De geschiedenis van Vlaanderen - Hoofdstuk 10
Het Graafschap Vlaanderen na de eerste kruistocht
Geschreven door: Charles
Vanderhaegen -
in lichte mate bewerkt door Herman Boel
Gepubliceerd met vriendelijke toestemming van Charles
Vanderhaegen.
Robrecht ll: terug van de eerste kruistocht
Na meer dan drie jaar weg te zijn geweest met de eerste kruistocht naar Jeruzalem, komt Robrecht II, zoon van Robrecht de Fries, in de lente van 1100 terug in Vlaanderen. In de kastelen van de edelen en de hutten van de armen wordt er gefeest voor de terugkeer van de kruisvaarders. Wie niet kon feesten waren de vrouwen die tevergeefs uitzagen naar hun echtgenoten of zonen en begrepen, toen die niet kwamen opdagen, dat ze hen ook nooit meer zouden terug zien.
Een onnoemelijk aantal mannen en ook vrouwen, die in september 1096 met de graaf van Vlaanderen of met Godfried van Bouillon naar Jeruzalem waren getrokken, hadden in de loop van die lange tocht naar het Midden-Oosten de dood gevonden. Eén maand voor de val van Jeruzalem was het oorspronkelijke kruisleger herleid tot één tiende). Tijdens de nog geen drieëneenhalf durende kruistocht hebben er, voorzichtig gerekend, 137.000 mensen het leven gelaten, waarvan 76.000 christenen en 61.000 Turken en Arabieren.
Een rechtvaardige oorlog, zoals de Katholieke Kerk het halfweg vorige eeuw nog noemde of een onnodig bloedbad? Misschien allebei. Oorlogen zijn altijd gerechtvaardigd vanuit het standpunt van de overwinnaar en altijd onnodig vanuit het standpunt van de slachtoffers. In ieder geval zijn oorlogen van alle tijden; de mens schijnt er nooit genoeg van te krijgen. Dit was ook wat Robrecht II moest ondervinden, want nauwelijks terug in zijn graafschap kreeg hij al problemen met de Duitse keizer Hendrik IV.
Kort
voordat Robrecht II naar het
Midden-Oosten was vertrokken, had de ambitieuze Duitse keizer het
graafschap Aalst (wapenschild zie
afbeelding)
opgeëist voor de Duitse kroon, evenal de Vier
Ambachten en de Zeelandse eilanden.
De
stadjes en zelfs de dorpen in die streken waren echter tamelijk
goed versterkt en er legerden heel wat soldaten zodat er van een
verovering door de keizerlijke troepen niet veel
terechtkwam. Bovendien, toen de kruisvaarders zich in beweging
zetten, werden heel wat keizerlijke soldaten door de zucht naar
avontuur en het vooruitzicht van grote rijkdom gegrepen. Ze
verlieten het keizerlijke leger en namen dienst onder de banieren
van de prinsen die zich klaarmaakten om de oproep van
Urbanus II te volgen en te trekken naar
dit
land van geneugten, zoals de paus het had genoemd.
Deze troepenvlucht had tot gevolg dat de Duitse keizer van zijn plannen om een gedeelte van het Vlaamse graafschap te veroveren moest afzien zolang de kruistocht duurde. Dit kwam Robrecht II oorspronkelijk goed uit, maar eens terug zon hij op een middel om zich definitief aan die keizerlijke heerszucht te onttrekken. Enkele gebeurtenissen speelden hierbij in zijn voordeel. Geëxcommuniceerd door de paus, bleef de Duitse keizer namelijk koppig zijn strijd tegen de Kerk voortzetten door haar rechten met de voeten te treden iedere keer de mogelijkheid zich voordeed.
De strijd om Kamerijk
Zo gebeurde het dat hij op de bisschoppelijke zetel van Kamerijk een van zijn favorieten, genaamd Gaucher, wilde behouden zien. Die Gaucher was door de kanunniken van de stad verkozen geweest in de plaats van Gérard, de opvolger van de overleden Liébert, maar door Urbanus II eveneens geëxcommuniceerd en afgezet. Bovendien wilden de burgers van Kamerijk zelf hun bisschop kiezen en kozen daarvoor een zekere Manassès. Deze verwarde toestand bracht zoveel problemen mee dat de Kamerijkers besloten hun stad zelf te besturen, dus buiten de bisschoppelijke macht. Dit speelde perfect in de kaarten van Robrecht II die niet aarzelde hen ter hulp te komen om zo moedwillig de Duitse keizer te ergeren en zelfs indien mogelijk Kamerijk aan de keizerlijke macht te onttrekken.
