De geschiedenis van Vlaanderen - Hoofdstuk 8
De verdere ontwikkeling van het graafschap Vlaanderen: Robrecht de Fries
Geschreven door: Charles
Vanderhaegen -
in lichte mate bewerkt door Herman Boel
Gepubliceerd met vriendelijke toestemming van Charles
Vanderhaegen.
Na de slag om Kassel
Met de overwinning van het Vlaamse leger op de verenigde legers van Henegouwen en Frankrijk in de slag om Kassel in 1071 wordt Robrecht, bijgenaamd de Fries, wegens zijn huwelijk met Geertrui van Saksen, weduwe van graaf Floris van Holland, de onbetwiste heerser over het Vlaamse graafschap en wordt hij in Vlaanderen algemeen erkend als dé Graaf van Vlaanderen. De Vlaamse overwinning te Kassel was totaal, maar van een daarop volgende rust kon er nog geen sprake zijn. Vlaanderen werd nog steeds omringd door machtige buren. In het zuiden was er nog altijd de Franse koning Filips I die nog steeds niet helemaal van zijn nederlaag bij Kassel was bekomen. In het Oosten was er Henegouwen, waar Richildis op wraak zon omdat Vlaanderen haar ontglipt was en daarbij eerst steun zocht bij de Franse koning, later bij de Duitse keizer. In het noorden bleef de hertog van Neder-Lotharingen, Godfried met de Buit, samen met Willem I bisschop van Utrecht, Robrecht bedreigen en in het westen dreigde de stijgende macht van Engeland.
Sedert
Willem de
Veroveraar (afbeelding) vanuit Normandië voet had
gezet op Engelse bodem in 1066 en het Engelse leger onder leiding
van Koning Harold had verslagen en in Westminster tot koning van
Engeland werd gekroond, waren de betrekkingen tussen Frankrijk en
Engeland grondig gewijzigd. Waar de politieke relaties tussen
Frankrijk en Engeland vroeger slechts een ondergeschikte factor
waren in de verhouding tussen de twee mogendheden, ontstond er uit
het wapenfeit van Hastings de meest fundamentele tegenstelling in
de West-Europese geschiedenis, nl. de Engels-Franse vijandschap die
bijna duizend jaar zal aanslepen en pas zal eindigen met de fameuze
Entente Cordiale van 8 april 1904 die uiteindelijk leidde tot een
Frans-Engelse samenwerking tegen het Duitse Rijk.
Deze nieuwe politieke verhouding tussen Engeland en Frankrijk kwam in de plaats van de Frans-Duitse rivaliteit over Lotharingen die aan het uitsterven was sedert het verdrag van Ribemont (in 880) toen geheel Lotharingen bij Oost-Francië werd aangesloten en waardoor Henegouwen, Luik en Namen deel gingen uitmaken van het Oost-Frankische, later het Heilige Roomse Rijk.
Tijdens de regeringen van Boudewijn II t.e.m. Boudewijn V werd de Vlaamse politiek steeds gevoerd in functie van de Frans-Duitse tegenstellingen. Daar kwam nu verandering in. In tegenstelling tot zijn voorvader Boudewijn den IJzeren, die slechts op één front moest vechten om de onafhankelijkheid van zijn Graafschap veilig te stellen, moest Robrecht nu rekening houden met vier mogelijke vijanden.
Opnieuw Richildis
U herinnert zich dat Boudewijn VI, graaf van Henegouwen, door zijn huwelijk met Richíldis, weduwe van graaf Herman van Henegouwen, op zijn sterfbed het graafschap Vlaanderen aan zijn oudste zoon Arnulf had geschonken en aan zijn tweede zoon, de latere Boudewijn II, het graafschap Henegouwen met de bijkomende bepaling dat indien een van beide jongens zou overlijden, de overlevende het graafschap van de overledene zou erven.
