De geschiedenis van Vlaanderen - Hoofdstuk 7
Het ontstaan van het Graafschap Vlaanderen: Boudewijn VI en Arnulf III
Geschreven door: Charles
Vanderhaegen -
in lichte mate bewerkt door Herman Boel
Gepubliceerd met vriendelijke toestemming van Charles
Vanderhaegen.
Een grafelijk dilemma
In ons vorig hoofdstuk hebben we gezien dat Adelheid, de dochter van Robert II, koning van Frankrijk en gemalin van Boudewijn V aan deze laatste vijf kinderen had geschonken, drie meisjes en twee jongens. Toen Boudewijn V in 1067 overleed had hij reeds de oudste van de meisjes, Mathilde, in 1053 uitgehuwelijkt aan de hertog van Normandië, Willem de Bastaard, die in 1066 na de fameuze slag bij Hastings koning zal worden van Engeland en van dan af de geschiedenis ingaat als Willem de Veroveraar. De oudste van de jongens, eveneens zoals zijn vader en grootvader Boudewijn geheten en waarschijnlijk geboren in 1035 (het juiste jaar is niet gekend), moet bij het overlijden van zijn vader toen 32 jaar oud zijn geweest. De tweede, Robrecht, genoemd naar zijn grootvader Robert II genoemd en waarschijnlijk geboren in 1037, is er dan 30.
Twee zonen nalaten is op zich niet een uitzonderlijk feit, maar wat de Vlaamse graven betreft was deze gebeurtenis wel van uitzonderlijk belang en zal ze heel verstrekkende gevolgen hebben. Vóór Boudewijn V hadden de Vlaamse graven meestal slechts één mannelijke opvolger gehad en dit heeft zeker een belangrijke rol gespeeld in hun groeiende macht. In die tijd liep het tussen vorstelijke zonen immers bijna altijd uit op een gewapende strijd voor het bezit van de kroon.
Ook Boudewijn V was zich bewust van dit mogelijk gevaar en zocht daarom naar een middel om aan ieder van zijn zonen een rijk te geven. Dit was niet eenvoudig want Boudewijn was als oudste zoon in ieder geval voorbestemd om de Vlaamse kroon te erven. Wat Robrecht betrof was het voor de oude Boudewijn allesbehalve gemakkelijk om daar tegenover een geschikt evenwicht te vinden. Het toeval kwam hem echter ter hulp. Tijdens een van zijn talrijke avontuurlijke reizen had Robrecht kennis gemaakt met Leertrui of Geertruide van Saksen, moeder van twee kinderen en weduwe van graaf Floris van Holland die door de Noormannen was vermoord. Toen Robrecht aan zijn vader liet weten dat hij van plan was met Geertruide in het huwelijk te treden, zag de oude Boudewijn onmiddellijk in dat het toeval hem een mogelijkheid had geschonken uit het dilemma te raken waarin hij met zijn zonen verstrikt zat. Hij gaf onmiddellijk zijn toestemming tot het huwelijk op voorwaarde dat Robrecht beloofde voor altijd afstand te doen van enige aanspraak op het Vlaamse graafschap. Robrecht stemde toe en het huwelijk werd in 1063 met grote praal voltrokken in Oudenaarde.
De oude Boudewijn schijnt niet bepaald gerust te zijn geweest in Robrechts belofte want kort daarop zond hij een gezantschap edelen naar Robrecht met het verzoek dadelijk naar Oudenaarde te willen komen om een verbond te sluiten met zijn broer Boudewijn. De bijeenkomst ging met indrukwekkende plechtigheden gepaard. De bisschoppen van Doornik, Noyon en Terwaan waren aanwezig en keken als getuigen toe hoe Robrecht op het reliekschrijn van Sint-Donatius van Reims, dat Boudewijn den IJzeren toendertijd naar Brugge had overgebracht, zwoer dat hij steeds het graafschap Vlaanderen als het uitsluitende bezit van zijn broer Boudewijn zou eerbiedigen.
