De geschiedenis van Vlaanderen - Hoofdstuk 9
Het Graafschap Vlaanderen en de eerste kruistocht: Robrecht van Jeruzalem
Geschreven door: Charles
Vanderhaegen -
in lichte mate bewerkt door Herman Boel
Gepubliceerd met vriendelijke toestemming van Charles
Vanderhaegen.
Van Robrecht I naar Robrecht II
Op 13 oktober 1093 overlijdt Robrecht I (De Fries), 10e graaf van Vlaanderen. Hij wordt begraven in de Sint-Pieterskerk te Kassel, waar hij in 1071 de verenigde legers van Henegouwen en Frankrijk had verslagen en zo het onbetwiste recht had verworven op de Vlaamse grafelijke titel.
Hij wordt opgevolgd door zijn zoon Robrecht II, toen 28 jaar oud. Ondanks zijn jonge leeftijd had hij al heel wat ervaring in het besturen van het graafschap. Zoals we reeds eerder hebben gezien, was Robrecht I in 1085 naar Palestina getrokken en had zijn zoon aangesteld om tijdens zijn afwezigheid de grafelijke macht waar te nemen. Dat heeft hij deels goed gedaan en deels minder goed.
Het goede gedeelte: het is Robrecht II die gedurende de zes jaar dat zijn vader weg was, de hele hiërarchische structuur van het grafelijke hof vorm heeft gegeven met aan het hoofd de kanselier, die tijdens de afwezigheid van de graaf het rekenhof voorzat. Onder hem stonden dan de drosten of baljuws; verder onderaan de ladder de opperstalmeesters en ten slotte de kamerheren.
Wat pracht en praal betreft kon het Vlaamse grafelijke hof toen met om het even welk koninklijk hof van die tijd wedijveren. Maar pracht en praal verrijken niet, en dat was het minder goede gedeelte van het beleid van Robrecht II. Toen Robrecht I van zijn pelgrimstocht terug kwam vond hij een lege schatkist. Om die terug gevuld te krijgen bedacht hij de zogenaamde jus spolii, wat men zou kunnen vertalen door recht op overschot. Dit recht bestond er in dat de graaf recht kon doen gelden op de bezittingen van de geestelijken die binnen de grenzen van het graafschap overleden.
U kan
zich
voorstellen dat de Kerk hier allesbehalve mee ingenomen was en de
clerus richtte zich dan ook tot paus Urbanus II
om
Robrecht (foto)
te bewegen deze
voor de Kerk zo schadelijke belasting op te heffen. De paus schreef
daarop een lange brief aan Robrecht waarin hij hem vroeg in de naam
van Christus, vertegenwoordigd door de klerken (de geestelijken),
van de toepassing van die jus spolii te willen
afzien.
Maar Robrecht deed niet eens de moeite om op die pauselijke brief
te antwoorden. Hierop zond Urbanus II een pauselijke delegatie naar
de abdij van Sint-Bertijn, waar Robrecht toen verbleef, met het
uitdrukkelijke verzoek in de naam van het concilie onmiddellijk het
innen van de belasting stop te zetten en alles aan de Kerk terug te
geven wat reeds door toepassing van die belastingswet aan de Kerk
was ontnomen. Gebeurde dit niet dan zou het interdict
worden opgelegd waardoor alle religieuze diensten, missen,
doopsels, huwelijken, biechten, berechting, begravingen e.d. in het
gehele graafschap zouden worden opgeschort.
Een dergelijke bedreiging was in die tijd schrikbarend want de uitvoering ervan kon op zeer korte tijd de staat totaal ontredderen. Er bestond in die tijd immers geen ambtenarij bestond zoals wij dat nu kennen. De gehele administratie van de staat berustte in de handen van de geestelijkheid. Zij waren de enigen die konden lezen en schrijven en ook de enigen die de wetten des lands door allerlei bedreigingen in Gods naam min of meer konden doen eerbiedigen.
