De geschiedenis van Vlaanderen - Hoofdstuk 12

Het Vlaamse graafschap onder Karel den Goede (1119-1127)

Geschreven door: Charles Vanderhaegen - in lichte mate bewerkt door Herman Boel
Gepubliceerd met vriendelijke toestemming van Charles Vanderhaegen. 

Karel, bijgenaamd den Goede, volgt Boudewijn Vll op als dertiende graaf van Vlaanderen

Boudewijn VIl, bijgenaamd Hapkin of ook soms met den Bijl, overleed op 17 juni 1119 als gevolg van een hoofdwonde die hij enkele maanden tevoren had opgelopen toen hij samen met de Franse koning Lodewijk de Dikke in de tweede Normandische oorlog het beleg had geslagen voor de Normandische vesting van het stadje Eu.

Boudewijn had geen nakomelingen. Zijn huwelijk in 1110 met Agnès, dochter van Alain, graaf van Nantes, was door de paus Pascalis II ontbonden geworden op grond van familieverwantschap tussen het koppel. Agnès stamde namelijk in de zesde graad af van Guillaume, graaf van Arles, uit wie Boudewijn VIl langs Adelheid, moeder van Robrecht de Fries, in de vijfde graad gesproten was.

Al sedert de jaren 500 verbood de Kerk ieder huwelijk verbood tussen bloedverwanten tot in de zevende graad. Het is pas in 1215, tijdens het concilie van Lateranen IV, dat de zevende graad werd teruggebracht tot de vierde graad.

Aangezien Boudewijn VIl enig kind was gebleven, toen zijn twee broers vóór hun vader overleden, moest men voor de opvolging een graad hoger gaan. De enige die hiervoor in feite in aanmerking kwam was Karel van Denemarken, de kleinzoon van Robrecht de Fries langs zijn moeder Adela, die gehuwd was met Knut IV, koning van Denemarken. Deze werd in 1086 vermoord, waarop Adela een tweede huwelijk aanging met Roger I Borsa, graaf van Apulië, Zuid-Italië.

U herinnert zich dat Robrecht II op zijn tocht naar Palestina tijdens de eerste kruistocht een bezoek bracht aan zijn zus Adela. Karel, geboren tussen 1080 en 1086, (het juiste geboortejaar is niet gekend) uit het eerste huwelijk van Adela, werd kort na de dood van zijn vader naar Vlaanderen gebracht waar hij heel zijn jeugd aan het hof van Boudewijn VIl heeft doorgebracht. Hij vergezelde Robrecht II naar Palestina tijdens de eerste kruistocht en raakte vertrouwd met allerlei publieke aangelegenheden. Het ligt dan ook voor de hand dat Boudewijn VIl hem in 1117 of 1118 , dus kort voor zijn dood, als zijn enige opvolger aanduidde.

Zijn inhuldiging als graaf van Vlaanderen had enkele dagen na de dood van Boudewijn VIl plaats te Brugge, die we in die tijd als hoofdstad van het Vlaamse graafschap kunnen beschouwen. De bevolking van de stad en omstreken kwam in grote getale opdagen om deze luisterrijke gebeurtenis bij te wonen en, zoals dat toen maar ook nu nog de mode was, de nieuwe vorst toe te juichen.

De privileges die door Robrecht II en Boudewijn VIl tijdens hun bewind aan de stad waren toegestaan werden voorgelezen en Karel legde de eed af op de fierters van de heiligen, deze stedelijke voorrechten te onderhouden en te verdedigen. Zoals het toen de gewoonte was brachten de belangrijkste burgers van de stad na deze ceremonie hulde aan de graaf en zwoeren ze hem getrouwheid "gelijk zij vroeger gedaan hadden aan zijn voorzaten, de natuurlijke heeren des Lands".

De rest van de dag bestond uit huldebetoon van de leenheren, de leenmannen en de burggraven aan het adres van Karel, wat hem als eerste graaf van Vlaanderen van die naam bevestigde, en zoals later zal blijken ook als laatste. Na deze erkenning gaf de graaf al deze die hem trouw hadden gezworen het bezit van hun leengoederen terug die door de dood van Boudewijn VIl, zoals de leenwetten van die tijd bepaalden, terug naar de opvolger van de overleden graaf waren gegaan.

Overeenkomstig deze leenwetten was Karel als leenman huldebetoon verschuldigd aan de koning van Frankrijk, maar ook aan de Duitse keizer voor wat betreft het kasteel van Gent en het land van Aalst.