Voor deze dubbelzinnige eed werd Robrecht gul door zijn vader beloond. Inderdaad een dubbelzinnige eed, want over de eventuele nakomelingen van Boudewijn was er met geen woord gerept zodat de eed in feite alleen maar waarde had zolang Boudewijn leefde. Of de oude Boudewijn zich daar rekenschap heeft van gegeven weten we niet, maar hoe het ook zij, meteen na de plechtigheid vertrok Robrecht met nieuwe paarden en zwaar met goud beladen naar het noorden terug waar zijn aanwezigheid wegens de onstabiele politieke toestand dringend vereist was. Robrecht, die tijdens de minderjarigheid van de kinderen van zijn vrouw de macht in het graafschap uitoefende, had zich immers onvermijdelijk vele vijanden op de hals gehaald.
In ieder geval had Boudewijn V toch bereikt dat zijn oudste zoon het Vlaamse graafschap zonder tegenspraak zou erven terwijl tegelijkertijd zijn jongste zoon in Holland een grafelijke rol zou spelen. Het was aldus dat de oude Boudewijn, gelukkig dat zijn geslacht een veilige toekomst tegemoet zag, in 1067 vredig overleed.
Boudewijn VI
Boudewijn, zoon van Boudewijn V, graaf van Henegouwen door zijn huwelijk met Richildis, weduwe van graaf Herman van Henegouwen, volgde zijn vader op 1 september 1067 op en werd zo naast zijn voorgenoemde titel ook graaf van Vlaanderen. Zolang zijn vader leefde had Boudewijn VI wel een tamelijk aanzienlijke rol gespeeld, maar door zijn zwakke gezondheid en zijn grote religiositeit vertoonde hij niet de kracht, de durf en de onstuimigheid van zijn vader en grootvader.
Hij was niet alleen tenger van gestalte maar hield ook schijnbaar meer van muziek dan van oorlog voeren. Dit is waarschijnlijk ook de reden waarom er gedurende de weinige jaren dat hij de grafelijke macht uitoefende, praktisch niets veranderde. We hebben reeds gezien dat hij voor zijn opvoeding door zijn vader aan het hof van de Duitse keizer was geplaatst en zelfs voor hem van de keizer het bevel over de mark Antwerpen verkreeg. In 1051 trouwde hij met Richildis, gravin van Henegouwen, die hem drie kinderen schonk: Arnulf, de latere graaf Arnulf III van Vlaanderen en Henegouwen, Boudewijn, die later als Boudewijn II graaf zal worden van Henegouwen, en een dochter, Agnes.
Volgens zijn secretaris, raadsman en panegyrist, de monnik Thomelius, zou zijn grote devotie voor de kerk ontstaan zijn uit een gebeurtenis die zich in zijn jeugd zou hebben afgespeeld. Getroffen door een onbekende ziekte stond hij op het punt te sterven toen de Heilige Petrus en de Heilige Marcellinus hem in een droom verschenen. Deze spraken tot hem de volgende woorden: "Gij kunt genezen van Uw ziekte als gij de gelofte aflegt de abdij van Hasnon in haar kerkelijke waardigheid te herstellen". Zelfs in coma zag de zieke Boudewijn in dat dit zijn enige kans was te genezen en hij legde dan ook, in zijn droom, de gevraagde gelofte af.
Het was namelijk zo dat er in het kasteel van Hasnon, een dorpje tegen Valenciennes, een man woonde die luisterde naar de naam van Witheric en zo ontuchtig was dat hij de goede naam van de abdij bezoedelde en de mensen in het dorp zich alle dagen tot God richtten om Hem te vragen deze snoodaard te doen sterven. De Heiligen hadden aan Boudewijn niet bepaald gevraagd Witheric te doden, maar hem op zijn minst te verjagen.
Zodra Boudewijn genezen was vergat hij echter, zoals wel meer gebeurt, zijn gelofte. Maar onze Heiligen waren het niet vergeten en toen Boudewijn een paar jaar later, in 1055 om precies te zijn, met zijn vader optrok tegen Antwerpen, lieten ze hem in een zwaardgevecht ernstig gewond geraken en hem zo aan zijn gelofte te herinneren. En het lukte ook. Zodra zijn wonden genezen waren trok hij op naar het kasteel van Witheric, veroverde de burcht, brak ze af tot op de grond en liet wat er nog van de fundamenten overbleef bedekken met een dikke laag aarde waarop hij later een kerk liet bouwen. Heel die verovering was niet zo moeilijk geweest want ondertussen was Witheric in een duel omgekomen en was er dus van een verdediging van het kasteel weinig sprake.