Richildis kon haar nederlaag bij Kassel maar niet verwerken en steunde zich op het testament van haar man waardoor Boudewijn door de dood van zijn broer Arnulf nu recht had op de Vlaamse troon. Daarom zocht ze net zoals voorheen opnieuw steun bij de Franse koning Filips. Haar doel was het verjagen van Robrecht van de Vlaamse troon en haar eigen zoon die begeerde kroon te schenken. Daarom vroeg ze aan Filips om haar zoon Boudewijn als enige wettelijke graaf van Vlaanderen te willen erkennen. Filips was nog steeds geïrriteerd door zijn nederlaag tegen Robrecht. Hij gaf toe en erkende Boudewijn met de nodige ceremonie als enige wettelijke graaf van Vlaanderen.
Gesteund door deze geweldige hulp reorganiseerde Richildis haar Henegouwse troepenmacht en trok ze samen met het Franse leger, onder leiding van de Franse vorst te Montreuil, op naar Vlaanderen om de smadelijke nederlaag van Kassel te wreken. Nog in maart van 1071, dus nauwelijks een maand na Kassel, vielen de gezamelijke legers van Richildis en Filips St-Omaars binnen. De stad werd grondig geplunderd, het grootste gedeelte van de bevolking uitgemoord en wat er overbleef plat gebrand. Maar verder werd de vooruitgang van het Franse leger gestuit, niet door een gewapend optreden van Robrecht, maar door een diplomatieke zet van deze laatste.
Het was namelijk zo dat er tussen de Franse soldaten, die Robrecht in de slag om Kassel gevangen had genomen, er zich een zekere Eustachius bevond, graaf van Boulogne en broer van Godfried, bisschop van Parijs en kanselier van de koning van Frankrijk. Dit bracht Robrecht op het idee contact op te nemen met die Godfried. Ze konden het blijkbaar goed met elkaar vinden want al vlug kwamen ze tot een overeenkomst waarbij Robrecht aan Godfried de vrijlating van zijn broer Eustachius beloofde plus nog het aanzienlijke Bethlo-bos in de buurt van Eperlecques, nabij St-Omaars. Als tegenprestatie zou Godfried er bij de Franse koning op aandringen de vijandelijkheden te stoppen, aan het bondgenootschap met Richildis een einde te stellen en met zijn leger terug te keren naar Parijs.
Robrechts plan slaagde helemaal. Godfried kon de Franse vorst ervan overtuigen dat dit voor hem het enige juiste was om te doen, aangezien Robrecht in feite een dichtere familiale band had met het Franse koningshuis dan Richildis' zoon Boudewijn. Was de moeder van Robrecht niet prinses Adèle, de dochter van de Franse koning Robert II en was Boudewijn V, de vader van Robrecht, niet Filips nonkel die samen met Filips moeder Anna van Kiev het regentschap had uitgeoefend tijdens zijn minderjarigheid? Filips kon deze waarheden niet ontkennen. Bovendien, zo redeneerde hij, werd Robrecht door heel het Vlaamse graafschap als enige vorst erkend en kon Boudewijn op geen enkele steun uit dit domein rekenen. Dit maakt Boudewijn tot een waardeloze bondgenoot voor de Franse koning. Beter was het dus Godfrieds voorstellen te aanvaarden, vrede te sluiten met Robrecht en hem zo tot een sterke bondgenoot te maken in plaats van een vijand die hij militair, zo had Kassel bewezen, moeilijk de baas kon.
Om de Franse koning helemaal van zijn steun aan Richildis los te maken, stelde Godfried ook nog voor dat de Franse koning Bertha, de stiefdochter van Robrecht, tot vrouw zou nemen. Alles gebeurde zoals gepland. Na een reeks onderhandelingen werd er in 1073 vrede gesloten tussen beide partijen. Filips I erkende Robrecht de Fries als graaf van Vlaanderen en ter bezegeling van deze overeenkomst werd het huwelijk gesloten tussen Filips I en Robrechts stiefdochter Bertha. Met dit huwelijk werden niet alleen de laatste sporen van wrok aan beide zijden uitgewist maar begon ook een nieuwe periode in van vrede en samenwerking tussen Vlaanderen en Frankrijk. Een vrede die zal duren tot aan de dood van graaf Willem Clito in 1128.
