De geschiedenis van Vlaanderen - Hoofdstuk 11

Boudewijn VII, bijgenaamd de twaalfde graaf van Vlaanderen

Geschreven door: Charles Vanderhaegen - in lichte mate bewerkt door Herman Boel
Gepubliceerd met vriendelijke toestemming van Charles Vanderhaegen. 

Vlaanderen na Robrecht ll

Robrecht II, ook wel van Jeruzalem genoemd vanwege de prominente rol die hij heeft gespeeld tijdens de eerste kruistocht, sneuvelt op 5 oktober 1111 tijdens het beleg van Meaux, waar hij samen met Lodewijk de Dikke, koning van Frankrijk, ten strijde was getrokken tegen Hendrik I die zich, na de dood van zijn broer Willem, meester had gemaakt van Engeland en Normandië.

Clementia, zijn echtgenote, dochter van Willem I, graaf van Bourgogne, had hem drie kinderen geschonken: Boudewijn, geboren in 1093, Willem, geboren in 1094 en overleden in 1109, en Filip, geboren in 1095 en waarschijnlijk nog hetzelfde jaar overleden.

Boudewijn was dus nauwelijks 18 jaar oud toen zijn vader aan zijn einde kwam en had maar weinig ervaring in het bestuur van het graafschap. Dit is waarschijnlijk ook de reden waarom hij steeds een sterke band met zijn moeder heeft onderhouden, wat blijkt uit de aktes die uit die tijd stammen. Vele van die aktes beginnen namelijk met "Ego Balduinus, comes Flandrensium et mea qenitrix comitissa Clementia..." (Vert. "Ik, Boudewijn, graaf van Vlaanderen en mijn moeder gravin Clementia....") wat er op wijst dat Boudewijn zijn moeder nog steeds beschouwde als de gravin van Vlaanderen en zijn macht dus deelde.

Na de plechtige begrafenis van zijn vader in Atrecht, deed hij daar manschap aan de Franse koning Lodewijk de Dikke, die hem voorstelde aan de Vlaamse edellieden die de lijkplechtigheid hadden bijgewoond en hem door de vergadering liet erkennen als Graaf van Vlaanderen, wettelijk opvolger van zijn vader Robrecht II.

Niettegenstaande zijn jonge leeftijd moet Boudewijn een buitengewone zin voor rechtvaardigheid hebben gehad en bovendien goed op de hoogte zijn geweest van de wilde toestand waarin het graafschap verkeerde. Zo goed als onmiddellijk na deze ceremonie, d.i. op 6 oktober 1111, roept Boudewijn alle Vlaamse edellieden op om in Atrecht samen te komen en een Godsvrede te zweren . Hieronder werd verstaan dat alle vijandelijkheden tussen de graven onderling onmiddellijk moesten ophouden. Hierdoor kan de overtreding van de Godsvrede, oorspronkelijk een geestelijke instelling, nu ook door de graaf met wereldlijke sancties worden bestreden

Dit was een eerste maatregel om de orde in het land te herstellen. Men moet weten dat de inwendige politieke toestand van het graafschap tot dan toe werd bepaald door de graaf, die zijn rechten en domeinen zoveel mogelijk poogde te handhaven en de ridders die, elk voor zich, zoveel mogelijk van beiden trachtten in te palmen. De 12e eeuw was ook de eeuw waarin de steden tot stand kwamen en een nieuwe rol gingen spelen in de verhouding tussen de graaf en zijn ridders. De steden waren doorgaans de vijanden van de ridders, die in hun domeinen overal tollen en andere rechten hieven, de handel tussen de steden belemmerden en zich allerlei heerlijke rechten aanmatigden die de stadsbewoner in zijn bewegingsvrijheid hinderden. Bovendien werd die stadsbewoner ook nog regelmatig met geweld van de ridder geconfronteerd.

In deze context lopen de belangen van de graaf en de steden in ruime mate parallel, doordat de handel steeds maar in omvang toeneemt evenals het grafelijk inkomen dat door die handel werd opgebracht onder de vorm van tollen en cijnzen van de stadsgronden. Niemand heeft dus meer belang bij de ontwikkeling van handel en nijverheid dan de graaf. Maar door die ontwikkeling voelen de ridders ook dat hun macht afneemt wat er toe leidt dat deze ridders uit vrees zich steeds weerspanniger en opstandiger gaan gedragen.

Het bestuur van Boudewijn VIl wordt dan ook gekenmerkt door een, met de steun van de steden, versteviging van het grafelijk gezag. Hij is de eerste graaf die meer belang hecht aan orde en vrede dan aan oorlog voeren en dit doet met een voor zijn tijd ondenkbare vastberadenheid.