Dit verhaal heeft weinig of geen historische waarde, maar we hebben het hier opgenomen omdat het de geschiedschrijving van die tijd typeert. In feite niets meer dan historisch zinsbedrog dat moeiteloos plaats vond in een gedachtewereld vol van bijgeloof en bijgelovige religiositeit. Een tijd waarin de historici zich alleen bekommerden om koningen, vorsten, veldslagen en huwelijkspolitiek en waarin hun literaire teksten doorsmukt waren met allerlei fantastische verhalen over goddelijke interventie, gekoppeld aan lage vleierij aan het adres van de bewierookte vorst in wiens dienst ze stonden en wiens brood ze aten. Geschiedenis was toen heilig, geschiedkundige gebeurtenissen werden beschouwd als een manifestatie van de godheid. Geschiedenis werd herleid tot theofanie, d.i. de openbaarheid van God in de waarneembare gebeurtenissen.
Dit soort geloof in de almacht van een God die zelf het historische tijdsverloop bepaalde, vloeide voort uit de primitieve wereld die we in dit middeleeuwse tijdperk ontwaren. Een wereld met een ongetemde grillige natuur waar een dun gezaaide bevolking op tragische wijze met de blote hand of met onbeduidende werktuigen streed tegen de onbegrepen kracht van de aarde, zwoegend het land bewerkten om er wat schamel voedsel aan te onttrekken, terwijl ze regelmatig werden gekweld door ziektes, epidemieën of invallen van plunderende, dood en vernieling zaaiende legers. Een tijd waarin vijf kinderen op zeven stierven en twee oogsten op drie mislukten. Een tijd waarin het boerenvolk, meer slaaf dan boer, onderworpen was aan enkele machtige families, die zich in zijtakken splitsten maar door de kracht van de verwantschappen stevig rond één stam bijeen werden gehouden, en door de historici als morele voorbeelden werden gesteld.
Vanaf het midden van de elfde eeuw komt er in die toestand echter een kentering. Er komen nog wel enkele Noorse strooptochten en de Saracenen zullen ook nog het zuiden van Frankrijk teisteren, maar de grote woelingen zijn afgelopen en men voelt hoe er langzaam, wel met vallen en opstaan, maar toch gestadig een sociale ontwikkeling plaatsvindt die zich tot in de huidige tijd zal voortzetten.
Maar Boudewijn VI zal daar niet veel van meemaken, maar wel toe bijdragen. Hij sterft in 1070. Hij moet dan vooraan in de dertig zijn geweest, en laat een weduwe achter met drie kinderen. Van zijn korte regeringsperiode blijft er niet veel over. De enige vorstelijke daad die we hem kunnen toeschrijven is de stichting van de versterkte stad Geeraardsbergen en de daarmee verbonden vorstelijke akte.
In het jaar 1068 koopt Boudewijn van een zekere baron Geeraard een landelijk kasteel aan de oevers van de Dender. Hij laat het kasteel ombouwen tot een versterkte burcht met de bedoeling de verdediging van de Vlaamse gebieden ten oosten van de Schelde te verbeteren. De nieuwe burcht en het daar omliggende land wordt aldus een kleine stad die hij naar de vroegere eigenaar Geeraards Bergen of Gérard-Mont noemt, later verbasterd tot Grammont. Het opmerkelijke hierbij is dat hij aan dit nieuwe stadje en haar inwoners een reeks beschermende wetten schenkt die in een akte worden vastgelegd en die als het oudste burgerlijk en strafrechterlijk geschreven recht kunnen beschouwd worden in Vlaanderen. Hier zien we voor de eerste keer een feodale vorst een reeks van rechten verzekeren voor een groep mensen die tot op dat ogenblik op geen enkel recht van welke aard ook aanspraak kon maken.