En nogmaals Richildis
De erkenning door de Franse koning Filips van Robrecht als de wettelijke graaf van Vlaanderen was een zware slag voor Richildis, die voor de tweede keer haar plannen zag mislukken om zich meester te maken van Vlaanderen ten voordele van haar zoon Boudewijn. Nu stond ze opnieuw helemaal alleen, verlaten door haar vroegere bondgenoten. Maar ondanks deze tegenslag was de koppige Richildis niet van plan aan haar ambities te verzaken. Ze besefte echter wel dat ze Robrecht niet alleen aankon. Daarvoor beschikte ze over te weinig strijdkrachten en te weinig geldmiddelen.
Ze richtte zich nu tot Theoduinus, de bisschop van Luik, de enige prins uit haar omgeving in wie Richildis dacht een steun te kunnen vinden met strijdmachten en geld. Theoduinus luisterde gewillig naar haar bede en stemde toe op voorwaarde dat zij en haar nakomelingen voortaan leenmannen zouden zijn van de Luikse bisschoppen. Ten einde raad besliste Richildis deze beschamende horigheid te aanvaarden tegen vijfhonderd door de bisschop ter beschikking gestelde ridders (soldaten te paard) in geval iemand tegen het graafschap (Henegouwen) oorlog durfde te voeren.
Deze overeenkomst werd vastgelegd in een akte die in Fosse door beide partijen werd ondertekend in aanwezigheid van de hertog Godfried van Bouillon, die kort daarop naar de kruistochten zal vertrekken, en de graven van Namur, Leuven, Chiney en Montaigu. Deze Lotharingse prinsen bewezen hiermee dat ze niet met ongenoegen deze verzwakking van Henegouwen aanschouwden. Maar de Duitse keizer Hendrik IV die de akte moest bekrachtigen om geldig te zijn, was niet dezelfde mening toegedaan. Toen de akte hem werd voorgelegd vroeg hij aan de aanwezige prinsen hoe zij dachten dat Richildis met vijfhonderd ridders Robrecht zou kunnen verslaan, daar waar de gezamelijke legers van Henegouwen en Frankrijk daar niet in waren geslaagd.
Maar afgezien daarvan was de keizer helemaal niet ingenomen met een overeenkomst die aan de bisschop van Luik, die naar zijn smaak al te machtig was, nog meer macht toekende. Er kwam van de ratificatie van de overeenkomst dan ook niets in huis. De Luikse bisschop en Richildis gaven de moed niet op. Ze wendden zich nu tot Godfried met de buit, hertog van Neder-Lotharingen en gezworen vijand van Robrecht, tot Willem I de bisschop van Utrecht, nog een gezworen vijand van Robrecht, tot de aartsbisschop van Keulen en tot de bisschoppen van Verdun en Cambrai. Met allerlei kostbare geschenken en andere rijkelijke gunsten slaagden zij erin deze prinsen aan hun zijde te krijgen. Hier werd nu een machtige coalitie gevormd die er bij de keizer op aandrong het verdrag van Fosse te bekrachtigen. Hendrik IV bezweek voor de druk en zette, misschien wel met enige tegenzin, zijn handtekening onder het fameuze document dat aan Richildis de mogelijkheid gaf opnieuw een oorlog tegen Robrecht te ontketenen.
Met ongeduld zag de Henegouwse gravin nu de voorbereidselen tegemoet voor een grootscheepse veldtocht van de Lotharingse prinsen tegen Robrecht. De hertog Godfried van Bouillon, de graven van Namur, Chiney en Cambrai samen met Godfried met de buit zouden eindelijk ten strijde trekken tegen de Vlaamse usurpator en het Graafschap Vlaanderen zou terug in het bezit komen van haar zoon Boudewijn. Zo moet ze wel enigszins hebben gedacht. Maar welke dromen ze ook heeft gehad, geen enkele kwam uit, want er gebeurde helemaal niets. Robrecht was haar alweer te vlug af geweest.
