De geschiedenis van Vlaanderen - Hoofdstuk 13
Van Karel Den Goede naar Willem Clito
Geschreven door: Charles
Vanderhaegen -
in lichte mate bewerkt door Herman Boel
Gepubliceerd met vriendelijke toestemming van Charles
Vanderhaegen.
Een moord was niet genoeg
Op 2 maart 1127 wordt Karel den Goede, de dertiende graaf van Vlaanderen, in Brugge door Bordsiard vermoord. De moord moest het sluitstuk zijn van een complot dat door de familie van de Erembouts, met de proost Berthulf en diens neef Bordsiard op kop, tegen de graaf was opgezet omdat deze had geweigerd, gezien hun horige afstamming, hen in de adelstand te verheffen. Maar een sluitstuk was het niet, want de haat die de familie van de Erembouts de graaf toedroegen was zo diep geworteld dat zelfs deze laffe moord hun gemoederen niet tot bedaren kon brengen, wat blijkt uit de reeks wandaden die op de moord volgden en hoofdzakelijk gericht waren tegen de grafelijke ridders.
Nauwelijks was Karel vermoord of Bordsiard en zijn bende stortten zich op de wapenknechten die onder het bevel stonden van Themaart, de kastelein van Burgburg, die Karel naar de kerk had vergezeld, maar uit eerbied achteraan in de kerk met zijn mannen had post gevat. Allen werden vermoord, waarna de bende luid wraak roepend en zwaaiend met de wapens de stad introk en om het even wie toevallig voorbijkwam schreeuwend van schrik en ontzetting op de vlucht joeg.
Bij het huis van Wouter, een van de zonen van voornoemde Themaart aangekomen, drongen ze de woning binnen. Wouter trachtte te ontsnappen maar tevergeefs. Lambert Nappin, de vader van Bordsiard, hakte hem met zijn bijl het hoofd af. De andere zoon van Themaart wist ogenschijnlijk te paard te vluchten, maar bij 't Zand werd hij ingehaald en eveneens vermoord. Nu trokken de samenzweerders terug naar de kerk op zoek naar Wouter van Lokeren, een van Karels raadgevers, die toentertijd bij de graaf had aangedrongen de Erembouts te bedwingen. Bordsiard en een zekere Isaac, een kamerknecht van Karel, die zijn meester verraden had, grepen hem in de kerk vast, sleurden hem naar buiten sloegen hem met stokken en stenen dood.
Ondertussen lag het lijk van Karel nog steeds aan de voet van het altaar waar hij vermoord werd. De priesters van Sint-Donaas durfden hem niet aan te raken omdat de kerk onteerd was. Ten slotte gaven ze na wat overleg aan Fromold, een van Karels ridders die aan de moordpartij ontsnapt was, de toelating het lijk van de graaf af te leggen. Het lichaam werd omwonden met lijnwaad en temidden van het koor op een berrie geplaatst, omringd door vier kandelaars met brandende kaarsen en enkele wenende vrouwen, zoals het destijds de gewoonte was in de Sint-Donaaskerk.
Tezelfdertijd beraadslaagden de proost Berthulf en zijn bende hoe ze zich van het lichaam van de graaf meester konden maken. Ze vreesden immers dat zij bij een begrafenis van Karel in Brugge voor altijd het onderwerp zouden blijven van verwijt en schande. Zij besloten uiteindelijk iemand naar Gent te sturen en aan Arnaud, de abt van de Blandinusberg, te vragen het lichaam van Karel uit Sint-Donaas weg te halen en het naar Gent te brengen om het daar te begraven.
De abt, schijnbaar verheugd in zijn droefheid dat hij zijn geliefde graaf en voor hem een zo'n glorievolle martelaar in zijn kerk zou begraven zien, stemde in met het verzoek van Berthulf en vertrok nog dezelfde dag, d.i. nog steeds op 2 maart, te paard naar Brugge waar hij 's anderendaags in de vroege morgen aankwam. Samen met de proost en zijn neven liet hij snel een schrijn maken om er het lichaam van de graaf in te plaatsen en met een paardenwagen naar Gent te brengen.
Maar een en ander liep niet zo eenvoudig als voorzien. Toen de abt met Berthulfs neven de kerk binnentraden met het schrijn, merkten de klaagvrouwen dat er hier iets gebeurde dat niet juist was. Daarop liepen enkele van hen de kerk uit en schreeuwden luid dat men bezig was het lichaam van de graaf te roven.