Manassès, ontmoedigd door de weerstand die hij ondervond van de kanunniken, trok zich echter terug en aanvaardde in 1101 het bisdom van Soissons, dat hem zonder verdere problemen werd toegekend. Gaucher, de man van de keizer, had minder geluk. De aartsbisschop van Reims weigerde hem als bisschop van Kamerijk in te zegenen, de burgers van Kamerijk bleven hem vijandig gezind en graaf Robrecht II stond aan de zijde van de burgers van Kamerijk die zelf hun bisschop wilden kiezen.
In deze verwarde toestand kreeg Robrecht een brief van paus Pascalis II die Urbanus II had opgevolgd nadat deze op 29 juli 1099 was overleden. In deze brief schrijft de paus, met een typisch middeleeuwse combinatie van berekende politiek en godgeleerdheid, letterlijk het volgende: "Gezegend zij onze Heer de God van Israël, die in zich de sterkte van zijn macht geopenbaard heeft. Na Uw terugkeer uit Jeruzalem in Syrië (?) streeft gij er naar, door Uw rechtvaardige kruistochten, in het hemelse Jeruzalem te treden Wij brengen, bijgevolg, hulde aan Uw wijsheid, vermits gij onze bevelen aangaande het bisdom Kamerijk hebt uitgevoerd. Wij bevelen U nu hetzelfde te ondernemen tegenover de valse geestelijken, die uit het bisdom Luik geëxcommuniceerd werden En bestrijd daarom Hendrik, hoofd der ketters, en zijn trawanten, uit al Uw krachten, niet alleen in deze streek maar overal waar gij daartoe gelegenheid zult vinden Wij bevelen dit aan U en aan Uw ridders opdat gij vergiffenis Uwer zonden en de bescherming van de apostolische zetel zoudt bekomen. Door zulke daden en zulke successen zult gij, met de hulp des Heren, het hemelse Jeruzalem verkrijgen". Deze persoonlijk aan hem gerichte apostolische brief rechtstreeks uit Rome was voor Robrecht II een aanmoedigende reden om zijn anti-keizerlijke politiek verder te zetten.
Maar Hendrik dacht er anders over. Al die pauselijke bemoeienissen beu, kwam de keizer in 1102 naar Vlaanderen, vastberaden om eens en voor altijd een einde te stellen aan deze toestand die op een onduldbare wijze zijn gezag aantastte. De jonge graaf van Henegouwen, Boudewijn III, de zoon van Boudwijn II die tijdens de kruistocht was omgekomen, koos de zijde van de keizer samen met meerdere Lorreinse heren die de keizer, niettegenstaande de banvloek die op hem rustte, trouw waren gebleven. Het keizerlijk leger slaagde erin via de Mark Antwerpen tot aan het versterkte stadje Sluis in Zeeland door te dringen, het te overrompelen en het in brand te steken. Hierbij moesten heel wat soldaten van de graaf het leven laten.
Na dit eerste succes wilde de keizer verder in het graafschap doordringen. De aankomende winter met zijn regens en sneeuwbuien verplichtte hem zich terug te trekken in de richting van Lotharingen. Bij deze terugtocht kon hij het niet laten toch nog een omweg te maken langs Kamerijk, om aan de Kamerijkers te laten zien dat het nog steeds de keizer was die over de bezetting van de bisschoppelijke zetel had te beslissen. Daarna trok hij naar Luik.