Een tweede opmerkelijk feit is dat deze rechten niet alleen door Boudewijn VI werden opgesteld, maar dat ze bovendien nog de goedkeuring kregen van de baronnen van Vlaanderen, Henegouwen en Brabant, die gezamenlijk de eed aflegden deze rechten "voor eeuwig" te zullen respecteren. Een van die rechten bepaalde dat: "Gelijk wie, van welke stand ook, die in de stad Geeraardsbergen een erfelijkheid koopt, vrij zal zijn op voorwaarde dat hij de wetten en de rechtspraak van de schepenen respecteert".
Hierbij valt ook nog op te merken dat deze akte, die voor de eerste keer in onze geschiedenis het principe van de vrijheid van de burger waarborgt, niet het resultaat was van een oorlog of een opstand maar het gewone resultaat van een sociale ontwikkeling, die van dan af niet meer te stuiten valt.
Toen Boudewijjn door een ongeneeslijke ziekte werd aangetast
en
zijn einde voelde naderen, riep hij zijn getrouwen samen. Na
overleg over zijn opvolging schonk hij het graafschap Vlaanderen
aan Arnulf, zijn oudste zoon, en het graafschap Henegouwen aan zijn
tweede zoon, ook Boudewijn geheten, later Boudewijn II van
Henegouwen. Indien een van beide jongens zou overlijden, zal de
overlevende het graafschap van de overledene erven.
Arnulf was toen nog vrij jong (waarschijnlijk geboren in 1055) en
om zijn bescherming te verzekeren tegen mogelijke kandidaten die
klaar stonden of onverwachts op het toneel konden verschijnen om
onder een of ander voorwendsel de kroon van Vlaanderen ten nadele
van zijn zoon op te eisen, deed hij beroep op zijn broer Robrecht,
bijgenaamd de Fries. Hij nodigde hem uit om naar Brugge te komen om
er in tegenwoordigheid van zijn baronnen en pairs de eed af te
leggen dat hij nooit enige daad van geweld zou stellen, noch tegen
Arnulf, noch tegen Boudewijn en dat hij nooit, zolang ze leefden,
aanspraak zou maken op hun domeinen. Robrecht legde zonder enige
tegenspraak deze eed af, net als de vorige, op het schrijn van
Sint-Donatius.
Met deze eed werd de dubbelzinnigheid van de eerste eed teniet gedaan. Bovendien impliceerde deze tweede eed ook dat Robrecht het bezitsrecht op Vlaanderen en Henegouwen, dat aan de twee jongens toekwam, tegen derden zou beschermen. En net zoals voor het afleggen van zijn eerste eed werd hij nu opnieuw door zijn broer gul met geschenken overladen.
Dat Boudewijn Robrecht aan zijn sterfbed riep om een dergelijke eed af te leggen moet niet alleen geïnspireerd zijn door zijn vrees voor een machtsovername van Vlaanderen door Robrecht maar ook uit vrees dat door een eventueel derde huwelijk van Richildis zijn zonen van hun troonrechten konden worden beroofd, net zoals dit met de twee kinderen uit Richildis' eerste huwelijk was gebeurd. Boudewijn moet de machtsaspiraties van Richildis hebben gekend en de bescherming van Robrecht als enige uitweg hebben gezien tegen de mogelijkheid dat een vreemdeling de troon van Vlaanderen zou overnemen .
Arnulf III
Het was op 17 juli van het jaar 1070 dat Boudewijn VI begraven werd in de Abdij van Hasnon, die hij enkele jaren voor zijn dood had bevrijd van de baldadige invloed van Witheric. Arnulf volgde hem op als negende graaf van Vlaanderen onder de naam van Arnulf III. Hij moet dan zowat vijftien jaar oud zijn geweest, naar onze standaarden dus nog vrij jong, maar toch oud genoeg om de titel van graaf te dragen aangezien in die tijd de opvolgers van de vorsten en graven reeds op vijftienjarige leeftijd meerderjarig werden verklaard, tot ridder werden geslagen en hun eerste harnas aanpastten.