Het nieuws liep als een vuurtje door de stad. De proost en de abt trachtten nu, vóór heel Brugge het wist, het lichaam alsnog buiten de kerk te brengen. Toen het plan met het schrijn mislukt was, liet de proost een nieuwe kist voor de kerkdeur plaatsen. Daarop liepen zijn krijgsmannen de kerk binnen, namen de berrie op waarop het lichaam was afgelegd en droegen het naar buiten om het over te plaatsen in de gereedstaande kist. Maar ook dit lukte niet.
De kanunniken van Sint-Donaas kwamen na het horen van het nieuws van de vrouwen in allerijl toegelopen, namen de berrie op, en droegen ze met geweld terug naar het koor. Temidden van al dat tumult en toen hij de grote massa Bruggelingen zag die zich voor de kerk had opgesteld, had de proost geen andere keuze dan van zijn plannen af te zien. Hij gaf nu het bevel het schrijn naar de bovenste galerij te brengen en het voorlopig verder met rust te laten. Als goeie hypocriet liet hij zelfs 's anderendaags, d.i. op 4 maart, een begrafenismis lezen in de kerk van Sint-Pieter, even buiten Brugge, ter ere van de man die hij had laten vermoorden.
Al die gebeurtenissen leidden ertoe dat Berthulf en zijn gezellen zich niet meer zo zeker van hun stuk voelden als voorheen en daarom besloten de kerk van Sint-Donaas, die men tijdens de invallen van de Noormannen als een burcht had versterkt, door hun wapenknechten te laten bemannen. De kerk was zo in een mogelijk toevluchtsoord herschapen voor het geval er iets mis zou lopen.
De terugkeer van Willem van leper
Terwijl heel het Vlaamse land treurde om de dood van de graaf, waren er wel enkelen die dit niet zo droefgeestig opnamen, in het bijzonder Willem van leper, de onwettige zoon van Robrecht de Fries' jongste zoon Filip. We hebben hem ontmoet samen met Clementia, de echtgenote van Robrecht II, in de oorlog die ze had gevoerd tegen Karel om die Willem van leper op de grafelijke troon te brengen. Deze poging was mislukt maar nu, met de dood van Karel, die net zoals de vorige graaf Boudewijn Hapkin kinderloos was gebleven, deed er zich volgens Willem een nieuwe kans voor om de grafelijke troon te grijpen.
Al op 6 maart zond Willem de boodschapper Godescalk
Thaihals van leper naar de proost te Brugge met volgende
boodschap: "Mijn meester en intieme vriend, de heer Willem
van leper, zendt u en aan de uwen zijn groeten en vriendschap, met de
verzekering van een prompt hulpbetoon bij alles wat u van dienst kan
zijn". Deze boodschap werd met vreugde door de proost
ontvangen en na enkele geheime gesprekken werd overeen gekomen dat de
samenzweerders Willem als opvolger van Karel en graaf van Vlaanderen
zouden erkennen zodra zijn kandidatuur ter sprake kwam. Bovendien
zouden zij hem voorzien van een sterke steunende partij tegen andere
mogelijke kandidaten.
Dit was voor de proost en zijn kornuiten de enige oplossing, zo dachten
ze, om voor hun moorden en andere misdaden ongestraft te blijven. Ze
gaven alvast aan de boodschapper de raad Willem ervan te overtuigen dat
hij meteen en zonder dralen om het even wie in zijn omgeving moest
trachten te overtuigen, eventueel met geweld, om hem zonder voorbehoud
als graaf van Vlaanderen te erkennen.
Dit viel goed in de oren van Willem, want zodra Thaihals terug was van Brugge en aan Willem de boodschap van de proost had overgebracht, liet hij alle Vlaamse handelaars die toen op dat ogenblik in leper voor de jaarmarkt waren samen gekomen, aanhouden en liet hij hen alleen maar vrij wanneer ze hem als graaf van Vlaanderen trouw zworen. Van hun kant haastten Berthulf en zijn partij zich om door middel van rijkelijke giften en gulle beloftes een aanhang van gunstelingen te vormen die de kandidatuur van Willem als graaf zouden steunen, wanneer dit nodig zou blijken.
Tegelijkertijd stuurde hij een brief naar de bisschoppen van Doomik en Noyon waarin hij hen vroeg hun kerkelijke autoriteit aan te wenden om de Sint-Donaaskerk, die door de moord op Karel onteerd was, in ere te herstellen zodat er opnieuw missen zouden kunnen worden gevierd. Ook verzocht hij de inwoners van Veurne, waar hij heel wat familie en bondgenoten had, Willem als toekomstige graaf te huldigen en riep hij de Bruggelingen op de stad te versterken, mocht er toch nog ooit een wraakactie tegen hem worden ondernomen om de moord op Karel te wreken. En die wraakactie kwam er ook, maar sneller dan de rebellen hadden verwacht.