Toen hij van de voorbereidselen voor de grote veldtocht tegen zijn graafschap hoorde, had hij in allerijl een bode gezonden naar Hendrik IV om bij deze voor hem de investituur te bevestigen van Rijksvlaanderen met de belofte de Duitse keizer met al zijn krachten bij te staan mocht dit in de toekomst nodig blijken. U herinnert zich dat Boudewijn IV in 1033 van de Duitse keizer Koenraad II Chièvres en Basècles in leen had gekregen en dit gebied op de rechteroever van de Schelde gelegen sedertdien Rijksvlaanderen werd genoemd.
Henrik IV ontving de bode schijnbaar met open armen. Hij wist hoe Boudwijn IV in 1010 de toenmalige Duitse keizer in zijn strijd tegen de Lotharingse opstandelingen had gesteund en hij besefte dat hij beter af was met een sterke bondgenoot aan de overkant van de Schelde dan met de op macht beluste Lotharingse leenmannen die hem wilden gebruiken om hun macht naar het westen uit te breiden. Bovendien zat hij in een investituurstrijd gewikkeld met paus Gregorius Vil die zich het recht had toegekend in de naam van de Heilige Petrus koningen te kunnen straffen en zelfs af te zetten als zij blijk zouden geven van ongehoorzaamheid tegenover het pauselijke gezag. Deze strijd zal later ten nadele van Hendrik IV aflopen met het gevolg dat hij in 1077 de schandelijke tocht naar Canossa zal moeten ondernemen en zich zal onderwerpen aan het gezag van de paus.
In ieder geval, op dit ogenblik, we zitten nog in 1072, twijfelt Hendrik geen ogenblik en zendt hij Robrechts bode terug met de keizerlijke bevestiging van Robrechts belening en diens belofte hem, in geval van nood, militair bij te staan. Deze keizerlijke beslissing komt neer op een erkenning van Robrecht als Graaf van Vlaanderen en impliceert bovendien een vredesovereenkomst tussen deze laatste en de Duitse keizer.
Toen de Lotharingse bondgenoten dit vernamen begrepen zij dat het geen zin meer had zich nog langer voor Richildis in een strijd met Robrecht te wikkelen, een strijd waarvan de uitslag vrij onzeker was en bovendien van weinig nut voor de belangen van hun Lotharingse lenen. Zonder maar een slag of stoot te hebben geleverd maakten de legers rechtsomkeer en keerden ze naar hun burchten terug. Richildis was in steek gelaten.
Dit was verschrikkelijk nieuws voor Richildis. Voor de derde keer zag ze haar ambities in rook opgaan, maar de moed, de durf, de koppigheid en het uithoudingsvermogen van deze vrouw bleken onuitputtelijk. Wat noch met de Franse bondgenoot, noch met de Duitse bondgenoot was gelukt zou ze nu, zonder enige vriend waar ze nog op kon rekenen, alleen doen: de strijd met Robrecht aangaan.
De laatste strijd van Richildis
Met het weinige geld dat ze nog beschikbaar had slaagde zij erin haar leger opnieuw te reorganiseren. Maar dit was veel te klein om maar aan een grootscheepse actie te kunnen denken. Ze moest zich noodgedwongen beperken tot kleine aanvallen op de garnizoenen van Robrecht. Maar Robrecht werd de voortdurende aanvallen van die vreselijke vrouw moe en trok met zijn leger naar Henegouwen waar hij te Broqueroye op het kleine leger van Richildis stootte en het totaal verpletterde. Zonder verpozen trok hij nu plunderend door Henegouwen tot in Wavrechin op de Schelde. Hier hield hij halt en liet hij een versterking oprichten bestaande uit een houten palissadering omringd door een gracht. Driehonderd manschappen hielden hier de wacht, die regelmatig, om Richildis kalm te houden, plundertochten ondernamen doorheen Henegouwen.