Hoewel de keizer zich naar Lotharingen had moeten terugtrekken, moet Robrecht toch niet helemaal gerust geweest over de toekomst. Hij was waarschijnlijk bevreesd dat zijn land in de volgende lente verder verwoest zou worden door de keizerlijke troepen. Daarom ging hij de Duitse keizer in Luik opzoeken om samen te overleggen en een einde te stellen aan de vijandelijkheden. Ook de keizer moet niet zo zeker zijn geweest over het verdere verloop van de strijd, want hij stemde meteen in met een gesprek, dat vrij goed verliep. Over Kamerijk werd nauwelijks gesproken, wel werd er o.a. overeengekomen dat Dowaai (Douai), dat door de graaf van Henegouwen als onderdeel van zijn graafschap werd beschouwd, onafscheidelijk deel uitmaakte van het Vlaamse graafschap. Robrecht van zijn kant verplichtte zich aan de Henegouwse graaf, als compensatie, een bedrag in goud en/of zilver te betalen dat overeen kwam met de waarde van het voor hem verloren gegane gebied. Of Robrecht zich ooit aan die betalingsverplichting heeft gehouden, vermeldt de geschiedenis ons niet.
In ieder geval, na de overeenkomst met Robrecht, was Hendrik nauwelijks teruggekeerd naar Duitsland of de burgers van Kamerijk zetten Gaucher, de man van Hendrik, af en kozen in zijn plaats een vriend van Robrecht: Eudes, abt van Sint-Maarten te Doornik. Gaucher voelde zich ernstig verongelijkt en haastte zich naar de keizer om te klagen. Hendrik IV was echter ondertussen, in 1105, door zijn zoon verraden, door deze gevangen gezet en gedwongen van de regering afstand te doen. In 1106 slaagde hij er wel in te ontsnappen en naar Luik te vluchten, waar hij met de steun van de burgers onderdak had kunnen vinden. Na het eerdere verraad in 1097 door zijn oudste zoon Koenraad, moet dit nieuwe verraad van zijn tweede zoon hem zeer diep hebben getroffen. Hij overleed immers kort daarop op 7 augustus 1106. Zijn jongste zoon, die hem dus verraden had, volgde hem op als Hendrik V.
Robrecht ll versus Hendrik V.
De verongelijkte Gaucher wendde zich tot de nieuwe keizer en vond bij hem gelukkig dezelfde steun die hij destijds van Hendrik IV had genoten. Het was namelijk zo dat Hendrik V net zoals zijn vader weigerde zich naar het pauselijke verbod van lekeninvestituur te gedragen. Gaucher maakte van deze gezindheid van de nieuwe Duitse keizer handig gebruik om door allerlei jammerklachten diens irritatie tegen de Kamerijkers en hun beschermheer Robrecht II op te wekken.
Hij had ondertussen ook Boudewijn III, de graaf van Henegouwen, kunnen overhalen zijn ambassadeur naar Hendrik V te sturen om hem mee te delen dat hij niet langer de plagerijen van Robrecht II kon dulden. Deze had, zo beweerde hij, tegen alle regels van het recht in, de domeinen van het keizerrijk ten oosten van de Schelde onder de voet gelopen en zich meester gemaakt van het bisdom Kamerijk. Hendrik V geloofde hem maar al te graag en stuurde daarop aan al zijn prinselijke leenmannen een brief waarin hij hen opriep hem met hun soldaten naar Luik te komen en zich rond hem te scharen om tegen Robrecht II op te trekken. Hieraan werd schijnbaar zonder veel moeite gehoor gegeven want met dit verenigd leger trok de Duitse keizer vanuit Luik nu via Henegouwen naar Vlaanderen, stak bij Valenciennes de Schelde over en sloeg het beleg voor de burcht van Dowaai, op de rechteroever van de Scarpe.
De burcht van Dowaai was een van de sterkst verdedigde kastelen ten westen van de Schelde en het beleg van Hendrik haalde dan ook niet veel uit. Na drie dagen belegering gingen de keizerlijke troepen tot de aanval over, maar stootten daarbij op zulk een hardnekkige weerstand vanwege Robrechts soldaten dat meerdere ridders van het keizerlijk leger werden gedood en de keizer zich uiteindelijk verplicht zag zich terug te trekken. Hij riep daarop de belangrijkste ridders samen voor overleg, maar deze waren gezien de geleden verliezen niet geneigd de strijd voort te zetten en drongen er bij de keizer op aan vrede te sluiten met Robrecht. Hendrik moet zelf moe zijn geweest van de strijd want hij stemde in met hun voorstel. Hij liet Robrecht weten dat hij met hem wilde praten, wat dan ook gebeurde. In een kroniek van die tijd kunnen we lezen: "alors 1'empereur regut le comte de Flandre à homme et furent bons amis ensemble" (*).