Robrecht begreep dan ook dat hij niet lang kon weigeren aan de pauselijke injunctie gehoor te geven zonder zijn bestuur in een chaos te herschapen. Bovendien kon hij zich ook niet veroorloven met de paus in onmin te leven. De macht van de Kerk was toen te groot. Dat had Gregorius VII in 1077 reeds bewezen toen hij de Duitse keizer Hendrik IV had gedwongen de beschamende tocht naar Canossa te ondernemen. Robrecht liet dan ook zonder dralen aan de paus weten dat hij zich naar diens wil schikte en dat de gewraakte belasting zou worden afgeschaft.
Hiermee was de vrede met de paus hersteld. Dat was op termijn voordelig voor Robrecht II. Er zijn immers spectaculaire gebeurtenissen op komst die de Middeleeuwen voor altijd zullen tekenen: de Kruistochten en in het bijzonder de eerste kruistocht, waarin Robrecht II een heel belangrijke rol zal spelen en waardoor hij gedurende de volgende duizend jaar bekend zal blijven als Robrecht van Jeruzalem.
De islam rukt op
In de 7e eeuw was er in het steppeland van Arabië een man opgestaan die zich Mohammed noemde en de stuwkracht vormde achter een politiek-godsdienstige organisatie die alle Arabieren zal samenbinden in een nieuw geloof dat men de Islam (<Ar. `islám = onderwerping 'aan de wil van God' ) noemt, vervat is in de Koran (<Ar. qur'an = hij las hardop) en de djihad (<Ar. verkort v. djihad fl sabil Allah = inspanning op de weg Gods) predikt, d.i. de gewapende strijd (ook heilige oorlog genoemd) die de gebieden van de ongelovigen voor de waarheid moet veroveren. De aanhangers van deze nieuwe godsdienst noemde men moslims (<Ar. muslim = belijder) of ook nog muzelmannen (<Perz. muslimán = dezelfde betekenis als het Arabische muslim).
Nog geen twee jaar na de dood van Mohammed (632) had de islam zich volledig meester gemaakt van Arabië en zocht nu uitbreiding. In 636 veroveren de Mohammedaanse volgelingen Syrië en in 638 valt ook Jeruzalem in hun handen, twee plaatsen die toen tot het Byzantijnse Rijk behoorden. In 642 wordt Egypte met de machtige stad Alexandrië veroverd. In 698 valt de stad Carthago en in 709 is heel Noord-Afrika aan de islam onderworpen. In 711 steken ze de Middellandse zee over, landen op de Spaanse kust en veroveren Sevilla, Córdoba en Toledo. Omstreeks 714 worden ook Aragon en Catalonië bezet zodat het Islamitische Rijk zich nu uitstrekt van Syrië over Noord-Afrika tot aan de Pyreneeën.
In 719 overrompelen ze de stad Narbonne in Zuid-Frankrijk, dringen door tot in Aquitanië en verwoesten in 732 Bordeaux. Naar het noorden bereiken ze Poitiers waar ze voor de eerste keer in hun opmars gestuit worden door het leger van Karel Martel. De offensieve kracht van de muzelmannen werd hierdoor in het westen van Europa aanzienlijk gebroken en verplichtte hen zich tot over de Pyreneeën terug te trekken. Later zal Karel de Grote in Spanje tot aan de Ebro doordringen. Het door hem op de islamieten veroverde gebied (Catalonië) zal naderhand het uitgangspunt vormen voor de zogenaamd reconquista (herovering) op de Islam in Spanje.
De opmars van de Mohammedanen was hierdoor echter nog verre
van
gestuit. In 831 landden ze op Sicilië en veroverden ze
Palermo, Messina en Syracuse. In 846 slaagde een kleine groep
islamitische soldaten de Sint-Pietersbasiliek te Rome te
plunderen.
Zo goed als ongestoord trokken ze toen naar het noorden van
Italië, staken de Alpen over, drongen het Rhonedal binnen,
staken het klooster van Sint-Mauritius in brand en namen in 970
bezit van het Clunyklooster bij de Grote Sint-Bernhard.