 

Het complot en nog eens oorlog

De inhuldiging van Karel als Graaf van Vlaanderen ging dus gepaard met een luisterrijk feest en veel gejuich, maar niet iedereen had gejubeld, integendeel. Sommigen moesten knarsetandend toezien hoe de troon werd ingenomen waar zij in de eerste plaats recht op hadden, of toch dachten er recht op te hebben.

Iets eigenaardigs doet zich nu voor. Normaal zou men hebben verwacht dat de graaf van Henegouwen Karels recht op de Vlaamse troon zou betwisten. Was zijn vader niet door Robrecht de Fries uit zijn rechten op het Vlaamse graafschap ontzet nadat alle pogingen van zijn moeder Richildis om hem op die troon te brengen waren mislukt? Dat de graaf van Henegouwen recht had op de Vlaamse troon kan betwist worden, maar het zou wel een goed argument geweest zijn om opnieuw op die troon aanspraak te maken. Maar het was niet de graaf van Henegouwen die het opnam tegen Karel, maar wel Clementia, de echtgenote van Robrecht II, dus in feite Karels tante.

Waarom zij zo fel tegen Karel opkwam is niet duidelijk, tenslotte had hij haar niets misdaan en had ze geen enkele reden om tegen hem enige wrok te koesteren. Maar wat Clementia's redenen ook moge geweest zijn, zij stelde tegen Karel de kandidatuur voor van Willem van leper, ook bekend als Guilaume van Loo, ook een kleinzoon van Robrecht de Fries en onwettelijke zoon van diens jongste zoon Filip. Om haar voorstel te doen aanvaarden had ze echter heel wat steun nodig. Die viel niet zo moeilijk te verkrijgen want Clementia's verzet tegen Karel was voordelig voor enkele edelen die hun rechten beknot hadden gezien door Boudewijn Hapkin en er nu Karel van verdachten dat hij diezelfde anti-grafelijke politiek zou voortzetten.

Deze steun kreeg ze zo goed als onmiddellijk van graaf Hugo Campdaveine van Saint-Pol en graaf Wouter van Hesdin, een machtige heer die voor zijn domein ten zuiden van Saint-Pol leenman van Vlaanderen was. Voorts sloten zich bij haar aan: de graaf van Boulogne en graaf Boudewijn IV van Henegouwen. Dit zijn in feite dezelfde heren wiens vaders in 1071 samen met Richildis een beschamende nederlaag hadden moeten verkroppen in hun oorlog tegen Robrecht de Fries. Om deze sterke coalitie nog steviger te maken, ging ze een tweede huwelijk aan met Godefroi-le-Barbu, de hertog van Brabant die loerde op het graafschap Aalst.

Een vrij machtig leger rukte nu op tegen Karel. Het eerste doel was Oudenaarde dat zonder veel problemen werd ingenomen, in brand gestoken en waarbij een groot gedeelte van de inwoners werd vermoord. Tegelijkertijd ging Hugo de Campdeveine, de graaf van Saint-Pol, tot de aanval over. Om aan zijn oude haat te voldoen, die ontstaan was toen hij in 1117 zijn burcht Ancre aan Karel had verloren, rukte hij op naar Brugge. Maar zover raakte hij niet, wel werd daarbij de Vlaamse kuststreek in vuur en vlam gezet en geplunderd, werden vele burgers gedood en een groot deel van de huizen verwoest.

In allerhaast riep Karel nu zijn heren samen om te beraden hoe de opstand van Clementia en haar bondgenoten kon worden bedwongen. De samenkomst had plaats in de kerk van Sint-Omaars. Heel het Vlaamse ridderschap stroomde toe, zwoer trouw aan Karel en stelde zijn wapens ter beschikking van de graaf.

Zonder verder dralen ging Karel tot de tegenaanval over. Terwijl Hugo de Vlaamse kuststreek aan teisteren was, sloeg Karel het beleg voor Saint-Pol dat zonder veel strijd werd ingenomen en in brand gestoken. Het kasteel van Hugo werd afgebroken en de wal daaromheen gedempt. Er bleef voor Hugo niets anders over dan zijn strijd te staken.

Van Saint-Pol trok Karel nu op naar Hesdin, verjoeg graaf Wouter uit zijn kasteel en zijn domein en schonk dit laatste aan een zekere Anshelm, waar we verder weinig of niets over weten. Daarmee was nog een van de opstandelingen uitgeteld. Van de graaf van Boulogne had Karel verder geen last, die was gewoon thuis gebleven en met Boudewijn van Henegouwen schijnt hij verder ook geen problemen te hebben gehad.