 

Boudewijns wetten

De eerste wetten die de orde in het graafschap moesten herstellen werden afgekondigd tijdens een algemene staatsvergadering die plaatsvond in leper. Boudewijn nam het woord en deelde aan de aanwezige ridders mee dat hij het graafschap niet alleen zou besturen als heer, maar ook als vader en rechter. Hij zou een einde stellen aan het onrecht dat de kooplieden, de boeren en de stadslieden werd aangedaan en aan de mistoestanden die in het graafschap waren binnengeslopen zoals moord, diefstal, verdrukking van weduwen of afpersing van gemeenten.

De volgende wetten werden onmiddellijk van kracht:

Voortaan had niemand het recht in het openbaar wapens te dragen, wat ook zijn sociale positie mocht was, uitgenomen de baljuws en zij die belast waren met de bescherming van de graaf of van de steden.

Wanneer iemand deze wet overtreedt en iemand daarbij doodt of kwetst, zal hij gestraft worden met de poenía talionis (De wet van oog om oog, tand om tand) tenzij hij kan aantonen dat zijn daad een daad was van zelfverdediging.

Wanneer de beschuldigde wettelijke zelfverdediging inroept moet hij dit kunnen bewijzen, hetzij door een duel met de aanklager of door de proef van het water of het gloeiend ijzer.
(Hierbij werd verondersteld dat, als de beschuldigde het recht aan zijn zijde had, God hem in het duel zou laten overwinnen, hem niet bij de waterproef zou laten verdrinken of hem niet door het gloeiend ijzer zou laten verbranden. Dit primitieve Godsgeloof zal zich doorheen de gehele middeleeuwen handhaven.)

De edelman of de ridder kan zich ook, indien beschuldigd, rechtvaardigen door een eed van zijn onschuld te laten zweren door twaalf van zijn gelijken of door de heer van wie hij de vazal is. De roturier (iemand van niet-adellijke afkomst) kon zich eveneens rechtvaardigen door twaalf van zijn gelijken in stand te laten zweren dat hij onschuldig was.

Struikrovers worden op de plaats van hun misdaad opgehangen.

Alleen de graaf mocht jagen. Hij alleen stelde de opperjager aan, zonder wiens toestemming niemand op jacht mocht gaan, noch vogels in netten vangen, noch enig ander wild stropen. Werd een overtreder van deze wet gevat, dan werd hij ter plekke opgehangen. Hetzelfde lot was diegene beschoren die andermans jachtopbrengst stal of verborg.

Ambtenaren die een misdaad bedreven in plaats van ze te beteugelen en die enkel door een boete werd gestraft, betaalden die boete dubbel.

Eenieder, arm of rijk, man of vrouw, mocht dagelijks zijn klachten bij de graaf komen neerleggen of kennis geven van een of ander gezien of vastgesteld misdrijf. De graaf was de enige die recht kon spreken, het vonnis vellen en de uitvoering ervan beslissen.

Vanaf de dag dat deze wetten werden afgekondigd, droeg Boudewijn altijd op opvallende wijze een bijl bij zich als teken van zijn bloedig recht. Vandaar zijn bijnaam "Hapkin" of "Hapken", waaronder destijds een kleine bijl werd verstaan.

Hierbij moet worden opgemerkt dat de meeste van Boudewijns wetten, waarvan het grootste gedeelte verloren is gegaan, waren geïnspireerd door de oude Salische wetten van Clovis die dus toen zowat zeshonderd jaar oud waren. Het was dus niet dat die wetten of soortgelijke wetten niet vóór Boudewijn bestonden, maar de toepassing ervan was in de loop der eeuwen verloren gegaan, hoofdzakelijk door de voortdurende oorlogen en de lange afwezigheden van de graven die meer op veroveringen uitwaren dan op het handhaven van de orde in hun graafschap.

Ook is het zo dat vele van Boudewijns wetten gewoon een imitatie waren van de Godsvredes die door de bisschoppelijke synodes in de 11e en de 12e eeuw op bepaalde tijden van het jaar in Vlaanderen werden uitgevaardigd en welke meestal een schorsing of wapenstilstand van een of andere vijandelijkheid tot doel hadden.

Zoals reeds gezegd zijn een groot gedeelte van Boudewijns wetten verloren gegaan, maar we vinden ze wel terug, of in ieder geval toch de geest ervan, in de meeste gemeentelijke wetten van die tijd, waar ze zich tot in de late Middeleeuwen hebben gehandhaafd.