We weten bitter weinig over hem, maar wel weten we dat hij net zoals zijn vader een zwakke gezondheid had en dat hij, wellicht hierdoor zeer sterk onder de invloed stond van zijn ambitieuze moeder Richildis. Zijn regering was van vrij korte duur want nauwelijks zeven maanden nadat hij de titel van graaf had geërfd zal hij, zoals we verder zullen zien, gedood worden in de slag om Kassel.
Richildis
Toen Boudewijn VI overleed, was zijn broer Robrecht in Holland druk bezig om de toekomst van zijn twee stiefzonen veilig te stellen. Richildis vond dit een uitstekende gelegenheid om zich van de macht over Henegouwen én Vlaanderen meester te maken. Daarbij kwam nog dat zij haar oudste zoon Arnulf III, graaf van Vlaanderen nog jong en onervaren achtte en ze dus van zijn kant, noch van de kant van haar tweede zoon Boudewijn II van Henegouwen die nauwelijks 10 jaar oud was, niet veel hoefde te vrezen. Richildis was een zeer ambitieuze vrouw met een hard karakter. Ze kwam uit een taai en weerbarstig geslacht en als nicht van Paus Leo IX, neef van Koenraad II van Duitsland, was zij bovendien ook nog van keizerlijken bloede.
Reeds geruime tijd vóór de dood van haar man Boudewijn
VI, was zij erin geslaagd in Henegouwen een fractie van edelen
samen te stellen met aan het hoofd de baronnen Mailly en Coucy, die
haar met raad en daad in al haar ambities bijstonden. De eerste
beslissing die ze in de naam van Richildis namen was het testament
van Boudewijn VI, waarin de bescherming van de Vlaamse troon van
Arnulf III door Robrecht was voorzien, van nul en generlei waarde
te doen verklaren.
Toen Robrecht dit in Holland vernam riep hij Richildis op hem de
regering van Vlaanderen over te dragen. Maar zoals te verwachten
viel dit verzoek van haar schoonbroer in Richildis' dovemansoren.
Ze begreep echter wel dat door haar weigering op diens eis in te
gaan zij van hem een onverbiddelijke vijand had gemaakt. Ze wist
ook dat Robrecht op dat ogenblik in een ingewikkelde strijd was
gewikkeld tegen Willem, bisschop van Utrecht en zijn bondgenoot
Godfried III, bijgenaamd met den Bult, hertog van
Neder-Lotharingen. Zij aarzelde dan ook geen ogenblik om van deze
gelegenheid gebruik te maken naar Vlaanderen op te rukken en
Robrechts domeinen in bezit te nemen.
Ze maakte zich zo meester van Aalst, de Vier Ambachten en de Zeelandse eilanden. Toen Jan of Raas van Gavere, heer en slotvoogd van de heerlijkheid Gavere dat een der vijf Leden of Landen was van het Land van Aalst, zich tegen Richildis verzette, werd hij prompt aangehouden en onthoofd. Maar dit was niet voldoende voor Richildis. Zij begon haar macht zonder enig ontzien over een groot gedeelte van Vlaanderen uit te breiden. Officiële aktes werden in haar naam gepubliceerd, waarbij de bevolking zich begon af te vragen of Arnulf III nog leefde en indien dit zo was, waarom niet hij, als graaf van Vlaanderen, het bewind over zijn graafschap voerde maar wel zijn Henegouwse moeder.
Richildis had geld nodig om haar huurlingen te betalen en steeds nieuwe te kunnen aanwerven en begon daarom over het gehele land de taksen buitensporig te verhogen. Ze ging daarbij tot in het absurde tewerk. Zo moest er een taks van vier deniers betaald worden door iedereen die een bed had. De wevers moesten een cijns betalen op ieder afgewerkt stuk laken en van de tienden (de kerkbelasting) die door de boeren aan de kloosters werden betaald, moest een ruim deel aan de gravin worden afgestaan.