Clementia had nu al haar bondgenoten verloren en stond helemaal alleen met haar echtgenoot Godefroi-le-Barbu die haar tot geen enkele steun was geweest. Het enige wat haar restte was Karel om vrede te smeken. Karel nam hiermee genoegen maar verplichtte haar wel van haar vier domeinen die ze bezat (Diksmuide, Sint Winoksbergen, Aire en Sint Venant) afstand te doen.

Dit gebeurde in 1122 en beëindigde daarbij een nutteloze oorlog die drie jaar had geduurd.

 

De goedheid van Karel

Dat Karel met relatief gemak de machtige coalitie van Clementia had kunnen verslaan is voor een groot gedeelte te wijten aan de steun die hij van de steden kreeg. In de 12e eeuw staan we op een breuklijn tussen de macht van de edelen en de macht van de steden. Karel, net als zijn voorganger Boudewijn Hapkin, had de kant van de steden gekozen terwijl de vijandschap onder de heren van het ridderschap steeds maar toenam waardoor zij hun macht gestadig zagen afnemen.

Het is waarschijnlijk die grafelijke steun aan de steden die Karel de bijnaam De Goede heeft opgeleverd. Dit blijkt o.a. uit enkele gebeurtenissen die zich in 1126 hebben afgespeeld. De winters van 1124 en 1125 waren bijzonder slecht geweest en de winter van 1126 was zo verschrikkelijk bar dat vele mensen, kinderen en dieren doodvroren of van honger omkwamen. Het duurde tot de maand mei voor de bomen hun eerste bladeren begonnen te krijgen. Op woensdag na Sinksen, we waren toen al begin juni, kwam een nieuwe vorst alle hoop op een al magere oogst tenietdoen en rond midden juni vernietigde een nieuwe vorst en onophoudende regens het weinige wat het land nog te bieden had. Vele boeren, wellicht de armsten onder hen, verlieten hun hoeve en trokken naar de steden op zoek naar brood. De meesten en vooral de ouderen en kinderen kwamen om voor ze de poorten van de stad bereikten.

Dit was een heel erge toestand en Karel die de steun van de steden nodig had om zijn autoriteit in het graafschap te handhaven, deed dan ook alles wat in zijn macht lag om deze miserabele toestand te verhelpen.

Hij gaf het bevel dat alle honden en ossen gedood moesten worden, zodat hun eigenaars zouden kunnen overleven met wat die dieren moest onderhouden. Verder verbood hij het brouwen van zwaar bier om koren uit te sparen en liet hij al het beschikbare graan aanslaan dat in de schuren van de rijke boeren was opgestapeld en slechts tegen woekerprijzen werd verkocht terwijl de stedelingen omkwamen van de honger. Een gedeelte van dat graan werd openbaar verkocht aan eerlijke prijzen. Een ander gedeelte werd gebruikt om broden te bakken, die hij vergezeld van zijn aalmoezenier Van der Straeten, in de ergst getroffen steden liet uitdelen. In Brugge alleen al liet hij dagelijks brood uitdelen aan honderd behoeftigen en beval hij dit ook te doen in ieder van zijn burchten in Veurne, Atrecht en Gent. Alleen Gent weigerde te gehoorzamen en liet menigeen voor haar poorten sterven van uitputting. Karel liet aan de stad weten dat dit hem ten zeerste misnoegde maar trad verder niet op tegen de stad.

Het was pas in de zomer van 1127 dat de hongersnood volledig verdween, maar Karel zal dat niet meer meemaken want zoals we verder zullen zien werd hij op 2 maart 1127 vermoord. In ieder geval staat het zonder twijfel vast (er bestaat genoeg documentatie uit die tijd om dit te bevestigen) dat dankzij Karels maatregelen en daadwerkelijke hulp aan de bevolking, een groot gedeelte daarvan heeft kunnen overleven en Karel door zijn daden en bevelen de band tussen de graaf en de steden nog dichter heeft aangehaald.