 

Boudewijns rechtspraak

Niettegenstaande de strengheid van de Boudewijnse wetten, bleven de gewelddaden niet uit maar de graaf, een schijnbaar onvermoeibare en tegelijkertijd geduchte rechtspreker, trok regelmatig door het land en aanhoorde steeds gewillig om het even wie maar enige klacht had te formuleren over een moord, een brand, een diefstal of een stroperij. Hierbij had Boudewijn het in het bijzonder gemunt op de ridders of de baronnen die weigerden aan zijn wetten te gehoorzamen en daardoor meer als stroopridders werden beschouwd dan als ridders, beschermers van weduwen en wezen, zoals dat toen heette. We vertellen u over twee gevallen die een beeld geven van Boudewijns legendarisch geworden strengheid ten opzichte van de wetsovertreders.

Het eerste geval had te maken met drie oosterse kooplieden die, op weg naar de jaarmarkt van Torhout, halt hielden in een herberg in de Steenstraat te Brugge. Daar vertelden ze aan wie het maar horen wilde dat ze een koffer met fijne gesteenten bij zich hadden die ze 's anderendaags op de jaarmarkt wilden verkopen. Toen een zekere ridder Hendrik van Calloo, van de adellijke familie van Waes, die met enkele vrienden in de herberg aanwezig was, dit vernam besloot hij samen met zijn gezellen zich van die schat meester te maken. Ze wachtten geduldig tot de kooplieden's avonds de herberg verlieten om zich naar Torhout te begeven, volgden hen, en ter hoogte van het bos ter Leepe overvielen ze de verraste kooplieden, vermoorden hen en maakten zich meester van het fameuze koffertje edelstenen, evenals van hun gordels rijkelijk gevuld met gouden en zilveren munten.

De knechten van de kooplieden die hun meesters waren voorgegaan naar Torhout om in een plaatselijke herberg hun nachtverblijf voor te bereiden, en daar op hen wachtten voor het avondmaal, kregen argwaan toen hun meesters niet kwamen opdagen, maar wel de ridder Calloo met zijn gezellen zagen verschijnen. Toen ze bovendien ook nog van enkele andere kooplieden, die iets later de herberg waren binnen gekomen, vernamen dat er ter hoogte van het bos ter Leepe, dit was langs de weg van Brugge naar Torhout, enkele mannen vermoord waren teruggevonden, werden ze helemaal ongerust. Het slechtste vermoedend reden ze meteen naar Leepe en vonden daar hun vermoorde meesters.

De faam van Boudewijn kennende reden ze meteen na hun gruwelijke ontdekking naar het kasteel van Wijnendale waar de graaf op dat ogenblik verbleef, stelden hem op de hoogte van wat er gebeurd was en van hun vermoeden dat de ridder van Calloo en zijn gezellen iets met de moorden te maken hadden. Toen Boudewijn dit vernam steeg hij niettegenstaande het late uur onmiddellijk te paard en reed samen met de knechten en enkele van zijn wachten naar de herberg in Torhout waar de verdachte ridder en zijn kornuiten verbleven. Daar vroeg hij de waard aan welke gasten hij onderdak had gegeven en welke goederen die in bewaring hadden gegeven. Toen de verschrikte waard de goederen van zijn gasten liet zien herkenden de knechten meteen het koffertje met de edelstenen en de geldgordels van hun meesters.

Hierop liet de graaf de ridder en zijn gezellen door zijn wachten gevangen nemen en in Wijnendale opsluiten. Het vonnis was vlug geveld, want reeds 's anderendaags liet hij de gevangenen in een van de zalen van het kasteel samenbrengen. Daar gebood hij hen op een tafel te gaan staan met elk rond de hals een strop die ze zelf aan de haken in de balken van het plafond moesten vastmaken. Daarop duwde de graaf zelf de tafel weg en ondergingen de moordenaars de straf die voor struikrovers was voorzien. De gestolen goederen werden aan de knechten teruggeven met het bevel deze aan de wettige erfgenamen terug te bezorgen.

Een tweede geval deed zich voor te Brugge. Een oudere vrouw kwam bij de graaf, die toen in de stad verbleef, haar beklag doen dat de Jonkheer Pieter van Oostcamp van haar twee ossen had gestolen die hij ondanks haar protest naar de markt had gevoerd om die te verkopen. Zonder dralen liet de graaf de Jonkheer ontbieden en vroeg hem waarom hij die ossen had gestolen. De jonkheer trachtte zich met allerlei verontschuldigingen uit zijn precaire positie te bevrijden, maar de graaf zei: "Uw verontschuldigingen hebben maar weinig verf. Ik zal u een betere verf verlenen". Hierop grepen Boudewijns wachten de dief vast, brachten hem naar de markt, wierpen hem daar in het zicht van iedereen in een ziedende verversketel en gaven de ossen aan de vrouw terug .