In 973 keerde het tij even wanneer de Byzantijnse keizer Jan Tzimisces Syrië heroverde, Damas innam en vandaar uit slaagde tot in Galilea door te dringen. Maar van zijn plan om ook nog Jeruzalem op de islam te heroveren moest hij afzien toen zijn leger vanuit het noordwesten, d.i. vanuit Libanon, door de Arabische troepen in de flank werd bedreigd en hij naar Constantinopel moest terugkeren.
In 1005 trekt de zesde kalief, Al Hakim bi-amr Allah uit de dynastie der Fatimides, vanuit Noord-Afrika Palestina binnen, slaagt erin zich in Jeruzalem van goddelijke afkomst te doen verklaren en laat daarop in 1009 de Heilige Grafkerk met het Heilig Graf verwoesten. Hij wordt vermoord in 1021.
Ondertussen
had de
Islam zich ook naar het oosten uitgebreid. Bagdad was ingenomen,
heel Perzië veroverd, in Indië werd de Indus overgestoken
en de volgelingen van Mohammed waren tot in het huidige Pakistan en
Turkmenistan doorgedrongen. Het is vanuit dit dorre steppeland dat
er rond 1050 een Turkse stam, de Seltsjoeken,
op
de voorgrond treed. Hun hoofdman Toghrilbeg,
die
zich als eerste sultan noemt (<Ar. sultán
= macht,
ook autoriteit) trekt met zijn leger naar Bagdad, dringt zich daar
in 1055 op als plaatsvervanger van de kalief en kent zich
vervolgens in 1058 de titel toe van Koning van het Oosten en
het Westen. Met het 'Westen' bedoelde hij natuurlijk het
Byzantijnse Rijk waarvan de opulente rijkdom op hem een schijnbaar
ongebreidelde aantrekkingskracht uitoefende. Hij sterft in 1063 en
wordt opgevolgd door Alp Arslan
(foto) ('robuuste leeuw').
In 1071 valt de Byzantijnse keizer Romanus IV
Diogenos met 100.000 soldaten, waaronder vele Noorse
huurlingen, het door de Turken bezette Armenië binnen om het
van de islam te bevrijden . Maar hij stoot daarbij te Mantzikert op
het leger van voorgenoemde Alp Arslan. De botsing tussen de twee
legers was verschrikkelijk. De Byzantijnen werden volledig
verpletterd. Door het verraad van een zekere Andronikos
Doukas, die als neef van de overleden keizer
Constantijn X Romanus als een rivaal en
indringer
in de keizerlijke familie beschouwde, werd de keizer gevangen
genomen.
Arslan behandelde zijn gevangene echter met respect en schonk hem
tegen een reusachtig losgeld de vrijheid. Toen het nieuws van de
nederlaag inMantzikert de vooraanstaanden in Constantinopel
bereikte, verklaarden zij Romanus als afgezet. Hiervan maakte
Michaël VIl, de stiefzoon van Romanus,
gebruik om zich meester te maken van de troon. Michaël laat
Romanus bij zijn terugkeer in Constantinopel meteen in de boeien
slaan, de ogen uisteken en in de kerker werpen waar hij enkele
dagen later overlijdt. Dit was op 4 augustus 1072, bijna precies
een jaar na de slag bij Mantzikert. Deze gruwelijke moord op
Romanus was een gewone zaak was in het Byzantijnse rijk. Van de 88
keizers die tussen 324 en 1453 het rijk regeerden waren er 13 die
voor hun leven in een klooster moesten vluchten en werden 29
anderen vermoord.
Na de nederlaag van het Byzantijnse leger te Mantzikert, veroveren de Seldsjoeken, die men van dan af Turken zal noemen, nagenoeg heel Klein-Azië met Antiochië en Edessa waarvan ze zich in 1084 en 1087 meester maken. Ze bedreigen nu rechtstreeks Constantinopel, hoofdstad van het Byzantijnse Rijk.
