ik u ook aan in volle oprechtheid, Willem, door de koning en de Vlaamse ridders tot graaf van Vlaanderen gekozen, ook als uw graaf te willen aanvaarden. Daarbij zeg ik u ook in de naam van de koning en de zijnen dat hij, ter goeder trouw, als graaf voortaan verzaakt aan zijn recht grondcijns te innen en vergoeding in klinkende munt".

(*) Schenker = De schenker was iemand van adellijke bloede die in een koninklijk huis het recht bezat aan de prinselijke tafel de wijn te schenken. Het woord "schenker" is een purisme. Het juiste woord is "boutillier" of °échanson", wat afgeleid is van het middeleeuwse Latijn scantio, wat schenken betekent.

Na het aanhoren van deze boodschap kwamen de belangrijkste burgers van de stad, die dus de eed van trouw hadden afgelegd, samen om te beslissen of ze de voorgestelde kandidaat wel als graaf zouden erkennen of niet. Om een algemene consensus te verzekeren, werden er twintig edelen naar Gent gestuurd om de mening van de bewoners daar te kennen.

Ondertussen was de koning, vergezeld van Willem, vanuit Atrecht via Rijsel, waar de burgers aan de voorgestelde graaf trouw hadden gezworen, naar Brugge gekomen, waar zij op 4 april hun intrede deden.

's Anderendaags, d.i. op 5 april, begaf zich een stoet onder leiding van de koning en bestaande uit Willem, hun ridders, de Vlaamse baronnen, de beëdigde burgers, enkele priesters van Sint-Donaas en nog een groep Bruggelingen van minder belang, naar het veld buiten de stad waar alles voor hun komst was opgesteld.

Meteen nadat de belangrijksten onder hen het podium hadden bestegen, begon men met het voorlezen van twee koninklijke charters. Het eerste charter gaf aan de priesters van Sint-Donaas het recht zelf hun proost te kiezen, d.i. zonder dat de graaf of wie ook daarin mede enige zeggingsschap had. Het tweede charter bevestigde, wat Walter reeds in zijn boodschap had medegedeeld, dat de graaf afstand deed van zijn recht op belasting op het transporteren van goederen en op grondcijns. Dit laatste kwam er op neer dat de grond van Brugge, die tot hiertoe privaat eigendom van de graaf was geweest, thans het eigendom van de burgers werd of tenminste toch van de rijksten onder hen. Bovendien werden de Bruggelingen en de Gentenaars vrijgesteld van tolrechten.

Eenmaal deze charters voorgelezen waren, zworen de koning en de jonge Willem op de fiertels dat zij de clausules in de charters zouden naleven"ter goeder trouw, frank en oprecht, zonder list of bedrog".
Er volgde nu een kort overleg tussen de Vlaamse baronnen en de burgers, dat eindigde met het aanvaardden van Willem als 14de graaf van Vlaanderen. Dit gebeurde wel met ietwat tegenzin, want niet alle baronnen waren met die benoeming ingenomen maar aanvaardden ze wel, meer uit noodzaak dan uit sympathie, omdat ze voorlopig geen betere oplossing konden bedenken.

In ieder geval, de jonge Willem van Normandië werd zo tot de waardigheid van Graaf van Vlaanderen verheven, een graaf die door de Franse koning werd beschermd, wellicht uit genegenheid, maar zeker omdat door deze benoeming hij van Vlaanderen een sterke bondgenoot dacht te maken tegen de Engelse koning Hendrik I. U herinnert zich dat deze Engelse koning zijn broer Robert, nadat deze van de kruistochten was teruggekomen, in het fort van Cardiff had laten opsluiten en zich zijn graafschap Normandië onrechtmatig had toegeëigend, ten nadele van Willem, Robert's zoon, en tot grote ergernis van de Franse koning.

Lodewijk de Dikke hoopte nog steeds, eventueel met de hulp van het Vlaamse graafschap, de Engelsen uit Normandië te kunnen verdrijven maar, zoals we verder zullen zien is dit niet gelukt. Normandië zal Engels blijven tot in 1468.

Willem Clito erkendOp 5 april 1127 wordt Willem Clito als 14 de graaf van Vlaanderen door
de Vlaamse baronnen en burgers erkend.

 

Nog eens een moord

Nadat Willem als graaf van Vlaanderen was bevestigd en de moord op Karel den Goede was gewroken, oordeelde de koning van Frankrijk dat zijn verblijf in Vlaanderen niet langer nodig was. Hij had verkregen wat hij wilde: Willem was nu graaf en moest het nu verder maar zelf regelen.