Uit deze twee vonnissen blijkt duidelijk dat Boudewijn Hapkin, als het op rechtspraak aankwam, alles behalve zachtmoedig te werk ging en ook niet aarzelde de vonnissen die hij had uitgesproken zelf uit te voeren.

 

Ridderlijke reactie

Dergelijke strenge en voor de lezer van nu niet meer dan een uitermate barbaarse rechtspraak zal de ondernemingsgeest van de Vlaamse adel wel even hebben getemperd, maar een uitbarsting van sommige edellieden tegen dit onvermoeid krachtig grafelijk optreden, die ze als een schending van hun rechten beschouwden, kon niet uitblijven. Dat tonen de volgende gebeurtenissen aan.

Gauthier, graaf van Hesdin, en Hugues Champs-d'Avoine, (men kent hem ook onder de naam Hugo Campdaveine) graaf van Saint Pol, konden Boudewijns rechtspraak niet langer dulden en kwamen tegen hem in opstand. Maar Boudewijn had daar niet veel last van, in feite kwam hem die opstand tegen zijn gezag goed uit. Het was namelijk zo dat hij in het kader van zijn buitenlandse politiek het graafschap naar het zuiden wilde uitbreiden om in samenwerking met de Franse koning een betere strategische positie tegenover Normandië in te nemen. Een van de redenen hiervoor was ongetwijfeld het feit dat Hendrik I, koning van Engeland en Normandië, na de dood van Robrecht II de betaling had stopgezet van de jaarlijkse rente van 400 zilvermarken, die in 1103 met Robrecht was overeen gekomen. Dit was hard aangekomen bij Boudewijn want 400 zilvermarken was in die tijd heel wat geld. Bovendien werd de 12e eeuw o.a. gekenmerkt door een geldontwaarding waardoor de graaf constant in geldgebrek verkeerde. Dit blijkt o.a. uit een oorkonde van 1113, waarin Boudewijn erkent dat Lithnotus, een van de officieren van zijn Hof, hem wettelijk een leengoed heeft afgestaan bestaande uit een landgoed gelegen te Cortabriga in de omgeving van Brugge en waarin verder werd bepaald dat de graaf dit leengoed aan de kerk van St-Truiden in de dode hand (*) afstond tegen (slechts) 25 zilvermarken en het daarom toevertrouwde aan Godebertus, procureur van voorgenoemde kerk.
(*) De dode hand: onder goederen in de dode hand verstaat men goederen die niemands eigendom zijn, maar die duurzaam verbonden zijn aan een kerk of een klooster. Dergelijke goederen vererven dus niet en gaan door hun gebondenheid aan een blijvende bestemming ook niet licht in andere handen over.

Van dan af heeft Boudewijn heel wat leengoed in de dode hand aan kerken en kloosters afgestaan, hetgeen hem blijkbaar genoeg geld heeft opgebracht om zijn ambitie, het graafschap naar het zuiden uit te breiden, te verwezenlijken.

Maar zoals het altijd ging in die tijd, was geld niet voldoende en werd steeds opnieuw de huwelijkspolitiek ingeschakeld. Zo kwam het dat de geplande uitbreiding naar het zuiden in een eerste fase kon verwezenlijkt worden door een goed voorbereid huwelijk van Karel (de latere Karel de Goede), kozijn van Boudewijn, met Margareta van Clermont, die hem het graafschap Amiens als bruidsschat meebracht. Maar om de betrekkingen tussen dit graafschap en Vlaanderen te verzekeren, was het noodzakelijk in het bezit te komen van de burcht Ancre (thans Albert). Omwille hiervan kwam de hierboven vermelde opstand van Hugo goed uit voor Boudewijn: de burcht van Ancre behoorde toe aan Hugo.