De wraakactie
Op de dag dat Karel werd vermoord en de samenzweerders schreeuwend en met hun wapens door Brugge waren getrokken, was een kamerling van de graaf, genaamd Gervaas van Praet, de stad ontvlucht nadat hij had gezworen de moord op Karel te wreken. Deze man was de eerste onder de raadsmannen van Karel geweest, de eerste onder de leden van het opperfeodaal leenhof van de graaf en had tevens rang onder de grootste baronnen.
Gervaas was dus een machtig man met heel wat invloed en hij slaagde er dan ook in binnen een termijn van vijf dagen een dertigtal ridders, die tot Karels beste vrienden hadden behoord, onder zijn gezag te scharen en zo een vrij machtig leger samen te stellen dat al op 7 maart optrok tegen de samenzweerders.
Het eerste doelwit van de wrekers was het kleine stadje Ravenschot, niet ver van Eeklo, waar zich het kasteel bevond van Wilfried Cnop, een van de broers van Berthulf. Het kasteel werd overmeesterd, in brand gestoken en grotendeels vernield. Wilfried Cnop kon echter met enkele van zijn mannen ontsnappen en zich kort daarop voegen bij de proost te Brugge waar hij hem op de hoogte bracht van het desastreuze nieuws.
Gervaas trok nu naar Brugge, maar de samenzweerders hadden de poorten van de stad gesloten om Gervaas en zijn soldaten te beletten de stad binnen te dringen. Dat was nutteloos want Gervaas had met enkele burgers van de stad een verbond gesloten waarbij was bepaald dat die burgers de volgende nacht de poorten heimelijk zouden openen. Dit gebeurde ook en Gervaas en zijn soldaten konden zo de stad binnendringen waarop er een hevig gevecht ontstond tussen de twee antagonisten. De soldaten van Bertulf verdedigden zich heftig, maar moesten zich terugtrekken op de Burg, het castrum van de Vlaamse graven. Wel slaagden ze erin de twee bruggen over de Reie, die de Burg met de stad verbonden, door te hakken. Daarmee waren de verraders echter opgesloten en was de belegering begonnen.
Nu stroomden er van alle kanten hulptroepen toe waaronder
Zeger,
ook Siger genoemd, de kastelein van Gent met zijn legerbende en
Iwan, de broer van Boudewijn van Aalst.
Ook een massa burgers van Gent die door de kastelein waren opgeroepen,
voegden zich bij de belegeraars. Op 16 maart verscheen ook nog Petronella
van Saksen, weduwe van Floris I, de graaf van Holland,
met haar zoon Diederik VI en een machtige bende wapenknechten.
Petronella hoopte dat men haar zoon tot graaf van Vlaanderen zou kiezen.
Op 19 maart begon de bestorming van de Burg, maar dit viel niet zo goed mee, want de strijd duurde tot 19 april toen de toren van de Burg waar de verdedigers zich hadden verscholen, ondermijnd werd om hem te doen instorten. De belegerden, zevenentwintig in totaal, konden uit vrees bedolven te worden onder de stenen niet veel anders doen dan zich overgeven. Ze werden prompt vastgegrepen en in de gevangenis, genoemd de Loove, opgesloten in afwachting van het oordeel van de koning van Frankrijk, Lodewijk VI, bijgenaamd de Dikke. We zullen verder zien dat die ondertussen was aangekomen om de opvolging van de overleden graaf te regelen
De straf...
Op Wilfried Cnop na, bestonden de zevenentwintig gevangen
rebellen grotendeels uit ondergeschikten. De andere hoofdleiders hadden
reeds enige dagen vóór de val van de burcht het hazenpad gekozen. Maar
geen van hen kon de wraak ontkomen.
Bordsiard was er namelijk al op 13 april in geslaagd ongemerkt de Burg
te verlaten en een schuilplaats te vinden bij een zekere Beernard. Maar
deze leverde hem uit aan de kastelein van Rijsel die hem naar Brugge
bracht, waar hij werd veroordeeld om geradbraakt te worden. Van 's
morgens vroeg tot laat in de avond bleef hij met gebroken ledematen aan
dit vreselijke foltertuig hangen tot hij van uitputting aan zijn
verwondingen overleed.