Byzantium zoekt hulp
Het gevaar dat de Turken zich ook van het Europese gedeelte
van het Byzantijnse rijk zouden meester maken was nu groter dan ooit,
maar de dood van de toenmalige sultan Mahikcháh
in 1092 bracht hier enigszins verandering in. Aangezien hij geen
rechtstreekse nakomeling voor zijn opvolgers had aangeduid, werd zijn
rijk door uitputtende familietwisten onder zijn zonen, neven en
kozijnen verdeeld, zodat er uiteindelijk vier afzonderlijke sultanaten
ontstonden. Deze verbrokkeling van het centrale gezag verzwakte de
jonge Turkse staat zodanig dat Alexis I Comnenos,
die in 1081 de Byzantijnse troon had bestegen, de tijd gunstig achtte
om tot de tegenaanval over te gaan.
Maar Alexis begreep ook dat Byzantium door de eindeloze onderlinge
twisten en samenzweringen, door de uitputtende oorlogen tegen de
Noormannen en de Petsjenegen, militair zo was verzwakt dat het zeker
niet in staat was om een leger op been te brengen dat sterk genoeg was
om de Turken te lijf te gaan. Hij had dus dringend hulp nodig.
In 1088 had hij reeds kennis gemaakt met Robrecht de Fries,
die
op de terugkeer van zijn pelgrimstocht naar Palestina een tijd in
Constantinopel was gebleven en van wie hij
toen een Vlaams expeditiekorps bestaande uit 500 ruiters en 150
paarden had gekregen dat hij tegen de aanvallen van de sultan van
Nicea had ingezet. Hij was dus de man bij uitstek tot wie hij zich
kon wenden voor nieuwe hulp. Maar aangezien Robrecht I ondertussen
overleden was, richtte hij zich tot zijn zoon Robrecht II met een
lange gepassioneerde brief* waarin hij de wandaden beschreef die de
Turken aanrichtten en zijn vrees uitdrukte dat Byzantium weldra ten
prooi zou vallen aan de heidenen. 'Kom vlug', zo
smeekte
hij Robrecht, 'en kom naar Constantinopel waar u grote rijkdommen
wachten'. Hij voegde er aan toe dat de charmes van de Griekse
vrouwen onweerstaanbaar waren!
Iets later stuurde hij ook een gezantschap naar het Concilie in Piancenza dat in maart 1095 door paus Urbanus II was bijeengeroepen om de kerkhervormingen in verband met de investituurstrijd te regelen. Tijdens dit concilie spraken de gezanten van Alexis de kerkvaders toe met zowat hetzelfde verhaal als dat wat in de brief aan Robrecht was vervat. Alexis wilde hulptroepen om Jeruzalem te bevrijden. In werkelijkheid was het vermelden van Jeruzalem alleen maar een sluw argument om steun te krijgen voor de geplande herovering van Anatolië. Maar het woord Jeruzalem sprak de kerkvaders heel wat meer aan dan Anatolië. In feite had de vraag om hulp van het westen niet veel met godsdienstige ijver te maken, het verzoek van Alexis was hoofdzakelijk van politieke en militaire aard.
In ieder geval viel de brief aan Robrecht en de toespraak van Alexis' gezanten praktisch in geheel West-Europa in goede welwillende oren, zowel bij de edelen als bij het gewone volk. In deze middeleeuwse wereld van geestelijke spanningen, met nooit eindigende oorlogen tussen de feodale machten, de steeds aanwezige honger en de ene epidemie na de andere, kwam er opeens iets nieuws, iets dat een soort religieuze extase verwekte die hoop gaf op een bevrijding uit een vertwijfelde wereld.
*Volgens diverse bronnen zou deze brief een vervalsing zijn en dus nooit echt zijn gestuurd. Naar alle waarschijnlijkheid heeft de keizer evenmin gezanten naar het concilie gestuurd om hulp te vragen. Het zou ook niet logisch zijn vermits Alexis net op dat moment de situatie vrij goed onder controle had.