(*) Vertaling: "dan ontving de keizer persoonlijk de graaf van Vlaanderen en ze werden samen goede vrienden".
Maar die nieuwe noodgedwongen vriendschap duurde niet lang, want nadat Hendrik het beleg van Dowaai had opgegeven vertrok hij met zijn leger in zuidelijke richting naar Kamerijk. De stad had weinig of geen verdediging en Hendrik kon er zich dan ook zonder veel moeite meester van maken. Eudes, de vriend van Robrecht, door de Kamerijkers benoemd tot bisschop, kon echter samen met een groot gedeelte van de clerus tijdig vluchten. De achtergebleven meisjes en vrouwen zochten verschrikt bescherming in de kerk, beseffende wat hen te wachten stond toen ze al die gewapende en geharnaste Duitse, Slavische, Lotharingse en Saksische ridders de stad zagen binnenstromen. Maar uiteindelijk viel het allemaal nogal mee, dank zij het gedeelte van de clerus die Gaucher trouw waren gebleven en Hendrik met het grootst mogelijk erebetoon tegemoet traden. Gaucher zelf drong er bij de keizer op aan niet al te ruw tegenover de burgers van Kamerijk op te treden en eerder te trachten hen op zijn hand te krijgen door hen met redelijkheid te behandelen.
Hendrik stemde toe, maar hij liet wel uitroepen dat alle burgers zich voor hem moesten verzamelen en hij hen zou toespreken. Niemand dierf aan deze oproep te weerstaan uit vrees het leven te verliezen. Hendrik sprak hen hard toe, verweet hen dat ze het hadden aangedurfd de rechten van de keizer met de voeten te treden, een vrije gemeente te hebben opgericht en een bisschop te hebben benoemd tegen de wil van God en de keizer. Het charter van de vrije Kamerijkse gemeente werd verscheurd en hij liet de burgers, met al zijn ridders als getuigen, zweren dat ze nooit meer iets tegen de keizerlijke wil zouden ondernemen. En om de uitvoering van deze eed veilig te stellen werden de oudste zonen van de belangrijkste burgers als gijzelaars genomen. Ze werden niet gevangen gezet, maar Hendrik kende ze toe aan zijn belangrijkste prinsen die er moesten op waken dat ze niet uit hun gijzeling ontsnapten.
Na de onderwerping van Kamerijk bleef de oorlog nog een tijdje aanhouden, maar Hendrik werd zodanig overstelpt door allerlei eisen van zijn onderdanen dat hij niet meer precies wist wat te doen. Boudewijn III van Henegouwen wou Dowaai terug, maar Hendrik had geen zin om opnieuw naar die versterkte stad op te rukken. De Hollandse graven wilden Zeeland terug en de hertog van Lotharingen wilde ook wel graag een stukje van een verslagen Vlaanderen. Maar Hendrik had er genoeg van en, feitelijk min of meer ontmoedigd door een veldtocht die hem niets had opgebracht, besloot hij terug te keren naar Duitsland.
Vrede
Niet alleen Hendrik V moet genoeg hebben gehad van een oorlog die nu al acht jaar aansleepte (we zijn in 1108), maar ook Robrecht vond het beter om een punt te zetten achter die nutteloze veldtochten, die niets anders opleverden dan verwoeste hoeven, verwaarloosde landerijen en de onvermijdelijk daarmee gepaard gaande algemene verarming van een boerenbevolking die zelfs in gewone tijden alleen maar met de grootste moeite kon overleven. Daarom besloot Robrecht de keizer te gaan opzoeken om met hem vrede te sluiten.
