De geschiedenis van Vlaanderen - Hoofdstuk 6

Het ontstaan van het Graafschap Vlaanderen: Arnulf II en Boudewijn IV

Geschreven door: Charles Vanderhaegen - in lichte mate bewerkt door Herman Boel
Gepubliceerd met vriendelijke toestemming van Charles Vanderhaegen. 

Boudewijn V treedt aan

Boudewijn IV, bijgenaamd met den Baard en de vijfde graaf van Vlaanderen, overleed op 30 mei 1035 en werd in de Sint Pietersabdij te Gent begraven. Uit zijn huwelijk met Ogiva van Luxemburg liet hij twee kinderen na: een zoon, ook Boudewijn genoemd, die hem zal opvolgen als Boudewijn V, en een dochter die later trouwde met Hendrik II, de graaf van Leuven en waar we verder niets meer zullen van vernemen.

Toen Boudewijn V het gezag over Vlaanderen van zijn overleden vader overnam, verkeerde het graafschap in redelijke rust. Dit hield enkele jaren aan want in die periode onderhield hij uitstekende betrekkingen met zijn schoonbroer Hendrik I, koning van Franrijk. Boudewijns vader had aan de Franse koning Robert II de hand van diens dochter had gevraagd en gekregen. Dat huwelijk verzekerde hem hem langs de zuidelijke kant van zijn graafschap een relatieve rust.

Ook langs de oostelijke kant van het graafschap bleef het vrij rustig. Boudewijn V onderhield namelijk eveneens de beste betrekkingen met de Duitse keizer Hendrik III . Hij stuurde zelfs zijn oudste zoon, later Boudewijn VI, voor zijn opvoeding naar het hof van de Duitse keizer en verkreeg voor hem in 1045 het bevel over de mark Antwerpen.

 

De strijd tegen de voogden

Door deze rustige periode kon Boudewijn V ten strijde te trekken tegen de voogden van de abdijen. Deze strijd tegen die zogenaamde "voogden" is een stuk Vlaamse geschiedenis op zichzelf. Het was namelijk zo dat alle abdijen in het graafschap onder de voogdij stonden van de graaf. Dit hield in dat de graaf de onschendbaarheid. van de eigendommen van de abdijen moest waarborgen en dus de verplichting had de kloostergemeenschappen en de ingezetenen van die abdijdomeinen te beschermen tegen alle aanmatigingen of wandaden van derden. Als tegenprestatie waren de vazallen en de horigen van de abdijen verplicht in geval van oorlog met het leger van de graaf op te trekken en moesten de abdijen hem bovendien op regelmatige tijdstippen voor zijn voogdij vergoeden, soms in geld, soms in natura, soms in allebei.

Maar omdat de graven niet altijd bij machte waren deze voogdijtaak steeds ter plaatse uit te oefenen, hadden zij aan bepaalde heren uit de omgeving van de abdijen opdracht gegeven de grafelijke voogdijverplichtingen voor hen waar te nemen. Die heren noemde men ondervoogden of kortweg voogden. Deze "voogden" waren echter nogal kort van geheugen, want toen Arnulf I, de overgrootvader van Boudwijn V, overleed vergaten de "voogden" in de crisis die daarop volgde dat ze slechts plaatselijke waarnemers waren voor de graaf en begonnen zij als zelfstandige meesters op te treden die aan niemand iets verschuldigd waren. Zij riepen de krijgsmachten van de abdijen voor hun persoonlijke belangen ten strijde, hieven belastingen, spraken recht zonder toestemming van de graaf en kenden zich daarnaast een heleboel rechten toe die de graven als voogd nooit hadden uitgeoefend. In feite kwam het erop neer dat zij de domeinen waarover zij de voogdij uitoefenden ombouwden tot eigen heerlijkheden.

Noch Arnulf II of Boudwijn IV hadden tijdens hun regering de tijd gehad om zich tegen die wederrechterlijke aanmatiging te verzetten. Maar met Boudewijn V kwam daar verandering in. Nauwelijks aan de macht bond hij de strijd aan tegen de misbruiken van de voogden door aan de abdijen hun rechtmatige eigendommen terug te geven en een einde te stellen aan de rechtsmacht die de voogden zich hadden toegeëigend. Van nu af was het de graaf die bepaalde aan welke plichten de voogden onderworpen waren, welke rechten ze mochten uitoefenen en werd de strenge ascese van de Benedictijnse kloosters terug ingevoerd die onder de voogden grotendeels verloren was gegaan. Dit gebeurde ongetwijfeld mede onder de invloed van de hervormingsgezinde abt Richard de Saint-Vannes bij Verdun en zijn volgelingen die er in de elfde eeuw naar streefden het strenge kloosterleven te herstellen dat verloren was gegaan door de paniek van het jaar duizend en het onrechtmatig optreden van de voogden.