Op 27 november 1095, de tiende dag van het concilie van Clermont dat gehouden werd in het open veld zodat iedereen kon luisteren naar de paus, roept de paus de menigte in open lucht en in hun eigen volkstaal op tot een kruistocht om het Heilig Graf van de heidenen te verlossen. Het was Gods wil Jeruzalem te bevrijden, zo roept hij het volk toe. En het volk herhaalde als in extase de roep die heel Europa in beweging zal zetten: Deus lo vult. God wil het!
De voorbereiding
Zodra tot de kruistocht was beslist, ontwikkelde er zich op heel korte tijd over heel WestEuropa en niet het minst in het Vlaamse graafschap een ongelooflijke activiteit ter voorbereiding van dit grootscheepse avontuur waaraan iedereen, zowel ridders als knechten, boeren, priesters, monniken, handelaars en laten, kon deelnemen. De ridders voor glorie en rijkdom, de boeren voor het einde van honger en ziekte(*), de laten voor de vrijheid. Had de paus niet gezegd dat Jeruzalem een paradijs met lekkernijen was en had hij niet beloofd dat de laten als vrije mannen zouden terugkomen en dat al wie onderweg stierf of sneuvelde rechtstreeks in het Hemelse Rijk door de Heer zou worden opgenomen? Wie kon er weerstaan aan een dergelijk vooruitzicht?
(*) De jaren 1092, 1093 en 1094 waren alle jaren van misoogst en werden geteisterd door het Sint-Antoniusvuur of moederkorenvergiftiging. Deze ziekte ontstond wanneer brood of pap werd gegeten dat bereid was met roggemeel waarin moederkoren (d.i. door een schimmel vergiftigd rogge) was meegemalen. De ziekte die uitstekende lichaamsdelen doet afsterven en abortus veroorzaakt, nam in de elfde eeuw epidemische vormen aan.
Bijna niemand. Ook Robrecht II niet, die nochtans van zijn vader had geleerd wat een tocht dwars door het toen nog grotendeels woeste en onherbergzame Zuid-Oost-Europa naar Jeruzalem wel inhield en de problemen die met een dergelijke reis gepaard gingen. Hij moet geweten hebben dat Jeruzalem helemaal geen paradijs van zaligheden was, zoals Urbanus dit in zijn fameuze toespraak van 27 november 1095 had voorgesteld. Maar niettegenstaande deze kennis was hij nogal enthousiast om aan de oproep van Urbanus II gehoor te geven en was hij meteen bereid deel te nemen aan deze door God gewilde kruistocht.
Zijn banden met de Kerk en zijn pauselijke gezindheid zullen
in
zijn beslissing ook wel een rol hebben gespeeld. Ook was zijn
stiefzuster Bertha getrouwd met de Franse
koning
Filip I en in 1092 door deze verstoten. In de hieruit
voortvloeiende strijd tussen de Franse koning en de Kerk stond hij
dan ook aan de zijde van de Paus. Bovendien was hij gehuwd met
Clementia, dochter van graaf Willem I van
Bourgogne en zuster van Guy van Bourgogne, aartsbisschop van
Vienne, die later, in 1119, zelf tot paus zal worden verkozen onder
de naam van Calixtus II.
Clementia schijnt een buitengewoon begaafde vrouw te zijn geweest
en ze heeft, ook wellicht beïnvloed door haar kerkelijke
familiebanden, zeker een onmiskenbare invloed op haar man
uitgeoefend. In ieder geval genoot Clementina het volste vertrouwen
van haar echtgenoot. Een van de belangrijkste schikkingen die
Robrecht voor zijn vertrek trof was die waarbij hij aan zijn
gemalin voor de duur van zijn tocht het beleid in Vlaanderen
overdroeg, evenals de zorg voor zijn enige nog in leven zijnde
zoon. Dat was de latere Boudewijn VIl die
toen
amper drie jaar oud was en zijn vader in 1111 zou opvolgen.
Robrecht had oorspronkelijk drie zonen, Willem, Filip en Boudewijn,
maar de eerste twee stierven in de wieg.