 

De vijanden van Karel

Tijdens het bewind van Karel de Goede bestond er in Brugge een familie die zich uit de klasse der ministerialen of ambtenaren, bijgevolg aan de graaf onderhorig, had opgewerkt tot een rijke en machtige clan. Aangezien deze familie afstamde van grafelijke onderhorigen kon zij niet tot het ridderschap toetreden. Deze afsluiting van het ridderschap naar onderen was vrij nieuw, want tot dan toe kon praktisch om het even wie zich opwerken tot het ridderschap. Het hoofd van deze familie, een zekere Bertulphe of Berthulf, bekleedde een voorname plaats als proost van Sint-Donaas te Brugge. Bovendien was hij terzelfdertijd aartskapelaan van de graaf, kanselier van Vlaanderen en ontvanger van de graaf als tiendheffer (de tiend was een belasting die overeenkwam met één tiende van de voortbrengselen van een stuk grond). De post van proost was in principe erfelijk, maar aangezien Berthulf afstamde van een onzuiver en misdadig geslacht, zoals we verder zullen zien, werd hem dit recht ontzegd.

Ten tijde van Boudewijn van Rijsel leefde er in Brugge een burggraaf met de naam Boldran, die gehuwd was met een zekere Dedda of Duva. Deze Dedda, die het niet zo nauw nam met haar huwelijksplichten, onderhield een relatie met een zekere Erembout, wapenknecht van haar man en Veurnenaar van geboorte. Deze Dedda had haar minnaar beloofd met hem te trouwen en hem tot burggraaf te verheffen zodra Boldran zou overlijden. Aangespoord door deze belofte zocht Erembout nu naar een kans om zijn meester te doden. Dit lukte tijdens een boottocht op de Schelde. Op een avond stond Boldran volledig geharnast op de rand van het schip naar de oever te staren. Erembout sloop naar hem toe en duwde hij hem met krachtige stoot in het water. Boldran was door zijn wapenuitrusting zwaar geladen, zonk onmiddellijk en kwam niet meer boven. Niemand op het schip had iets gehoord en buiten de moordenaar wist dus niemand wat er precies met Boldran was gebeurd.

Erembout huwde kort daarop met Dedda en met het geld dat Boldran had achtergelaten kocht hij de rechten op het burggraafschap dat door de dood van Boldran vrij was gekomen (zijn huwelijk met Dedda was kinderloos gebleven). Dit was niet het geval met het tweede huwelijk van Dedda. Uit dit huwelijk werden vier zonen geboren: de voornoemde Berthulf die proost werd van Sint-Donaas en kanselier; Haket, die het burggraafschap van Brugge erfde; Wilfied Cnop en Lambert Nappin, onderhorigen zoals hun vader. Niettegenstaande de hoge functies die Berthulf en Hakin bekleedden, slaagden zij er niet in zich als ridders te doen erkennen.

Berthulf, die geen kinderen had, vatte nu het plan op om de dochters van zijn broers uit te huwen aan huwbare jongens van adellijke afkomst. Dit viel best mee want ieder van de huwbare meisjes werd voorzien van een rijkelijke bruidschat. Een van Berthulfs nichten trouwde nu met een zekere Robert, heer van Raeskerke, in de buurt van Diksmuide. Maar volgens de nieuwe ridderwetten verviel een edelman die met een onderhorige was getrouwd na één jaar huwelijk tot graad van onderhorige en verloor hij zijn adellijke titel.

Door een toeval en als gevolg van een of andere twist daagde Robert op een zekere dag een ridder uit tot een duel. Maar deze antwoordde snerend dat het beneden zijn stand was zich te meten met iemand die niet meer van adel was, omdat hij reeds meer dan een jaar getrouwd was met een roturiere. Karel, die bij het geplande duel aanwezig was, moest de beschuldigende ridder gelijk geven, nadat twaalf getuigen bij ede hadden verklaard dat de nicht van Berthulf inderdaad niet van adellijke afkomst was.

moord op Karel de GoedeOp 2 maart 1127 wordt Karel den Goede in de kerk van Sint-Donaas door Bordsiard vermoord.
(Naar een gravure van G.H. Moke, zoals gepubliceerd in "Een andere Geschiedenis van België" van Van Belle)

Robert, die van dit feit schijnbaar niet op de hoogte was op het ogenblik van het huwelijk, ontstak in een vurige woede en verspreidde overal het schandelijke nieuws dat de Erembouts helemaal niet van adel waren zoals toen iedereen geloofde, maar gewoon afstammelingen van onderhorigen.