Later is Richildis er met de hulp van de Luikse bisschop nog in geslaagd die versterking in te nemen en de driehonderd manschappen tot de laatste man te laten vermoorden. Maar dit was ook het laatste gevecht dat ze heeft geleverd. De tijd was nu aangebroken om vrede te sluiten met Robrecht. En dit lukte. Robrecht en Richildis sloten een vredesovereenkomst waarin werd bepaald dat de jonge Boudewijn, dus de zoon van Richildis, zou huwen met een nicht van de Fries. Als pand voor deze huwelijksovereenkomst moest Richildis Dowaai, dat tot op het laatst de partij van Richildis had gesteund, aan Robrecht afstaan.
Toen Boudewijn later deze nicht ontmoette, bleek ze niet alleen aartslelijk maar ook nog misvormd te zijn. Dit moet waarschijnlijk wel kwaad bloed bij Boudewijn hebben gezet. Hij voelde zich door Robrecht voor de zot gehouden, wat hem er toe aanzette de huwelijksovereenkomst te verbreken en niet met Robrechts nicht te trouwen dan wel met Ida, de dochter van de graaf van Leuven, in het huwelijk te treden. Hierop legde Robrecht zonder dralen beslag op Dowaai dat zo bij het Vlaamse Graafschap werd gevoegd.
Vlaanderen verloren, de grafelijke bezittingen in de Ardennen en Condroz verkocht, haar nakomelingen alleen nog maar leenmannen van de Luikse bisschop en zelfs de Henegouwse grafelijke macht een leen van de hertog van Lotharingen, dit was het resultaat van de ongelukkige politiek die Richildis had gevoerd tussen 1071 en 1081.
Na al die vernederende tegenslagen nam haar leven een religieuze wending. Maar ze was nog steeds taai. In 1080 ondernam ze op zestigjarige leeftijd nog een tocht naar Rome, wat toentertijd een gedurfde onderneming was. Ze overleed op 18 maart 1086 en liet op haar tijdgenoten en op de volgende generaties een diepe indruk na.
De strijd in Holland
Toen Robrecht in 1063 met Geertruide van Saksen in het huwelijk trad bleef er van het graafschap Holland niet veel over. Floris I, de eerste echtgenoot van Geertruide, was tijdens zijn korte regering van 1049 tot 1061 praktisch ononderbroken in oorlog geweest met het Rijksgezag en in het bijzonder met bisschop Bernold van Utrecht, die in 1054 overleed en opgevolgd werd door Willem I van Utrecht. Deze bisschop lonkte naar het gebied van de Westfriese graven en eiste, met de steun van Hendrik IV, het bisdom op. Maar Floris had echter altijd geweigerd Willem als heer te huldigen.
Aanhoudende vijandelijkheden waren hiervan het gevolg en toen Floris in 1061 overleed en opgevolgd werd door zijn minderjarige zoon Dirk V, bestond het enige wat er nog van het Hollandse graafschap overbleef uit een relatief klein gebied rond Vlaardingen gelegen aan de Merwede, zoals de Nieuwe Maas toen werd genoemd.
Tijdens de eerste jaren dat Robrecht als regent voor de jonge Dirk V optrad kon hij, doordat al zijn tijd constant in beslag werd genomen door zijn oorlogen met Richildis en haar bondgenoten, niet beletten dat de hertog Godfried van Lotharingen en de bisschop Willem I van Utrecht steeds verder stukken van het Westfriese graafschap afknaagden. Maar in 1076, eindelijk verlost van de bedreigingen uit het zuiden en het westen, kon Robrecht zijn aandacht richten op het noorden. Robrecht besloot de verloren gegane Westfriese gebieden op zijn twee antagonisten te heroveren en met hen definitief komaf te maken.