Toen Boudewijn de burcht opeiste, weigerde Hugo en brak er onvermijdelijk de oorlog uit tussen de twee graven. De strijd duurde twee jaar en eindigde in 1117 met de inname van Ancre door Boudewijn. Deze schonk de burcht onverwijld aan Karel, die hierdoor als graaf van Amiens en heer van Ancre al als een tamelijk machtige leenheer kon aanzien worden. Boudewijn moet toen al gedacht hebben aan zijn opvolging, want zijn huwelijk met Agnès, dochter van Alain, graaf van Nantes, was wegens familieband door de paus verbroken en kinderloos gebleven. Boudewijn schijnt heel veel van zijn vrouw te hebben gehouden, want hij is nooit hertrouwd en heeft ook nooit nieuwe trouwplannen gehad. Kwam hij te overlijden dan werd Karel van Denemarken dus, als zijn kozijn en kleinzoon van Robrecht de Fries, normalerwijze zijn opvolger.

 

Toch nog oorlog

Deze opvolging zou niet lang op zich laten wachten, want Boudewijn zou weldra de dood vinden in dezelfde oorlog die zijn vader Robrecht II het leven had gekost. In feite was die oorlog tussen de Franse koning en Hendrik I van Engeland om het bezit van Normandië, sedert de slag bij Meaux, nooit opgehouden. Hendrik I van Engeland en Lodewijk de Dikke, koning van Frankrijk, lagen nog steeds overhoop wat dit graafschap betreft.

Toen Lodewijk de Dikke Boudewijn opriep om met hem, net zoals eertijds met zijn vader, tegen Hendrik I ten strijde te trekken, aarzelde Boudewijn geen ogenblik. Het feit dat Hendrik I hem de betaling van die fameuze rente sedert de dood van zijn vader had stopgezet, was al voldoende om aan de zijde van de Franse koning te strijden. Wat Hendrik I betreft, was het feit dat Willem van Normandië, later Clito, zoon van Robert II Curthose, de enige wettelijke rechthebbende was op het graafschap Normandië, door Boudewijn al in 1113 in bescherming werd genomen, eveneens voldoende om Boudewijn als vijand te beschouwen.

Eind augustus 1118 vertrok Boudewijn aan het hoofd van 500 ruiters in de richting van Normandië en stelde zich op voor de poort van Rouen. Omdat de poort gesloten was, plantte Boudewijn er zijn bijl in en riep Hendrik I op tot een tweegevecht, maar Hendrik gebaarde van niets. Rouen was te sterk verdedigd om een aanval te riskeren. Boudwijn trok dan maar op naar de vesting van Eu. U zal zich herinneren dat dit stadje in 925 door de twee zonen van Boudewijn met de IJzeren arm, Arnulf en Adalolf, werd ingenomen. Maar Boudewijn zal deze overwinning van zijn voorouders niet herhalen, want hij werd in de strijd aan het hoofd gewond door een speer, wat hem grotendeels verlamde. De strijd moest worden gestaakt en de Vlaamse troepen keerden terug naar Vlaanderen. Boudewijn werd naar het kasteel van Roeselare gebracht, waar hij enkele maanden later, op 17 juni 1119, na het eten van een vette gans met look aan een indigestie overleed.

Kinderloos gestorven, zal hij worden opgevolgd door zijn kozijn Karel de Goede.

Bibliografie:
1. VERCAUTEREN, Fernand. "Actes des comtes de Flandre 1071-1128", Palais des Academies, Brussel 1938.
2. DHONT, J. Prof. Dr. "Algemene geschiedenis der Nederlanden", Dl. II blz. 88, Standaard Boekhandel Antwerpen 1950.
3. LE GLAY, Edward. "Histoire des comtes de Flandre", Brussel 1843 blz 253.
4. BONENFANT, P. Prof. e.a. "Historische Lectuur'", Uitgave A. De Boeck, Brussel 1843; een perfecte vertaling van de Latijnse tekst van de Lex Salica (Salische Wet) door J.H. Hessels vindt men op blz 24-28.
5. KERCKHOVE, van de Gr. A. "De graven van Vlaanderen", Uitgeverij SINTAL, Leuven 1979 blz. 55&56
6. VERCAUTEREN, Fernand. Dr. "Note critique sur un Charte originale du comte de Flandre Baudoin VII", Imprimerie Disonaise, Dison 1931.

Inhoudstafelnaar hoofdstuk 12

 
 
Over Herman Boel

Herman Boel is voltijds zelfstandig vertaler en auteur van twee skeptische boeken.

Lees meer »
Disclaimer
  • Aansprakelijkheid voor gebruik van de inhoud van de website.

Lees meer »
Browsercompatibiliteit

Deze webstek werkt prima in moderne browsers als Google Chrome, Firefox en Opera en mogelijk ook min of meer goed in Internet Explorer en Safari.

Contact

U kan me contacteren via het het invulformulier.

Online contactformulier »