De koning verliet Brugge met zijn gevolg op 6 mei 1127 en, interessant detail, nam ook Robert Haket met zich mee. Die Robert Haket, zoon van Haket, de burggraaf van Brugge die in het complot tegen Karel den Goede was verwikkeld en in Lissewege was opgehangen, had zelf geen deel genomen aan de moordpartij maar als zoon van een van de belangrijkste samenzweerders oordeelde de koning dat ook hij uit de weg moest worden geruimd. Hij had daarbij op de steun van de burgers van Brugge gerekend, maar die steun werd hem niet gegeven omdat Robert noch persoonlijk, noch gezamenlijk met de samenzweerders tegen Karel was opgetreden. Dit had hem heel wat sympathie opgeleverd van zijn stadsgenoten.

De koning was een andere mening toegedaan en besliste daarom deze zaak persoonlijk te regelen. Hij wilde kost wat kost zijn wil doordrijven en deed dit ook, maar op een alles behalve ridderlijke wijze. Hij (de koning) had zich laten vergezellen van Robert, om hem zogezegd mee te nemen naar Frankrijk, maar na enkele mijlen buiten de stad te hebben afgelegd beval hij aan zijn soldaten de voeten van Robert onder zijn paard vast te binden, rechtsomkeer te maken en hem, eens terug in Brugge, over te leveren aan de beul, waar hij nog dezelfde dag werd onthoofd.

 

Koninklijke rechtspraak - Willem in geldnood

Wanneer Willem, na de koning tot aan de grens van het graafschap te hebben vergezeld, in Brugge terug kwam, begon hij onmiddellijk al diegenen te laten verhoren die van ver of nabij aan de bestorming van de grafelijke burg hadden deelgenomen. Dit verhoor paste in het kader van de verdwijning van de schat van wijlen Karel. Men veronderstelde dat die vrij aanzienlijk moest zijn geweest en iemand moest hem op een of andere manier, zonder dat iemand iets had gemerkt, uit de persoonlijke vertrekken van de graaf hebben geroofd.

Maar hoe men ook zocht, van de schat geen spoor. Tot op heden is het een raadsel wat er met die schat gebeurd is. In ieder geval was er geen schat en Willem, die niet bepaald rijk was en naar ridderlijke standaarden zelfs arm, moest dus naar andere middelen zijn toevlucht nemen om zijn financiële problemen op te lossen.

Daartoe was het nodig om zijn vers verkregen macht te consolideren en de vrede in het land te herstellen. Om hiermee te beginnen liet hij zijn gevaarlijkste tegenstander, Willem van leper, die hij tijdens de bestorming van die stad had kunnen gevangen nemen en in de gevangenis van Lille had laten opsluiten, overbrengen naar Brugge, waar hij onder strenge bewaking in de toren van de Burg nog eens werd opgesloten.

De rust keerde terug in het land en voor een tijdje gebeurde er niets bijzonders, waardoor het gezag van Willem duidelijk verbeterde en hij niet meer zo argwanend werd bekeken zoals dit ter gelegenheid van zijn verkiezing door de burgers van Brugge en omstreken het geval was geweest. Dit loste natuurlijk zijn financiële problemen niet op, maar het gaf hem wel het valse idee dat de burgers nu braaf en onderdanig naar hem zouden luisteren.

Willem had wel het grootste gedeelte van zijn jeugd in Vlaanderen doorgebracht, maar hij had geen enkele ervaring wat het besturen van een land betreft en besefte schijnbaar ook niet dat er de laatste jaren diepgaande veranderingen in de stedelijke ontwikkeling waren opgetreden. Hij gedroeg zich als een dictator die zich alles kon permitteren en hield helemaal geen rekening met de vrij uitgebreide rechten die de gemeenten hadden verkregen, ten nadele van de grafelijke macht, tijdens het bewind van Boudewijn Hapkin en Karel den Goede.

Toen zijn financiële positie steeds wanhopiger werd, vond hij niets beters dan het recht op het heffen van de grondcijns en de tolrechten terug in te voeren, niettegenstaande hij tijdens zijn verkiezing had gezworen daar voor altijd afstand van te doen. Voor zover we weten, weigerden de burgers of tenminste toch het grootste gedeelte ervan, deze onrechtvaardig geachte belastingen te betalen, zodat Willem nu zijn toevlucht nam tot allerlei onfrisse praktijken. Hij begon ambten en waardigheden te verkopen tegen klinkende munt, zonder rekening te houden met de vereiste bekwaamheid. Het ging zelfs zover dat hij aan rovers en andere misdadigers het recht verleende hun straf tegen geld af te kopen.