 

Een conflict met het graafschap Holland

Nauwelijks was de orde binnen het graafschap min of meer hersteld of er daagde al een nieuwe strijd aan de horizon. De graaf van Holland Diederik IV, in Nederland ook gekend als graaf Dirk IV van Friesland, die in 1039 zijn vader had opgevolgd, liet praktisch onmiddellijk na zijn troonbestijging aan Boudewijn weten dat hij weigerde nog verder de soevereiniteit van de Vlaamse graaf over Walcheren, de bijhorende Zeeuwse eilanden en de zogenoemde Vier Ambachten, te erkennen. Dit was het gebied dat Boudewijn IV destijds van de Duitse keizer had gekregen als beloning voor de steun die hij van de graaf had gekregen in de strijd tussen het Keizerrijk en de Lotharingse opstandelingen.

Deze weigering van de graaf van Holland werd door Boudewijn als een grove belediging aan het adres van zijn overleden vader beschouwd en werd dus zonder dralen als een uitstekende reden beschouwd om een veldtocht tegen Diederik te rechtvaardigen. Boudewijn viel het graafschap Holland binnen en versloeg in korte tijd en zonder veel moeite het zwakkere Hollandse leger. Het was meer een strafexpeditie dan iets anders en veel voordeel haalde Boudewijn niet uit deze overwinning. Zo werden er geen nieuwe gebieden op Holland veroverd, maar het stelde Boudewijn wel in staat Diederik te doen zweren dat hij van zijn aanspraak op de Zeelandse gebieden afzag en dat hij de soevereiniteit van de Vlaamse graaf over de voorgenoemde gebieden niet langer betwistte. De grenzen tussen het graafschap Vlaanderen en het graafschap Holland bleven aldus ongewijzigd.

 


De strijd met Henegouwen

Na deze geslaagde veldtocht tegen de Hollandse graaf was de rust van korte duur. In 1040 overleed immers de graaf van Henegouwen, Rainir V, en werd hij opgevolgd door zijn zoon Herman, bijgenaamd van Bergen (of Mons). Deze troonsbestijging bezorgde Boudewijn een geduchte vijand want Herman kon er niet in berusten dat de streek rond Valencijn, dat tot het graafschap Henegouwen en de mark Ename behoorde waarop hij ook recht dacht te hebben, in 1006 door Boudewijn IV op zijn vader was veroverd en die verovering bovendien nog de goedkeuring had gekregen van de Duitse keizer Hendrik II. Een goedkeuring die de Duitse keizer toendertijd had geformuleerd als een "geschenk" aan de Vlaamse graaf om, zoals in het geval van de voorgenoemde Zeelandse gebieden, zijn bondgenootschap met de Vlaamse graaf tegen de Lotharingse opstandelingen veilig te stellen.

Herman van Bergen was een zeer kordaat man die niet van treuzelen hield. Nauwelijks een jaar na zijn troonsbestijging begon hij aan zijn "heroveringstocht". In 1041 was Boudewijn V met zijn leger naar de streek van Orléans vertrokken om zijn schoonbroer Hendrik I van Frankrijk in zijn strijd tegen een groep opstandige vazallen bij te staan. Zonder enige aarzeling maakte Herman hiervan gebruik om met zijn leger naar de mark Ename op te rukken en het in vrij korte tijd te veroveren. De burcht die de Duitse keizer Otto II daar in 980 had opgericht en door Boudewijn IV was afgebroken, werd opnieuw opgebouwd om de mark tegen een eventuele herovering door Boudewijn veilig te stellen.

Vandaar trok hij in 1042 of 1043 naar Valencijn en slaagde er in ook dat gebied in handen te krijgen.

Toen Boudewijn een jaar later, waarschijnlijk in 1044, uit Frankrijk terug kwam stond hij voor een voldongen feit. Het duurde tot in 1047 vooraleer er een regeling kwam betreffende de twee gebieden. Volgens deze regeling berustte Boudewijn erin dat de streek rond Valencijn in handen bleef van de graaf van Henegouwen, terwijl deze laatste afstand deed van de mark Ename dat dus terug kwam naar Vlaanderen.