Hij rustte daarom een nieuw leger uit, bijgestaan door enkele hulptroepen die zijn schoonbroer Willem de Veroveraar hem vanuit Engeland had toegezonden. Toen Godfried dit vernam, riep hij onmiddellijk de hulp in van Willem van Utrecht en maakte zich klaar om de aanval van de Robrechtse troepen af te slaan en zelfs eens en voor altijd af te rekenen met Robrecht. Een oorlog was dus nakend, maar zover zal het voorlopig niet komen. Op 26 februari 1076 verliest het Rijksgezag namelijk een van zijn trouwste leenmannen: Godfried met de Buit, hertog van Neder-Lotharingen. In de nacht van de 26e tot in Vlaardingen doorgedrongen, neemt hij zijn intrek in een of andere verlaten woning waar hij in de vroege morgen in de latrines wordt gevonden, op een ijzeren staaf gespietst. Hoewel vreselijk gekwetst, kan men hem nog naar zijn vriend Willem van Utrecht brengen waar hij kort na aankomst overlijdt.
Deze gruwelijke moord werd nooit opgehelderd. Het vermoeden rijst wel dat Robrecht en Dirk de aanstichters waren van de moord, maar de wijze waarop deze heeft plaatsgehad duidt erop dat zij zelf niet de moord hebben begaan. Er moeten meerdere moordenaars zijn geweest want om iemand met een ijzeren staaf neer te slaan moet men met meer dan twee zijn. In ieder geval was dit een zware slag voor het verbond van de Lotharingse prinsen tegen Robrecht en het werd nog erger toen kort daarop, op 27 april, ook Willem van Utrecht plotseling overleed. Kort daarvoor had hij nog in de naam van Lotharingse bisschoppen de kerkelijke banvloek tegen paus Gregorius VIl uitgesproken, in zijn steun aan Hendrik IV, die zoals we reeds hebben vermeld op dat ogenblik in de investituurstrijd met voorgenoemde paus was verwikkeld. De aanhangers van het pauselijke gezag zagen in de plotselinge dood van Willem een straf van God.
Met de dood van Godfried en Willem zullen de rollen worden omgekeerd. Nauwelijks was Koenraad door Hendrik IV als opvolger van Willem aangeduid of Robrecht en Dirk gingen tot de aanval over. Ze werpen het beleg voor Yselmonde, veroveren na een kort gevecht de stad en nemen Koenraad gevangen die op dat ogenblik daar verbleef. Ze zullen hem echter kort daarop weer vrijlaten, maar waarom ze dat deden is niet helemaal duidelijk. We vermoeden dat ze hem hebben vrijgelaten in ruil voor de belofte zich niet meer tegen de opmars van Dirk V te verzetten, want na zijn vrijlating speelt Koenraad praktisch geen rol meer in de gebeurtenissen van die tijd. In ieder geval, vanaf dat ogenblik is Dirk V niet alleen meester van Yselmonde. Dit betekent ook een keerpunt in de geschiedenis van het Hollandse graafschap. Dirk V slaagde er in alle gebieden die onder Dirk IV en Floris I waren verloren gegaan ten voordele van de bisschop van Utrecht terug te winnen.
Robrecht en Engeland
Tot aan de opkomst van Robrecht en zijn streven naar de kroon van het graafschap Vlaanderen, waren de relaties tussen Engeland en het graafschap zeer joviaal geweest. Nadat Willem de Bastaard in 1066 naar Engeland was vertrokken en zich daar na de slag bij Hastings tot koning van Engeland had laten kronen, had zijn schoonvader Boudewijn V, die toen nog regent van Frankrijk was gedurende de minderjarigheid van Filips I, steeds blijk gegeven van meer dan een gewone neutraliteit. Na de dood van Boudewijn werd deze neutraliteitspolitiek enigszins verbroken toen Willem een contingent Normandiers onder leiding van de Engelse graaf Fits Osbern had toegelaten aan de zijde van Richildis tegen Robrecht ten strijde te trekken.