 

Opstand!

Dit kon niet anders dan faliekant aflopen. De te verwachten opstand tegen Willem begon in de maand augustus (1127) door een eigenaardige gebeurtenis die zich afspeelde te Rijsel tijdens het feest van Sint-Pieter. Willem die zich met zijn gevolg naar de markt had begeven liet, om een of andere reden die ons onbekend is gebleven, door zijn soldaten een lijfeigene aanhouden. Lijfeigenen hadden in die tijd een onvrije status die zijn rechtsgrond vond in de persoonlijke binding aan een heer. Een lijfeigene was daardoor aan een meester gebonden en kon alleen door deze laatste aan een andere heer worden afgestaan. Willem pleegde hier in feite diefstal wat niet alleen leidde tot een algemene verontwaardiging vanwege de burgers, maar hen ook aanspoorde deze onrechtmatige daad ongedaan te maken.

Nauwelijks was Willem terug in zijn verblijf of hij werd door een menigte woedende burgers belegerd. Zijn bedienden werden vastgegrepen en mishandeld, maar hijzelf kon aan het geweld ontsnappen door haastig te vluchten. Willem voelde dit aan als een verschrikkelijke belediging die hij niet ongestraft kon laten en dat deed hij ook niet. Enkele dagen na dit voorval kwam hij terug naar Rijsel met een groep soldaten en slaagde erin hem door de verraste burgers als compensatie voor hetgeen ze hem hadden aangedaan de som van 1.400 zilvermarken te doen betalen.

Dit was maar een begin. Op 3 februari (1128) kwam ook Sint-Omaars in opstand, maar de opstand werd zwaar gestraft toen Willem met zijn soldaten de stad binnentrok en net zoals in Rijsel hem door de burgers eveneens een groot bedrag aan zilvermarken deed betalen. Van Sint-Omaars moest hij nu vlug naar Gent waar ondertussen eveneens een opstand was uitgebroken. Maar de Gentenaars hadden zich op de komst van Willem voorbereid en hadden twee machtige heren van Rijksvlaanderen, Daniel van Dendermonde en Iwan van Aalst, benoemd om het verzet tegen Willem te leiden.

Toen Willem voor de poorten van de stad aankwam, werd hij tegemoet getreden door Iwan van Aalst die hem als volgt toesprak: "Iedereen weet, heer graaf, welk geweld gij aan de burgers van Rijsel en Sint-Omaars hebt aangedaan en ge nu ook hetzelfde wilt doen wat Gent betreft .. Maar als gij daar wilt van afzien en voortaan het land besturen zonder het te onteren, zijn wij bereid u als graaf te houden. Maar indien ge dit voorstel weigert, vragen wij u het land te verlaten. Wij zullen alsdan het bestuur van het graafschap aan een andere man overlaten, iemand die capabel is en waardig te regeren".

In feite kreeg Willem hier de kans wat hij verkeerd had gedaan te herstellen, maar die kans greep hij niet. Integendeel, in plaats van zich inschikkelijk op te stellen daagde hij Iwan uit tot een duel. Iwan weigerde met de woorden: "Er is geen reden om te vechten. Laten we vreedzaam, binnen vijf dagen samen komen in leper om dit geschil te beslechten".

Wat Willem waarschijnlijk niet wist was dat de zelfzekerheid waarmee Iwan had gesproken zijn oorsprong vond in een geheime belofte van de Engelse koning Hendrik I om in geval van oorlog de Vlaamse contreien militair te steunen tegen hun vijand.

Maar zelfs als hij dit geweten had, zou het waarschijnlijk geen verschil hebben uitgemaakt voor de koppige Willem. Wel kwam hij, zoals voorgesteld door Iwan, naar leper, maar niet met vredelievende bedoelingen want hij liet de stad volledig in gevechtsorde door zijn soldaten bezetten. Toen Iwan en Daniel op de afgesproken dag voor leper verschenen en het militaire spektakel aanschouwden, stuurden zij Willem het bericht dat zij hem wegens woordbreuk niet langer als hun graaf erkenden, waarop ze rechtsomkeer maakten en naar Gent terugkeerden.