De Erembouts werden hierdoor het onderwerp van spot en minachting en ontwikkelden nu een diepe haat tegen Karel die ze voor dit schandaal verantwoordelijk achtten. Ze besloten zich te wreken. Ze begonnen met het huis van Van der Straeten, de aalmoezenier van Karel, aan te vallen. Het huis werd volledig vernield en de huisknechten vermoord. Toen Karel dit vernam riep hij zijn raadsmannen samen en stelde hen de vraag welke straf voor deze misdaad aan de woestelingen moest worden opgelegd. Het antwoord luidde: verbrand het huis van Bordsiard, zoon van Lambert Nappin, neef van de proost en de meest fanatieke tegenstander van Karel in de clan. Karel aanvaardde dit vonnis dat meteen tot uitvoering werd gebracht.

Dit leidde ertoe dat de entourage van Karel voor zijn leven begonnen te vrezen en ze drongen er dan ook bij de graaf op aan de grootste voorzichtigheid aan de dag te leggen ten opzichte van de Erembouts. Karel trok zich van deze vriendenzorg niet veel aan want enkele dagen na de uitvoering van het vonnis kwamen enkele bemiddelaars van de proost Karel opzoeken om diens vergiffenis te vragen voor de wandaden van de Erembouts. Karel stemde toe op voorwaarde dat ze zouden beloven in de toekomst dergelijke misdaden niet meer te herhalen.

Ondertussen was heel de familie van Berthulf in een grote hal van de proosts huis samengekomen om te beraadslagen welke houding aan te nemen ten opzichte van Karel. De beraadslaging was volop aan de gang toen de bemiddelaars, terug van Karel, de vergadering verslag uitbrachten. Die bemiddelaars waren in feite vrienden van de Erembouts en waren niet gelukkig met de milde houding van Karel en in plaats van de waarheid te vertellen zoals het hoorde beweerden ze dat Karel hen woedend had ontvangen en er van hem nu of nooit en voor niemand enige vergiffenis te verwachten viel. Hierop sloot Berthulf alle deuren en werd door een soort van conclaaf over het lot van Karel beslist: de dood!

 

De moord

Grenzend aan het paleis van de graaf stond de oude kerk van Sint-Donaas, waar de graaf iedere morgen de vroege mis bijwoonde en de gewoonte had aalmoezen uit te delen. Op 2 maart 1127, een woensdag, begaf Karel zich naar de kerk, gevolgd door enkele wapenknechten die zich in de kerk naar de achterkant terugtrokken zodat Karel alleen voor het altaar kon knielen. Hij had een klein gebedenboek bij zich waarin hij de tekst las die voor die dag was voorzien. Op dat ogenblik werd hij benaderd door een oude vrouw die hem om een aalmoes bedelde. Zonder dralen gaf Karel haar enkele geldstukken waarop de vrouw zich ietwat met dankbetuigingen enkele passen terugtrok. Terzelfdertijd was Bordsiard, in een zware mantel gewikkeld waaronder hij een zwaard verborg, geruisloos de kerk binnengekomen en benaderde hij behoedzaam langs achteren de in gebed verdiepte graaf. Op dat ogenblik trok hij zijn zwaard en raakte lichtjes het hoofd van de graaf, die zich omdraaide en in de ogen van zijn moordenaar keek. De oude vrouw die net een aalmoes had gekregen en het schouwspel gade sloeg, riep verschrikt: "Sire graaf, pas op!". Het was te laat, Bordsiard sloeg met zulk een geweld de schedel in van de graaf dat zijn hersens in het rond vlogen.

Door deze laffe moord zal Vlaanderen in een toestand van anarchie worden gedompeld die maar zal eindigen met de troonbestijging van Diederik van den Elzas.

Bibliografie:
1. DUCLOS, Ad. "Karel den Goede", Uitg. De Zuttere-Van Kersschavern, Brugge 1884.
2. DHONDT, J. Prof. Dr. "Algemene geschiedenis der Nederlanden", Dl II. Vlaanderen tussen 918 en 1128, Standaard Boekhandel, Antwerpen 1950.
3. LEGLAY, Edward. "Histoire des comtes de Flandre", Brussel 1843.

Inhoudstafelnaar hoofdstuk 13

 
 
Over Herman Boel

Herman Boel is voltijds zelfstandig vertaler en auteur van twee skeptische boeken.

Lees meer »
Disclaimer
  • Aansprakelijkheid voor gebruik van de inhoud van de website.

Lees meer »
Browsercompatibiliteit

Deze webstek werkt prima in moderne browsers als Google Chrome, Firefox en Opera en mogelijk ook min of meer goed in Internet Explorer en Safari.

Contact

U kan me contacteren via het het invulformulier.

Online contactformulier »