Het is interessant hierbij op te merken dat de mark Ename, die gedurende meer dan een halve eeuw een bloeiende handelsplaats was geweest tussen Vlaanderen en Lotharingen, vanaf toen begon weg te kwijnen ten voordele van Oudenaerde dat iets verder eveneens aan de oevers van de Schelde gelegen was.

 

Het Frans-Duitse bondgenootschap wankelt

Dat de overeenkomst tussen Herman van Bergen en Boudewijn V zo tot stand kwam en beide antagonisten zo gemakkelijk tot een akkoord kwamen was te wijten aan een diepgaande wijziging van de West-Europese politieke conjunctuur die zich vanaf 1044 aan het ontwikkelen was.

De relatief goede verhouding tussen de West-Europese heersers sloeg in 1044 namelijk om in een heftige vijandschap. Een eerste aanleiding was het ineenstorten van het trouwe bondgenootschap tussen de Franse koning Hendrik I en de Duitse keizer Hendrik III. Hendrik I was zelfs twee keer getrouwd geweest met een Duitse vorstin. De eerste keer met Mathilde, dochter van Keizer Konraad II en de tweede keer eveneens met Duitse prinses die, zoals zijn eerste vrouw, luisterde naar de naam van Mathilde.

Om de een of andere reden vatte Hendrik III plotseling het idee op om te trouwen met Agnes, de pleegdochter van de Franse graaf Godfried van Anjou. Toen de Franse koning Hendrik die keizerlijke trouwplannen vernam, sloeg hem de angst om het hart, want hertog Godfried was een zeer machtig man en Hendrik I vreesde dat dit huwelijk van de Duitse keizer met een Franse prinses een gevaar kon opleveren voor zijn troon. Hij trachtte dan ook met alle mogelijke middelen de Duitse keizer op andere gedachten te brengen, maar tevergeefs. De Duitse keizer, die de invloed van de graven van Anjou in Zuid-Frankrijk nodig had om zijn internationale ambities te kunnen verwezenlijken, volhardde in zijn trouwplannen en het huwelijk werd in 1043 gesloten.

 

Lotharingen opnieuw tot strijdtoneel

Ongeveer tezelfdertijd werd het Duitse gezag in Lotharingen nog eens bedreigd. Sedert de 10e eeuw was Lotharingen, dat van Friesland tot aan de Jura reikte, ingedeeld in twee hertogdommen: Opper-Lotharingen en Neder-Lotharingen. Die twee hertogdommen kwamen in 1033 onder het gezag te staan van hertog Gothelo I, een trouw vazal van de Duitse keizer. Bij zijn overlijden in 1043, liet Othelo drie zonen na: Godfried II, bijgenaamd met den Baard, Gothelo II, bijgenaamd de Luiaard, en Frederik. Uit de erfenis van Gothelo I kreeg Godfried II Neder-Lotharingen en Gothelo II Opper-Lotharingen. Frederik van Lotharingen, de derde zoon, bleef buiten de erfenis, trok zich terug in het priesterschap en zou later zelfs paus worden onder de naam Stefanus IX.

Die verdeling van Lotharingen viel echter niet in de smaak van Godfried. Als oudste zoon van Gothelo dacht hij recht te hebben op geheel Lotharingen en niet alleen op het noordelijke gedeelte. Omwille van dit volgens hem onterechte onrecht riep hij enkele van zijn edelen tot hem om hem te steunen in zijn ambitie geheel Lotharingen onder zijn macht te krijgen. Maar zijn plan mislukte. De Duitse keizer Hendrik, die in een verenigd Lotharingen een bedreiging zag voor zijn gezag, liet Godfried gevangen nemen en hield hem meer dan een jaar opgesloten.

Kort daarop, in 1046, overleed Gothelo II zonder enige erfgenamen achter te laten. Godfried dacht nu eindelijk zijn kans te krijgen en eiste als erfgenaam van zijn broer het bezit op van Opper-Lotharingen. Maar ook deze maal ving hij bot want de keizer schonk het hertogdom aan Frederik van Luxemburg. Op die manier belette Hendrik dat de twee Lotharingen verenigd werden tot een territoriale eenheid, machtig genoeg om zich op een dag van de keizerlijke macht te ontdoen en aldus een onafhankelijkheid te bewerkstellingen waardoor de keizerlijke greep op dit gebied zou verloren gaan.

Door deze benoeming voelde Godfried zich opnieuw beroofd van zijn rechten en besloot hij deze keer al meteen dit erfenisprobleem met de wapens op te lossen. Dit betekende dus oorlog tussen Lotharingen en het Duitse rijk.