De breuk was nu volledig, maar er was nog een ander feit. De man naar wie Iwan in zijn toespraak tot Willem voor de poorten van Gent had verwezen zonder hem te vernoemen was Diederik van den Elzas, zoon van Diederik II, hertog van Opper-Lotharingen, en Gertrudis, dochter van Robrecht de Fries. We hebben gezien dat Diederik na de dood van Karel den Goede een van de kandidaten was geweest voor de grafelijke titel maar deze hem was ontsnapt ten voordele van Willem Clito. Diederik was trouwens reeds tijdens de schermutselingen met Willem op verzoek van de Bruggelingen en de Gentenaars naar Gent gekomen om met hen samen de strijd te voeren tegen Willem.

Van hun kant hadden ook de inwoners van Sint-Omaars hun kandidaat-graaf gekozen, namelijk Aarnout van Denemarken, de zoon van Ingertha, de zuster van Karel en dus diens neef. Ook hij was een van de zes kandidaten geweest voor de grafelijke troon maar was net zoals Diederik door de koning afgewezen.

Willem Clito sneuveltOp 27 juli 1128 sneuvelt Willem Clito voor de poorten van Aalst.

 

Het einde

Tegenover een bevolking die volledig tegen hem was gekeerd en twee kandidaten die zich zijn grafelijke macht wilden toeëigenen was Willem moeilijk opgewassen, maar hij gaf de strijd niet op en op zoek naar om het even wie bereid was aan zijn zijde te staan, liet hij Willem van leper vrij, u weet wel, deze die hij in de burg van Brugge had laten opsluiten. Maar dit bracht niet veel zoden aan de dijk want toen de leperse Willem in zijn stad terugkwam werd hij door de bevolking, die geen andere graaf meer wilde erkennen dan Diederik, verjaagd. Willem van leper is van geen enkele waarde geweest voor Willem Clito. Na de dood van deze laatste zal hij zich trouwens aan Diederik onderwerpen en hem trouw zweren.

Door iedereen verlaten en ten einde raad wendde hij zich tot de koning van Frankrijk voor hulp. Die stemde in en kwam met een klein leger naar Atrecht waar hij een delegatie van de Vlaamse ridders ontving die hem onomwonden mededeelden dat zij Willem Clito niet langer als graaf van Vlaanderen erkenden omdat hij meineed had gepleegd en bovendien, zo verklaarden zij tot grote ontsteltenis van Louis, dat zij "uitdrukkelijk zijn recht ontkenden om een nieuwe graaf voor de vrijgekomen troon aan te duiden". Dit was duidelijk een wil van onafhankelijkheid tegenover Frankrijk. De koning stribbelde nog een tijdje tegen, legde o.a. nog eens het beleg voor Lille, een beleg dat op een mislukking uitliep, en keerde uiteindelijk terug naar Frankrijk.

Willem slaagde er nog in om Sint-Omaars in te nemen en Aarnoud van Denemarken te doen zweren dat hij voor altijd afstand deed van zijn ambities op de grafelijke troon van Vlaanderen, waarop deze naar Denemarken inscheepte en van het strijdtoneel verdween.

Maar dit was de laatste overwinning van Willem. Op 27 juli 1128 kwam zijn leger voor de muren van Aalst in botsing met het Vlaamse leger onder leiding van Diederik. Onstuimig en onverschrokken stortte hij zich aan het hoofd van zijn leger op zijn gehate vijand toen hij door een pijl van een zekere Nicasius Borluut in de rug werd getroffen en door een andere soldaat met een speer de borst doorboord werd.

Dit was het einde van Willem Clito, de 14 de graaf van Vlaanderen, nadat hij nauwelijks 16 maanden had geregeerd en de grafelijke troon aan zijn vijand Diederik van den Elzas moest overlaten.


Bibliografie:
1. GANSHOF, L. "Vlaanderen onder de eerste graven", Uitg. Standaard 1944.
2. LE GLAY, Edward. "Histoire de comtes de Flandre", Brussel 1843

Inhoudstafelnaar hoofdstuk 15

 
 
Over Herman Boel

Herman Boel is voltijds zelfstandig vertaler en auteur van twee skeptische boeken.

Lees meer »
Disclaimer
  • Aansprakelijkheid voor gebruik van de inhoud van de website.

Lees meer »
Browsercompatibiliteit

Deze webstek werkt prima in moderne browsers als Google Chrome, Firefox en Opera en mogelijk ook min of meer goed in Internet Explorer en Safari.

Contact

U kan me contacteren via het het invulformulier.

Online contactformulier »