Wanneer ze de fameuze "balfaert" bedenkt, een belasting die wordt geheven voor het onderhoud van haar burchten en die bijzonderlijk de spinners en de wevers van leper treft, trekken drieënzestig burgers naar Rijsel om Richildis te verzoeken deze belasting, die hun stad in hongersnood dreigt te dompelen, in te trekken. Maar de onverbiddelijke Richildis voelt zich geërgerd door dit voor haar beledigende verzoek en roept haar soldaten op de groep ongewapende burgers te omsingelen en hen, voor ze hen vrijlaat, allemaal een oor af te snijden.
Maar het helpt allemaal niet veel. Wanneer de geschonden mannen in leper terug komen trekken ze naar de kerk en zweren ze dat God hen in de hel mag storten als ze maar één penning van de nieuwe belasting zullen betalen. Wanneer Richildis dit verneemt komt ze onverwijld met haar soldaten naar leper, laat de drieënzestig burgers gevangen nemen, onthoofden en hun rechterhand op de deuren van hun huizen nagelen als waarschuwing voor al dezen die het maar dierven te overwegen haar recht op die "balfaert" te betwisten.
Vlaanderen staat op tegen Richildis
Deze gang van zaken wekte al snel een algemene ontevredenheid
onder haar Vlaamse onderdanen. De gravin, die gewoon was het grafelijk
gezag uit te oefenen in Henegouwen, een graafschap dat grotendeels uit
grote eigendommen bestond welke volgens een zeer nauwgezet domaniaal
recht werden beheerd, stond in Vlaanderen voor een voor haar onbekende
toestand. De meeste gronden langs de kust waren op het water veroverd
en werden uitgebaat volgens gebruiken die in rechte aan de bevolking
grote vrijheid lieten.
Richildis heeft nooit rekening gehouden met deze grote
vrijheidsmentaliteit, iets wat ze in Henegouwen nooit had gekend, en
dat is haar ook fataal geworden.
Een groep Vlaamse edelen die de tirannie van Richildis met haar absurde taksen beu zijn, gaan in de herfst van het jaar 1070 Robrecht de Fries in zijn burcht in Vlaardingen opzoeken om hem te verzoeken de leiding van een opstand tegen Richildis op zich te nemen. Robrecht die, niettegenstaande zijn dubbele eed aan zijn broeder Boudewijn VI, nooit heeft opgehouden aan zijn verzuchtingen te verzaken eens graaf van Vlaanderen te worden, stemt onmiddellijk toe.
Zonder aarzelen bereidt hij de opstand tegen Richildis voor. Hij komt naar Vlaanderen en onderhoudt zich met de edelen van Brugge, Gent, Sint-Omaars en enkele andere Vlaamse gemeenten. Hij overtuigt ze makkelijk van de noodzaak Richildis te verjagen en verzekert zich van hun totale medewerking. Daarna keert hij terug naar Holland om een leger samen te stellen van al de weerbare mannen die met hem tegen Richildis willen optrekken.
Richildis wordt door soldaten van Robert de Fries gevangen genomen
bij de slag om Kassel in 1071.
(Naar een gravure van De Doncker en E. Vermorckens)
De Slag om Kassel
Het signaal voor de opstand wordt door de handlangers van Robrecht gegeven op Lichtmis, 22 februari 1071, door het in brand steken van een herdershut in de duinen van Kapelle, ten noorden van Sluis. Op dit signaal vaart Robrecht, die met enkele schepen in de Westerschelde lag te wachten, naar de Vlaamse kust en ontscheept niet ver van Oudenburg zijn leger van Hollanders en Friezen, waar deze al worden opgewacht door een leger dat is samengesteld uit Gentenaars, Bruggelingen en mannen uit Yzendijke, Oostburg en Aardenburg.
Aan het hoofd van dit leger trekt Robrecht dwars door de Vlaanders en doet zijn leger aanzwellen met groepjes gewapende mannen die langs de weg op hem staan te wachten. Het gaat eerst naar Gent waar hij bezit neemt van de grafelijke titel. Aan het hoofd van zijn steeds aangroeiend leger rukt hij op naar Rijsel dat zonder veel problemen wordt ingenomen en waar hij een van de raadsmannen van Richildis, de reeds genoemde baron van Mailly, kan verrassen. Deze wordt zonder veel ceremonie of enig proces gedood en zijn lichaam wordt door de straten van de stad gesleurd overeenkomstig de verfijnde wreedheid die in die tijd gewone kost was.