Dit had niets opgeleverd voor de Engelse koning. Van het contingent Normandische soldaten dat met Richildis tegen Robrecht was opgetrokken bleef niet veel meer over en zijn graaf Fits was door Robrecht zelf in een duel gedood. Dit is dan misschien ook wel de reden waarom hij later een contingent Engelse hulptroepen ter beschikking van Robrecht had gesteld in diens oorlog tegen Godfried met den Buit en Willem van Utrecht. Deze hulp moet echter meer bedoeld zijn geweest Vlaanderen van enige Hollandse invloed te vrijwaren, eerder dan een vriendschappelijke hulp aan Robrecht in persoon, want Willem moet nog altijd Robrecht als een usurpator hebben beschouwd. Trouwens, de relaties tussen Willem en Robrecht waren verre van vriendschappelijk. Zo was in 1075 een Engelse kroonpretendent, Edgar Etheling, in een complot tegen Willem verwikkeld. Hij moest daarom Engeland ontvluchten en vond bescherming bij Robrecht in Brugge. Het ging zelfs zover dat die Etheling erin slaagde met Robrecht en de koning van Denemarken, Knut IV, een verbond te sluiten dat er op gericht was een leger samen te stellen om Engeland op Willem te heroveren.
Tweehonderd Deense boten voeren naar Engeland maar dierven niet ontschepen uit vrees voor een Normandische overmacht. Daarop maakte de vloot rechtsomkeer en verankerden ze zich langs de Vlaamse kusten. Robrecht reageert niet. Hij zit nog in oorlog met Richildis en in het noorden dreigen de Lotharingse prinsen (we zijn in 1075). Robrecht begrijpt dat dit niet het ogenblik is om een oorlog tegen Engeland aan te gaan. Maar dit kan eventueel wel later gebeuren en om het bondgenootschap met de Denen, in geval van oorlog tegen Engeland, veilig te stellen stelt hij aan de Deense koning voor met zijn dochter Aleidis in het huwelijk te treden. De Deense koning aanvaardde Aleidis als bruid, wat tot gevolg had dat er een solide Vlaams-Deense alliantie tot stand kwam. Eenmaal Robrecht bevrijd was van zijn Henegouwse en Hollandse vijanden, kon hij overwegen zijn schoonzoon te steunen in diens ambitie de Deense dominantie in Engeland te herstellen.
Robrecht had hier een goede reden voor. Het was namelijk zo dat Willem de Veroveraar de jaarlijkse rente van 300 zilvermarken had stopgezet die hij regelmatig aan Boudewijn V had betaald voor diens neutraliteit in zijn veroveringsoorlog tegen Engeland, en die hij later ook had doorbetaald aan Boudewijn VI, kort na de Deense bedreiging. Als graaf van Vlaanderen en zoon van Boudwijn V, dacht Robrecht waarschijnlijk recht te hebben op die aanzienlijke rente. Hoe het ook zij, in 1085 brak de oorlog los, of toch bijna. Knut VI bewapende 1000 boten en Robrecht 600. Die indrukwekkende vloot zou naar Engeland varen, daar landen en een Deens-Vlaamse troepenmacht aan wal zetten. Maar zover kwam het niet. Knut die zijn vloot had samengetrokken in de Limfjord in het Noorden van Jutland viel uiteen toen Olaf, de broer van Knut, tegen hem een opstand ontketende die heel Jutland in rep en roer zette. Knut kon de opstand niet helemaal onderdrukken. Hij slaagde er wel in Olaf gevangen te nemen, maar omdat hij niet precies wist wat met hem te doen stuurde hij hem naar Robrecht. Kort daarop, op 10 juli 1086, wordt Knut IV in de St.-Albanuskerk te Odense vermoord.