Door zijn positie als graaf van Vlaanderen, een graafschap dat toen als een der machtigste gold van West-Europa, en het feit dat hij met meerdere van de kruisvaartleiders nauwe familiebanden had, zal Robrecht als een van de leiders in deze kruistocht een voorname plaats innemen. Maakten o.a. deel uit van zijn groep: zijn broer Filip, burggraaf van leper en zijn zuster Geertruid, weduwe van de graaf van Leuven, hertrouwd met Diederik II, hertog van Opper-Lotharingen en vader van de latere graaf van Vlaanderen Diederik van de Elzas. Vermelden we ook nog: Karel, zoon van Robrechts zuster Adela die, na de moord op haar man Knut IV, koning van Denemarken, in 1088 toevlucht in Vlaanderen had gezocht. Karel zal later eveneens, in 1119, de titel van graaf van Vlaanderen verkrijgen. Hij zal in de Vlaamse geschiedenis bekend blijven als Karel de Goede.
Dat was dus een heel illuster gezelschap: de graaf van Vlaanderen, twee toekomstige graven van Vlaanderen met daarbij een indrukwekkende legermacht samengesteld uit meer dan 65 ridders van hoge rang, meer dan 700 ridders van lagere rang, allen met hun gevolg, hun kamer- en stalknechten, hun heelmeesters, hun harnas- en hoefsmeden, gevolgd door enkele duizenden gewapende voetknechten. Daarnaast was er een minder illuster gezelschap dat met het leger meetrok: boeren met paard en kar, sommigen vergezeld van hun vrouw en kinderen, laten, ambachtslieden en verder allerhande soorten avonturiers, handelaars die zich aan schulden wilden onttrekken, dieven, struikrovers, gevluchte moordenaars en de onvermijdelijke hoeren, sommigen met paard en kar, maar de meesten te voet. Een totaal aan mannen en vrouwen dat voorzichtig op 5000 zielen kan worden geschat.
Op weg naar Constantinopel
In
september 1096 vertrekt Robrecht met zijn gevolg, dat zich tussen
Brugge en Gent had verzameld, in zuidelijke richting. Via Amiens kwam
hij aan in Vezelay waar hij zich aansluit bij het leger van de
Normandiërs dat onder de leiding staat van hertog Robert
Corthose (foto) of
Courtheuse, eveneens een belangrijk kruisvaartleider. Ook tussen de
hertog en Robrecht bestond er een familieband. Beide edelen waren
kozijnen aangezien de hertog de (oudste) zoon was van Willem de
Veroveraar die getrouwd was met Mathilde, de zus van Robrecht de Fries.
In Lyon wordt het leger nu ook nog versterkt door Etienne,
hertog van Blois en Chartres die gehuwd was met Adela, oudste dochter
van Willem de Veroveraar en dus de schoonbroer was van Robert Corthose
en aangetrouwde kozijn van Robrecht II.
Deze aanzienlijke strijdmacht trekt nu dwars door Frankrijk, steekt via de pas van de Grote St.- Bernard de Alpen over. In Lucca (Toscane) worden ze begroet door paus Urbanus II, die zich onder druk van de tegenpaus Wibert of Guibert, die de naam van Clément III had aangenomen, uit Rome naar het noorden had teruggetrokken. Met de zegen van Urbanus trekt het leger nu verder naar Rome, maar vindt daar niets dan vijandschap. Rome, dat enkele jaren daarvoor door de Noormannen onder leiding van Guiscard van Apulië was geplunderd, lag nog voor een groot deel in puin en was in het bezit van de aanhangers van de voorgenoemde tegenpaus, die gesteund werd door de Duitse keizer Henderik IV. De kruisvaarders die deel uitmaken van het kamp van Urbanus II waren daar allesbehalve welkom en verlieten de stad dan ook.