Toen Boudewijn V dit vernam begreep hij onmiddellijk dat hij er alle baat bij had in dit conflict de kant van Godfried te kiezen, niet omdat hij enige grieven had tegen de Duitse keizer maar omdat hij in een bondgenootschap met Godfried de kans zag om de Vlaamse macht ten opzichte van het keizerrijk te verstevigen, zoals zijn vader voorheen had trachten te doen. Aan bondgenoten om tegen de Duitse keizer te vechten ontbrak het niet. In 1046 vertrok hij naar Frankrijk en wist hij zijn schoonbroer, Hendrik I, te overtuigen dat het in zijn belang was zich bij het bondgenootschap tegen de Duitse keizer aan te sluiten. Een tweede verbond werd gesloten met Herman van Henegouwen met wie hij in 1047 een regeling zou treffen betreffende de mark Ename en de streek rond Valencijn. Een derde bondgenoot vond hij in de graaf van Holland, Diederik IV waartegen hij in 1044 ten strijde was getrokken om zijn bezittingen in Zeeland veilig te stellen. Diederik IV zag in het bondgenootschap met Godfried en Boudewijn de kans om zijn macht in het zuiden van Holland uit te breiden ten koste van de Utrechtse bisschop.

 

De oorlog breekt los

De eerste van de bondgenoten die tot de aanval tegen het keizerrijk overging was de koning van Frankrijk, Hendrik I. In de lente van 1047 bereidde hij een veldtocht voor in de richting van Aken. Zover is het nooit gekomen. Godfried van Anjou, wiens pleegdochter in het huwelijk was getreden met de Duitse keizer, kwam, toen hij het nieuws hoorde betreffende de geplande Franse veldtocht, in allerijl terug uit Italië en bedreigde op zijn beurt de Franse koning met een oorlog indien hij geen afstand deed van zijn oorlogsplannen tegen de Duitse keizer. Hendrik was bang voor de macht van de graaf van Anjou en staakte zijn voorbereidingen om Lotharingen binnen te dringen. Hij trok zich uit het bondgenootschap terug.

Hierop werd in heel Lotharingen het sein gegeven om tot de aanval over te gaan. Diederik van Holland viel meteen het Utrechtse binnen, slaagde erin de stad in te nemen en de bisschop te verjagen. Hendrik III kwam nu met zijn leger zijn trouwe Utrechtse bisschop ter hulp, maar zijn offensief tegen Diederik mislukte. Het keizerlijke leger kreeg te kampen met erbarmelijke weersomstandigheden en werd constant geteisterd door de West-Friese guerilla's die hem zo veel last berokkenden dat het onverrichterzake en met zware verliezen de aftocht moest blazen.

Ondertussen was Boudewijn samen met Godfried opgerukt naar Nijmegen waar het keizerlijk paleis, dat nog door Karel de Grote was gebouwd, volledig werd verwoest en de landgoederen, na terdege te zijn geplunderd, in brand werden gestoken. Vandaar vertrok Boudewijn terug naar Vlaanderen en Godfried naar het keizerlijke leen Verdun dat volgens de gangbare oorlogstraditie werd geplunderd en waar de prachtig kerk van Onze-Lieve-Vrouw herleid werd tot as.

 

Het Frans-Duitse bondgenootschap hersteld

Hendrik III moest al die vernietigingen met lede ogen aanzien, want door zijn uitputtende veldtocht in Holland was hij niet bij machte tegen Godfried en Boudewijn met de wapens te reageren. Hij begreep dat hij tijd moest winnen om een nieuw leger samen te stellen. Maar om zeker te zijn dat de Franse koning zich niet opnieuw tegen hem zou keren, trad hij met hem in onderhandelingen en beloofde hem daarbij een deel van Lotharingen af te staan op voorwaarde dat hij zich voortaan in die oorlog afzijdig zou houden. Hendrik I aanvaardde het voorstel en zo kwam het dat Boudewijn niet meer op de hulp kon rekenen van de Franse koning in zijn strijd tegen de Duitse keizer.

Ondertussen nam in Lotharingen, langs de oevers van de Rijn, de Moesel en de Maas de vooruitgang van Godfrieds en Diederiks troepen voor de keizer gevaarlijke afmetingen aan. Maar een toeval kwam hem ter hulp. Op 15 mei 1048 werd Diederik in Dordrecht vermoord door een groep handelaars van Keulen.