Die samenkomst gebeurde te Mainz op kerstdag 1108. De keizer scheen zo opgetogen wegens het bezoek dat hij ter gelegenheid hiervan een speciale rijksdag liet organiseren. De oude vijandschap scheen verdwenen en de vrede die tussen beide vorsten werd gesloten was heel gunstig voor Robrecht. Het akkoord dat indertijd tussen Hendrik IV en Robrecht II was afgesloten en waarbij Dowaai als een onafscheidelijk deel van het Vlaamse graafschap werd erkend werd nu ook door Hendrik V bevestigd. Daarbij kreeg Robrecht ook nog het slotvoogdijschap over Kamerijk toegewezen, een soort protectoraat, tot er een vredige prelaat voor de bisschoppelijke zetel zou worden benoemd. Over de Vier Ambachten, die Hendrik IV reeds in 1093 van Robrecht had opgeëist, werd niet meer gesproken.
In dit verband moet worden vermeld dat Robrecht, kort na zijn terugkomst uit het Nabije Oosten, had getracht om de Vier Ambachten van het bisdom Utrecht, waarvan de prelaten door de keizer werden benoemd, los te maken. Hij had daarom een zekere Tanchelinus, een vurige aanhanger van de Gregoriaanse hervormingsgedachte (*) naar Rome gestuurd om er van de paus te bekomen dat de Vier Ambachten van het bisdom Utrecht zouden worden afgescheiden en aan het bisdom Doornik toegevoegd. Maar Tanchelinus' opdracht mislukte, het Utrechtse bisdom bleef onaangeroerd. Die Tanchelinus zal enkele jaren later beschouwd worden als een ketter en in 1115 te Antwerpen worden vermoord.
(*) De Gregoriaanse hervormingsgedachte ging uit van paus Gregorius VIl, die in 1074 het volgende had bepaald: "Wie voor geld een kerkelijke wijding heeft ontvangen heeft daarop geen recht. In het vervolg mag niemand -op straffe van excommunicatie- een kerkelijk ambt kopen of verkopen. In ontucht levende geestelijken mogen aan het altaar geen functie uitoefenen". Het is deze pauselijke hervormingsgedachte die aanleiding heeft gegeven tot de investituurstrijd.
Dat Hendrik V een dergelijke toegevendheid aan de dag legde wat betreft Kamerijk en verder het probleem met de Vier Ambachten onaangeroerd liet, is waarschijnlijk te wijten aan het feit dat hij bezig was een leger samen te stellen om naar Italië op te rukken en te trachten door een akkoord met paus Pascalis een einde te stellen aan de investituurstrijd. Hendrik V wist ook dat Robrecht II met Pascalis II uitstekende betrekkingen onderhield en altijd kon rekenen op de hulp van de Franse koning. Het was dus beter deze als vriend te hebben dan als vijand. Robrecht had nu de handen vrij om zich met andere zaken bezig te houden, maar zal daarbij verwikkeld raken in een nieuwe oorlog, deze keer tussen Engeland en Frankrijk.
Robrecht II, Lodewijk de Dikke en Hendrik 1
Kort voor Robrechts vertrek naar Palestina was de koning van Engeland, Willem de Veroveraar, overleden ( in 1087). Hij liet drie zonen na: Robert bijgenaamd Corthose of Courtheuse; Willem bijgenaamd Rufus of de Roodharige, en Hendrik bijgenaamd Beauclerc. Robert erfde Normandië als hertog Robert III, Willem erfde Engeland als koning Willem II en Hendrik erfde alleen de stad Avranches en het graafschap Coutances in Basse Normandie.
Willem, die Engeland had geërfd, was een woesteling die zich Normandië toeëigende toen zijn broer Robert op kruistocht was. Maar kort daarop, in 1100, werd hij tijdens een jacht dodelijk gewond. Of het om een ongeval of moord ging weten we niet, maar we kunnen eerder het tweede veronderstellen. Willem was immers een tiranniek heerser die zowel bij de adel als bij de Kerk veel vijanden had gemaakt. In ieder geval maakte Hendrik hiervan gebruik om zich van de Engelse troon meester te maken als Hendrik I. Hij was daarmee niet tevreden en profiteerde van de afwezigheid van Robert om zich ook Normandië toe te eigenen. Toen Robert in 1106 van Palestina terugkwam, liet Hendrik hem gevangen nemen en opsluiten in het fort van Cardiff waar hij in 1134 na 28 jaar gevangenschap overleed.