Aangekomen in Apulië, het meest zuidoostelijke gedeelte van Italië, wordt Robrecht ontvangen door zijn zuster Adela, de weduwe van Knut IV, opnieuw gehuwd met hertog Roger I Borsa van Apulië, zoon van Robert Guiscard, hertog van Apulië en Calabrië. Aangezien de winter op komst was - we zijn in december 1096 - verzocht Adela de drie bevelhebbers met hun leger daar de overwinteren. Maar Robrecht weigerde en stak nog voor het einde van het jaar met zijn leger de Adriatische zee over naar Epirus in Noord-Griekenland. Vandaar marcheerde hij met zijn troepen dwars door Macedonië en bereikte in de eerste maanden van 1097 Constantinopel. Robert Corthose en Etienne van Blois brachten wél de winter door in Zuid-Italië en kwamen iets later dan Robrecht, omstreeks mei 1097, eveneens te Constantinopel aan.
Ondertussen was ook het leger van Godfried IV van Bouillon, die via Hongarije de kruistocht was begonnen, te Constantinopel aangekomen. Dit was op 23 december 1096. Iets later kwam ook Bohemond van Tarente, ook een zoon van Robert Guiscard, met zijn leger aan en eind april 1097 ten slotte, kwam ook Raimond IV de Saint-Gilles, graaf van Toulouse, bij de hoofdstad van Byzantium aan. Hij was met een leger in oktober 1096 vanuit Zuid-Frankrijk vertrokken en had getrokken via Noord-Italië en Dalmatië .
De vier legers waren nu verzameld en konden nu aan de werkelijke kruistocht beginnen.
Jeruzalem! Jeruzalem!
Begin mei 1097 steekt het verenigde leger de Bosporus over en rukt het op naar het ongeveer 150 km in zuidelijke richting gelegen Nicea dat na een maand belegering zonder slag of stoot kan worden ingenomen. Tussen 26 en 29 juni 1097 verlaten de kruisvaarders Nicea en trekken zuidoostwaarts in de richting van Doryleum waar ze op een legerafdeling van de Turken botsen. Robrecht II voerde het bevel over de rechtervleugel van het kruisvaardersleger en slaagde erin de Turken op de vlucht te drijven en zich van een aanzienlijke buit aan goud, zilver, paarden en ezels meester te maken. Dit was een waardevolle overwinning want het zou een hele tijd duren voor de Turken het nog zouden aandurven de kruisvaarders in open veld aan te vallen.
Na slechts drie dagen rust trekken de kruisvaarders verder op naar het zuidoosten, dwars door Phrygië, steken het Taurusgebergte over en bereiken op 13 oktober 1097 de plaats Marasch na een vreselijke tocht en met het verlies van vele kruisvaarders die van ellende omkwamen. Daar worden zij door de Christelijke Armeniërs als hun providentiële bevrijders van de Turken begroet. Dit was een meevaller, want hier werden ze door de Armeniërs rijkelijk met de hoogst dringende levensmiddelen overladen.
Nauwelijks uitgerust trok het leger nu op naar Antiochië,
toentertijd een wereldstad. Ze kwamen op 21 oktober aan in de stad
die zowat de grootste hindernis vormde op weg naar Jeruzalem. Het
zal acht maanden duren voor de kruisvaarders erin zullen slagen
zich van de stad meester te maken en dit ten koste van duizenden
mensenlevens.
Antiochië was gebouwd op de oostelijke flank van de berg
Silpius, grensde ten westen aan de Orontes rivier en was omringd
door een gigantische muur met 360 torens. Door haar uitgestrektheid
was ze praktisch onmogelijk te omsingelen. Robrecht nam samen met
Robert Corthose en Etienne van Blois stelling ten noorden van de
stad en Godfried van Bouillon belegerde met Raimond van Toulouse
het westelijk gedeelte. Maar tevergeefs, ondanks twee maanden
langdurige en verbitterde gevechten hadden de kruisvaarders nog
steeds geen enkel resultaat bereikt. We zijn nu eind december 1097
en de honger en de koude wintermaanden laten zich voelen, maar de
belegering bleef steeds verder aanslepen zonder enig tastbaar
gevolg. Tot juni 1098, wanneer de stad door het verraad van een
Armeense bevelhebber met wie Bohemund een geheime overeenkomst had
gesloten, in de handen valt van de kruisvaarders.