Vanuit Rijsel vertrekt Robrechts leger nu niet naar Bergen, maar draait zich naar het noordwesten in de richting van Kassel waar, zo heeft hij door zijn spionnen vernomen, Richildis haar leger heeft samengetrokken toen zij het bericht had ontvangen van de landing van Robrecht op de Vlaamse kust. Kassel was strategisch goed gekozen want van daar uit kon zij, door op te rukken naar het oosten, heel vlug Robrechts leger van zijn tocht vanuit het Vlaamse kustgebied naar Henegouwen afsnijden of in de rug aanvallen. Richildis was dus niet alleen onvervaard en wreed, maar ze had schijnbaar ook nog goed militair inzicht.
Voor Kassel aangekomen, neemt Robrecht bezit van Kasselberg
waarop de oude Romeinse burcht is gelegen die rond 950 door Arnulf
I was heropgebouwd. Ongeveer tezelfdertijd, d.i. op 20 februari
1071, komt ook het leger van de Franse koning Filips I, die in het
conflict om de macht in Vlaanderen de partij van Richildis heeft
gekozen, aan te Kassel. Hier krijgt hij ook het gezelschap van de
Engelse graaf William Fits Osbern of Fitsobern die dingt naar de
hand van Richildis en om zijn liefde te bewijzen haar met een klein
leger ter hulp is gekomen.
Twee dagen later, op 22 februari 1071 gaat Robrecht tot de aanval
over, voor zijn vijanden totaal onverwachts, want het is bitter
koud en niet bepaald een gunstig weer om oorlog te voeren. Volledig
verrast slaan de Franse troepen op de vlucht, Fitsobern word in een
duel door Robrecht gedood en Richildis die, zoals altijd,
persoonlijk haar troepen aanvoert wordt gevangen genomen en op een
wagen buiten de stad gevoerd.
Arnulf III, later bijgenaamd de Ongelukkige, wordt tijdens het gevecht door een van zijn eigen leenplichtigen, een zekere Gerbodon, verraderlijk vermoord. Deze Gerbodon zal later naar Rome gaan en aan de paus vergiffenis vragen voor zijn snode daad. Na de vergiffenis te hebben ontvangen, trekt hij zich terug in het klooster van Cluny.
Ondertussen achtervolgt Robrecht de Franse vluchtende troepen maar raak omsingeld door een Franse achterhoede. Hij wordt gevangen genomen. Dit heeft verder geen gevolgen want Richildis en Robrecht zullen later tegen elkaar worden uitgewisseld. Filips I is bekomen van zijn Kassels avontuur en wil verder niets meer met Richildis te maken hebben. Om zijn goede wil tegenover Robrecht te bewijzen huwt hij met diens stiefdochter Bertha van Holland. Hij zal haar echter in 1092 verstoten.
Robrecht is nu de onbetwiste tiende graaf van Vlaanderen. Boudewijn, de overgebleven zoon van Richildis, moet zich met het graafschap Henegouwen tevreden stellen. Niettegenstaande nog enkele vergeefse pogingen van Richildis om Boudewijn toch nog op de troon van Vlaanderen te krijgen zal Boudewijn zich later met zijn oom verzoenen.
Korte tijd is Vlaanderen met Henegouwen verenigd. Nu zijn de twee graafschappen opnieuw gescheiden en het zal duren tot op het einde van de 12e eeuw voor ze weer een geheel zullen vormen.
Bibliografie:1. KOCH, G. Dr. "Gravin Richildis in Henegouwen en Vlaanderen", Standaard, Brussel 1951.
2. GANSHOF, F.L. "Vlaanderen onder de eerste graven", Brussel 1944.
3. LE GLAY, Edward. "Histoire de comtes de Flandre", Brussel 1843.
4. PIRENNE, Henri. "Geschiedenis van België", Brussel 1928.
5. VERLINDEN, Charles Dr. "Robert 1er le Frison, comte de Flandre", Parijs 1935.
Inhoudstafel - naar hoofdstuk 8