Robert
liet een zoon achter die zoals zijn grootvader ook luisterde naar
de naam van Willem. Hendrik had getracht ook hem gevangen te nemen,
maar dit mislukte toen hij door de Franse koning Lodewijk
VI (afbeelding), bijgenaamd de Dikke, in bescherming
werd
genomen en naar het schijnt zelfs geadopteerd werd. Lodewijk hoopte
de jongen te kunnen gebruiken als drukmiddel om de ambities van de
Normandische hertog in bedwang te houden.
Lodewijk vertrouwde Hendrik namelijk niet. Hij beschouwde de staten Normandië en Engeland als een soort van persoonlijke unie, die een bedreiging vormde voor Frankrijk. Maar ook Hendrik was niet helemaal gerust in Lodewijks bedoelingen. Om hem gunstig te stemmen beloofde hij hem de burcht van Gisors, een formidabele vesting gelegen op de grens van Normandië en de Franse kroondomeinen, af te breken indien Lodewijk, die deze burcht als een bedreiging voor zijn domeinen aanvoelde, dit zou eisen. Maar toen Lodewijk hem iets later vroeg zijn belofte in te lossen en de burcht te slopen, weigerde Hendrik hierop in te gaan. Lodewijk verklaarde hem hierop, in naam van de zoon van Robert, de oorlog. Lodewijk rekende daarbij op de sympathie en de steun van de Normandiërs die aan de wettelijke opvolger van Robert trouw waren gebleven en Hendrik eerder beschouwden als een usurpator dan als hun rechtmatige hertog.
Tegelijkertijd deed Lodewijk beroep op de graaf van Vlaanderen om hem bij te staan in zijn strijd tegen Hendrik. Robrecht stemde onmiddellijk toe, want na de dood van Filips I, de Franse koning en vader van Lodewijk de Dikke, was hij er zich van bewust geworden dat een Engelse macht in Normandië, niet alleen voor Frankrijk, maar ook voor Vlaanderen een gevaar kon betekenen. Hij had zich dan ook ontslagen gevoeld van zijn leen met Hendrik I van Engeland.
U herinnert zich mogelijk nog dat Willem de Veroveraar tijdens het bewind van Boudewijn V aan hem een leen in geld had toegestaan van een jaarlijkse rente van 300 zilvermarken in ruil voor diens neutraliteit in zijn veroveringsoorlog tegen Engeland. De betaling ervan had hij echter in 1075, kort na de Deense bedreiging stop gezet toen Robrecht de Fries een bondgenootschap had gesloten met de Deense koning Knut IV.
Toen Robrecht van Palestina was teruggekomen had hij zich dit leen herinnerd en was hij in contact getreden met Hendrik om, nu de Deense bedreiging niet meer bestond, de hervatting van de betaling van de rente te eisen, maar dan wel quasi pro imperio, d.w.z. zonder tegenprestatie. Maar Hendrik weigerde op dit verzoek in te gaan omdat, zo zei hij, de Engelse koningen niet de gewoonte hadden om rentes te betalen aan de graven van Vlaanderen. Indien Robrecht echter van gedachte mocht veranderen, dus wel zou akkoord gaan met een tegenprestatie, was hij wel bereid een rente toe te staan indien de omstandigheden hem dit toelieten.
Robrecht II sneuvelt bij de bestorming van Meaux in de
Frans-Engelse oorlog van 1111.
Robrecht veranderde daarop zijn politiek ten opzichte van Hendrik. In 1103 had hij een onderhoud met de Engelse koning te Dover en werd er een akkoord bereikt waarbij Hendrik jaarlijks een rente van 400 zilvermarken aan de Vlaamse graaf zou betalen tegen diens verbintenis de Engelse koning bij te staan in geval van oorlog, onder voorbehoud echter van de trouw die de graaf aan zijn leenheer, de Franse koning Filips I verschuldigd was. Indien deze laatste het plan zou opvatten Engeland binnen te vallen zou de graaf alles in het werk stellen om hem van dit voornemen te doen afzien, zonder echter gebruik te maken van niet-loyale middelen.
Dit eigenaardige verdrag laat ons een van de vele facetten zien van het leenstelsel. Een leenman kon meerdere leenheren dienen en lenen werden niet altijd toegezegd in onroerend goed. Er waren ook lenen in geld, zoals die die werd afgesloten tussen Robrecht II en Hendrik I.