De inname van Antiochië is onbetwistbaar op rekening van Bohemund van Tarente te schrijven. Deze had op een of andere manier het middel gevonden om in contact te treden met een zekere Firuz, een Armeniër die het bevel voerde over een van de torens van de stad. Op 3 juni 1098 zet deze de poort open en de kruisvaarders stromen de stad binnen. Precies op tijd, want een machtig Turks leger onder leiding van de Pers Kerboga kwam net aan om de stad te ontzetten. Het waren nu de kruisvaarders die belegerd werden. Op 28 juni deed hun leger een uitval en werden de Turken uiteengeslagen. De weg naar Jeruzalem lag nu open, maar het zal nog bijna een jaar duren, tot 7 juni 1099, voor ze de zo gegeerde stad zullen bereiken.
De eerste bestorming van de stad had plaats op 13 juni 1099 maar bleef zonder resultaat. Twee dagen later slagen Robrecht en Godfried er echter in een gevechtstoren tot vlak bij de stadsmuur te schuiven en de valbrug neer te laten. Twee Vlamingen uit het leger van Robrecht II, Letold en Gilbert uit Doornik, dringen als eerste Jeruzalem binnen terwijl nu verder aan alle zijden van de toren de kruisvaarders langs de stormladders over de wallen klauteren en zich kunnen meester maken van de stad. Er wordt een nutteloos vreselijk bloedbad aangericht dat later elke kans op een vruchtbare samenwerking met de islam onmogelijk zal maken en de belangen van de christenen in het Oosten ten zeerste zal schaden.
Maar hoe het ook zij, na bijna drie jaar oorlog met de daarmee gepaard gaande ontberingen en ellende, hadden de kruisvaarders toch hun doel bereikt. Jeruzalem was bevrijd van de islamitische bezetting. Maar niet voor lang. In 1187 zal Jeruzalem verloren gaan aan sultan Saladijn van Egypte.
Historisch cynisme: Paus Urbanus II, de man uit wiens brein de kruistochten zijn ontsproten, sterft op 29 juli 1099 waardoor hij het welslagen van de tocht en de inneming van Jeruzalem niet meemaakte.
Terug naar huis
Op 12 augustus moet Robrecht voor de laatste keer slag leveren in de buurt van Ascalon, waar hij samen met Robert Corthose een laatste schitterende overwinning behaalt op de islamieten. Maar met deze slag besluit Robrecht zijn militaire loopbaan in het Oosten af te sluiten en naar Vlaanderen terug te keren. Hij volgt dezelfde weg als bij het komen. In Italië verblijft hij nog een tijd bij zijn zuster Adela, maar vertrekt op het einde van de winter van 1099 met zijn troepen noordwaarts om in de lente van 1100 de grenzen van zijn graafschap te overschrijden.
Meer dan drie jaar na zijn vertrek naar Jeruzalem komt Robrecht dus terug in zijn vaderland. Minder rijk dan toen hij vertrok, maar wel door heel wat ervaring wijzer. Die wijsheid zal hij nodig hebben wanneer in 1102, nauwelijks twee jaar na zijn terugkeer, de Duitse keizer Hendrik IV naar Vlaanderen zal komen en Robrechts II graafschap zal bedreigen.
Bibliografie:
1. BRANDT, C.D.J. Prof. "Kruisvaarders naar Jeruzalem", W. De Haan NV
1956.
2. DE SMET, J.J. "Mémoire sur Robert de Jérusalem", M. Hayez de
l'académie royale 1861.
3. LEHMAN, Johannes. "De kruisvaarders", Forum boekerij, Baarn 1976.
4. LUYKX, Theo Prof. "De graven van Vlaanderen en de kruistochten",
Heideland, Hasselt 1967.
Inhoudstafel - naar hoofdstuk 10