Een Deense delegatie kwam toen naar Vlaanderen om van Robrecht de uitlevering te vragen van Olaf. Robrecht heeft hierin toegestemd tegen een losgeld van 10.000 zilvermarken.
In ieder geval kwamen hiermee de vijandelijkheden tussen Vlaanderen en Engeland een einde, evenals de relaties met Denemarken.
De laatste jaren van Robrecht
Robrecht was rond 1086 eindelijk volledig meester geworden in het graafschap. Na zo vele oorlogen en na het overwinnen van zo vele vijanden, betrok nu zijn zoon, de latere Robrecht II, bij het bestuur van het land om de rustige overdracht van zijn macht te verzekeren. Maar hij had ook nog een andere reden om de macht over het graafschap aan zijn zoon toe te vertrouwen. Niettegenstaande zijn ouderdom, hij was toen 57 jaar oud, had hij het plan opgevat een tocht naar Palestina te ondernemen. Een mysterieus land waar reeds voor hem meerdere Vlaamse bedevaarders naartoe waren getrokken en terug waren gekomen (sommigen) met wonderlijke verhalen. De best gekende pelgrim was de monnik Popo die nog als soldaat had gediend onder Boudewijn IV, de grootvader van Robrecht en als een van de eersten in het jaar 1000 en nog eens in 1005 als ridder een pelgrimstocht maakte naar het Heilig Land.
Robrecht vertrok in 1085 met een hele groep Vlaamse baronnen waaronder Boudewijn van Gent, Burchard van Komen, Geeraard van Rijsel, Walner van Kortrijk en Hermar van Zomergem. Het ging hier om een vredige pelgrimstocht, een voorloper van de kort daarop volgende minder vredige kruistochten. Na een lange reis dwars door Europa en dan verder via Constantinopel en Syrië bereikte Robrecht Palestina. Dit is ook het traject dat de eerste kruisvaarders met Pieter de Kluizenaar en Godfried van Bouillon later zullen volgen. Robrecht verbleef twee jaar in Jeruzalem en vatte de terugtocht aan in 1088. Aangekomen in Constantinopel ontmoette hij de Byzantijnse keizer Alexis I Commenos. Hij schijnt een diepe vriendschap met die keizer te hebben gesloten, zelfs in die mate dat hij hem, om hem te helpen in zijn strijd tegen de Turken, een Vlaams expeditiekorps stuurde bestaande uit 500 ruiters en 150 paarden. Men weet weinig van wat er verder van dit expeditiekops is geworden. Wat we wel weten is dat het samen met de Byzantijnse keizer betrokken was bij de verdediging van Nicomedia in Bithynië (Klein-Azië) tegen de aanvallen van de sultan van Nicea, maar dat is ook zowat het enige.
Robrecht kwam terug in Vlaanderen in 1091, waar hem de mare wachtte dat Richildis, zijn vroegere aartsvijand tegen wie hij vier keer oorlog had gevoerd, kort na zijn vertrek naar Palestina overleden was in de abdij van Messines waar ze zich in 1086 had teruggetrokken.
Robrecht overleed op 13 oktober 1093 in het castrum (een fort) van Kassel waar hij in 1072 een kerk ter ere van St-Peter had laten bouwen als aandenken aan de overwinning die hem de troon van Vlaanderen had gegeven.
Zijn zoon Robrecht, toen 28 jaar oud, volgde hem op onder de naam van Robrecht II, later bijgenaamd "van Jeruzalem".
Bibliografie:1. KOCH, G. Dr. "Gravin Richildis in Henegouwen en Vlaanderen", Standaard, Brussel 1951.
2. LE GLAY, Edward. "Histoire de comtes de Flandre", Brussel 1843.
3. DHONT, J. "Vlaanderen van Arnulf de Grote tot Willem Clito", Standaard, Brussel 1950.
4. VERLINDEN, Charles Dr. "Robert 1er le Frison, comte de Flandre", Parijs 1935.
Inhoudstafel - naar hoofdstuk 9