Ook de proost Berthulf was er in geslaagd uit de burcht te ontsnappen, maar toen hij bescherming zocht bij zijn vroegere bondgenoot Willem van leper werd hij door deze verraden. Willem leverde hem uit aan het gerecht te Brugge in de hoop zich zo te kunnen rehabiliteren met betrekking tot de boodschap die hij destijds naar de proost had gezonden en om zijn aanspraak op de titel van graaf alsnog een kans te geven. Berthulf werd helemaal naakt, zijn armen op zijn rug gekruisigd, aan de kaak gebonden, waar hij overleed na op een manier te zijn gefolterd die alle gedacht te boven gaat.
Lambert Nappin, de broer van Berthulf en vader van Bordsiard, die eveneens uit de burcht ontsnapt was, werd kort daarop in een dorpje niet ver van Brugge gevat en meteen opgehangen.
Haket, de burggraaf van Brugge, een andere broer van Berthulf die toevlucht had gevonden bij zijn dochter in Lissewege, werd eveneens gevat en belandde aan de galg.
Isaac, de wapenknecht van Karel, die Karel verraden had en samen met Bordsiard Karels raadgever Wouter van Lokeren had vermoord, werd door de reeds gekende Willem van leper gevangen genomen, met de voeten gekneveld en met een touw vastgebonden aan het zadel van zijn paard naar de markt van Brugge gesleept en daar opgehangen.
Van Wilfried Cnop ten slotte, dus een andere broer van Berthulf, werden de handen op de rug gebonden. Hij werd vreselijk geslagen en naar de toren van de burcht geleid van waaruit de rebellen zich hadden overgeven. Daar werd hij naar beneden gesmeten. Hij viel en stierf onmiddellijk.
De andere zesentwintig gevangenen werden zonder verdere ceremonie eveneens naar de toren gebracht en de ene na de andere werd naar beneden gesmeten. Niemand kreeg genade, niemand had recht op verdediging, niemand overleefde.
Middeleeuwse rechtspraak!
Karels uitvaart
We hebben gezien dat het lichaam van Karel op de avond van zijn dood door een zeker Fromold werd afgelegd. 's Anderendaags had de proost het lichaam in een schrijn laten plaatsen en het naar de bovenste galerij van Sint-Donaas laten brengen. Het zal daar blijven liggen tot 20 april, wanneer de rebellen zich hebben overgegeven en de kanunniken de kerk opnieuw kunnen betreden.
Het lichaam van Karel was gedurende al die tijd, in totaal zeven weken, ongestoord gebleven. Nu was de tijd gekomen om de overleden graaf plechtig te begraven. De bisschop van Doornik was door de Franse koning Lodewijk VI aangesteld om de plechtigheid te organiseren. Hij stelde de datum voor de uitvaart vast op 25 april.
Het lichaam werd nu door de kanunniken uit het originele schrijn gelicht, in de huid van een hert gewikkeld, in een nieuwe schrijn geplaatst en van Sint-Donaas, gevolgd door een indrukwekkende stoet van bisschoppen en abten met aan het hoofd de koning van Frankrijk, naar de kerk van Sint-Christoffel gedragen, waar het drie dagen bleef rusten om de kanunniken de tijd te geven de kerk van Sint-Donaas voor de begraving in orde te brengen.
Op 25 april trokken de koning, de bisschoppen, de abten en een grote massa burgers in een processie naar Sint -Christoffel, haalden het lichaam van de graaf naar Sint-Donaas en sloten het in een marmeren graf dat temidden van het koor werd geplaatst.
Zo vond het lichaam van Karel, 53 dagen na zijn dood, uiteindelijk rust. In 1884 zal hij heilig worden verklaard.
De koning van Frankrijk in Vlaanderen
Toen het nieuws van Karels dood de koning van Frankrijk Lodewijk VI, bijgenaamd de Dikke, bereikte en hij hoorde over het tumult die daarop volgde, besloot hij tussen te komen in het geschil over de erfopvolging. Karel liet immers geen opvolger na en dus kwamen er onvermijdelijk heel wat kandidaten opdagen die dachten recht te hebben op de grafelijke troon.
Al op 13 maart was de koning met een kleine groep ridders aangekomen te Atrecht waar hij zonder dralen de Vlaamse ridders samenriep om over de troonopvolging te beraadslagen en uit te maken wie er recht op had.