Weer oorlog, de laatste voor Robrecht ll
In de zomer van 1111 rukt Lodewijk de Dikke met zijn bondgenoten op tegen Normandië en valt op verschillende plaatsen tegelijkertijd het land binnen. Hendrik had het hard te verduren. Hij verloor dorpen en kastelen en moest zowel vechten tegen de invallers als tegen de aanhangers van Robert, zijn broer die nog steeds opgesloten zat in het fort van Cardiff. Maar hij had ook de geldelijke steun van Engeland en dat liet hem toe een bondgenoot van Lodewijk om te kopen. Het betrof Thibault IV, graaf van Blois en Chartres, die ook graaf van Meaux en Troyes was onder de naam van Thibault II. Zijn broer Stefanus van Blois zal later (in 1135) tot koning van Engeland worden gekroond.
Dit verraad vanwege Thibault wekte de woede op van Lodewijk die, om zich op Thibault te wreken, zijn leger op Meaux richtte en het land daaromheen in vuur en vlam zette. Robrecht, die de Franse koning was gevolgd tot voor Meaux, legde samen met hem het beleg voor de hevig versterkte stad. De inwoners trachtten verschillende keren het beleg te doorbreken maar werden iedere keer door het koninklijk leger teruggedreven.
Tijdens de laatste aanval, op 5 oktober 1111, met het zwaard in de hand, achtervolgde Robrecht aan het hoofd van zijn ridders de teruggedreven Meldois tot op de neergelaten valbrug. De brug bezweek onder het gewicht van de geharnaste ridders en Robrecht viel in de walgracht en werd verpletterd door de vallende brokstukken van de gebroken brug. Zijn gebroken lichaam werd later door zijn soldaten van onder het puin gehaald en naar Arras gebracht waar hij begraven werd in het klooster van Sint-Vaast.
Zijn enige overlevende zoon Boudewijn, volgde hem op als Boudewijn VIl, later bijgenaamd Hapkin of ook wel met de Bijl.
Nog iets betreffende Clementia, de weduwe
We hebben gezien dat Robrecht II gehuwd was met Clementia, dochter van graaf Willem I van Bourgogne. We hebben ook gezien dat Clementia een buitengewoon begaafde vrouw was en ook zeer stoutmoedig was, wat blijkt uit de kronieken van Herman van Doornik. Van hem weten we dat ze zogenaamde vrouwenkunstjes toepaste om niet zwanger te worden. Deze uitdrukkelijke vermelding van contraceptie is een unicum voor de 12e eeuw.
Dat ze die vrouwenkunstjes toepaste was uit vrees dat bij het krijgen van meerdere zonen, zij zouden vechten voor de erfenis van hun vader. Maar haar vrees was nutteloos want haar drie zonen stierven vóór haar. Dit was volgens voorgenoemde kroniekschrijver een straf van God, want uiteindelijk ging het graafschap naar een neef van haar echtgenoot, de latere Karel de Goede, in wiens opvolging als graaf van Vlaanderen zij wel nog een belangrijke rol zal spelen.
Bibliografie:1. VAN PUT, Em. "Het graafschap Vlaanderen", uitgave van de provinciale
cultuurdienst 1949 blz. 50.
2. LEHMAN, Johannes. "De kruisvaarders", Forum boekerij, Baarn 1976.
3.
BONENFANT, P. Prof. "Historische lectuur", vertaling van de Latijnse
tekst door Sigebertus van Gemblours. Uitgave A. De Boeck, Brussel 1948
blz. 57.
4. LE GLAY, Edward. "Histoir de comtes de Flandre", Brussel 1843 blz.
246
5.
VERCAUTEREN-DESMET, L. "Etude sur les rapports politiques de
l'Angleterre et de la Flandre sous le règne du comte Robert II",
Nouvelle Société D'Editions, Brussel 1937 blz. 6&7.
6. HEMPTINE de, Thérèse. "De gravinnen van Vlaanderen in de 12e eeuw",
Uit Spiegel Historiael nr 9 van 1980, blz. 451.
Inhoudstafel - naar hoofdstuk 11