De kandidaten waren talrijk. Er was ten eerste de ons al bekende Willem van leper, de vroegere beschermeling van Clementia, de echtgenote van Robrecht II. Er was de jonge Hollandse graaf Diederik, die door zijn moeder Petronella, weduwe van Floris II, de graaf van Holland, werd voorgesteld voor de grafelijke troon. Er was Boudewijn IV, graaf van Henegouwen, destijds uit Vlaanderen door Robrecht de Fries verjaagd. Er was Amaud van Denemarken, neef van de overleden graaf en ten slotte ook nog Diederik van de Elzas, zoon van Diederik, de hertog van Opper-Lotharingen en kleinzoon langs moeders kant van Robrecht de Fries.
Het is interessant hierbij op te merken dat Diederik van Holland, Boudewijn IV en Diederik van de Elzas, prinsen van het Rooms-Duitse Rijk waren en aanspraak kwamen maken op de grafelijke troon van Vlaanderen, dat een leen was van de Franse koning.
Naast deze vijf kandidaten had Lodewijk ook zijn eigen kandidaat meegebracht: Willem van Normandië, later genoemd Willem Clito of Guillaume Cliton (d.i. zoon van koning of prins), de zoon van Robert van Normandië, die zijn broer Hendrik I, koning van Engeland, in 1106 had laten opsluiten en in 1134 zal overlijden. Lodewijk VI had toen die jonge Willem in bescherming genomen als drukmiddel om de ambities van Hendrik I in bedwang te houden. Willem was dus de kleinzoon van Mathilde, de oudste dochter van de Vlaamse graaf Boudewijn V, die in 1053 met Willem de Veroveraar was getrouwd. Deze afstamming gaf hem het recht, zo oordeelde Lodewijk VI, de Vlaamse grafelijke troon te bestijgen en bovendien kon hij een betrouwbare bondgenoot zijn in het geval het opnieuw tot oorlog met Engeland zou komen.
De besprekingen duurden tot 23 maart en verliepen volgens de feodale wetten van die tijd in twee stadia. Het eerste stadium noemde men het designatio, het stadium waarbij de koning een kandidaat voorstelde, in dit geval Willem van Normandië. Het tweede noemde men het electio, waarbij de vergadering de voorgestelde kandidatuur goedkeurde. In feite was dit meer een consensus dan een electio, want dit laatste had niets met een verkiezing te maken. Het was gewoon de bevestiging van 's konings designatio.
Willem Clito verkreeg aldus de grafelijke troon maar hij was nog een eind verwijderd van de macht. Twee kandidaten die niet eens aan het woord waren gekomen protesteerden tegen de benoeming van Clito. De eerste, Willem van leper, betwistte de keuze van de koning door zich meester te maken van Veurne, Cassel, Aire en Sint-Winoks-Bergen. Lodewijk VI, samen met Gervaas van Praet en vergezeld van Willem Clito, trok nu met een goed gewapend leger op naar leper en belegerde de stad. Maar dit was maar van korte duur. De burgers van leper, helemaal niet ingenomen met de verraderlijke Willem die hen toentertijd met geweld had getracht hem als graaf van Vlaanderen te erkennen, openden de poorten van de stad. Lodewijk en zijn soldaten stroomden de stad binnen en konden de verraste Willem gevangen nemen. Zonder veel ceremonie werd hij in de gevangenis van Rijsel opgesloten.
Zegel van Lodewijk Vl, koning van Frankrijk.
Een tweede tegenkandidaat die met de verkiezing van Clito niet akkoord was gegaan, was Boudewijn IV, de graaf van Henegouwen, achterkleinzoon van de fameuze Richildis. Geïrriteerd door de benoeming van Clito en om zijn woede uit te werken vond hij niet beter dan Oudenaarde binnen te vallen en de stad in brand te steken waarna hij, bevreesd voor een wraakactie van Lodewijk, in allerijl terugkeerde naar Mons en we verder niets meer van hem zullen horen tot aan de dood van Willem Clito, die nu de onbetwiste graaf was van Vlaanderen.
Bibliografie:
1. DUCLOS, Ad. "Karel den Goede", Uitg. De Zuttere-Van Kersschaver,
Brugge 1884.
2. LE GLAY, Edward. "Histoire de comtes de Flandre", Brussel
1843
3. GANSHOF, L. "Vlaanderen onder de eerste graven", Uitg. Standaard
1944.
4. GANSHOF, L. "Le roi de France en Flandre en 1127 et 1128", Uitg.
Librairie du Recueil Sirey, Parijs 1949.
Inhoudstafel - naar hoofdstuk 14