In het voorjaar van 1049 begon de keizer aan zijn tegenaanval en trok hij met een vernieuwd en machtig leger op tegen Godfried die, bang geworden voor het keizerlijke leger, zich aan de keizer onderwierp en door deze werd afgezet.

 

Boudewijn staat er alleen voor

Boudewijn had nu al zijn bondgenoten verloren en stond nu heel alleen om aan het keizerlijke leger het hoofd te bieden. De keizer aarzelde echter om onmiddellijk de Vlaamse graaf aan te vallen, want hij beschouwde die nog steeds als zijn gevaarlijkste vijand. Om het leger van de Vlaamse graaf te verlammen deed hij daarom een beroep op de Engelse koning Edward de Belijder en de Deense koning Sven II om een vloot naar Vlaanderen te sturen zodat Boudewijn verplicht werd een gedeelte Paus Leo IXvan zijn leger aan de Vlaamse kust te legeren om een eventuele ontscheping van de Engelse en Deense troepen te kunnen afslaan. Tegelijkertijd werd hij ook nog door Paus Leo IX (afbeelding), een verwant van Hendrik III, in de ban geslagen onder de beschuldiging dat hij de Onze-Lieve-Vrouw kerk in Verdun had platgebrand. Deze beschuldiging was wel vals, want het was Godfried die deze heiligschennis op zijn geweten had, maar dit belette niet dat Boudewijn ondertussen met die pauselijke ban opgescheept zat.

Nu een groot deel van het Vlaamse leger vast zat aan de Vlaamse kust, vond Hendrik III dat de tijd was aangebroken om met een grote kans op succes tegen de Vlaamse graaf op te rukken. Met een ontzaglijk heir kwam de keizer nu naar het zuiden van Vlaanderen en drong hij door tot in het Kamerijkse waar alles werd verwoest. Vandaar trok hij naar de vesting Bruay die werd belegerd. Boudewijn begreep nu dat hij de strijd niet verder aankon zonder het risico te lopen dat zijn graafschap ten prooi viel aan de Duitse kroon en besliste daarom in onderhandelingen te treden met de keizer.

In het najaar van 1050 kwam hij naar Aken waar hij zijn onderwerping aan de keizer betuigde, waarschijnlijk zonder het voornemen deze te eerbiedigen. Maar goed, de keizer die alle redenen had om zijn rivaal niet te erg voor zijn bondgenootschap met de Lotharingse opstandelingen te doen boeten, stelde als enige voorwaarde voor het aanvaarden van Boudewijns onderwerping dat deze ten voordele van de keizer afstand deed van de mark Antwerpen die de keizer hem toentertijd, in 1045 ten voordele van zijn zoon, de latere Boudewijn VI, had geschonken.

Dat Boudewijn er met zulke billijke voorwaarde vanaf kwam was te wijten aan het feit dat de keizer geducht was voor een nieuw bondgenootschap van de Vlaamse graaf met de Franse koning. Nu de Lotharingse opstand onderdrukt was, was Hendrik III namelijk vastbesloten hetgeen hij in 1048 aan de Franse koning had beloofd om diens afzijdigheid in het Lotharings conflict te verzekeren, niet na te komen. In een eventueel conflict met de Franse koning dat hieruit kon voortvloeien, wilde de keizer de afzijdigheid van Boudewijn waarborgen. Het leek hem dus het verstandigst de Vlaamse graaf met zachtheid te behandelen.

 

Huwelijkspolitiek

Het werd nu even rustig in het graafschap en Boudewijn had even de tijd om zich met zijn familie bezig te houden. Zijn vrouw Adèle of Adelheid, die men de gravin-koningin (la comtesse-reine) noemde vanwege het feit dat zij de dochter was van de koning van Frankrijk, had aan Boudewijn vijf kinderen geschonken: drie jongens en twee meisjes. De oudste van deze laatsten heette Mathilde en Boudewijn huwde haar omstreeks 1053 uit aan Willem de Bastaard, hertog van Normandië, later Willem de Veroveraar genoemd. Met dit huwelijk bevestigde Boudewijn dat het nu eindelijk uit was met de oude anti-normandische politiek van zijn voorouders.

Dit huwelijk was nauwelijks voltrokken of Herman van Henegouwen, met wie Boudewijn tegen de keizer had gevochten, overleed. Richildis, zijn weduwe, was toen nog jong en oefende na de dood van haar man het regentschap uit over het graafschap in naam van haar twee kinderen. Richildis was dus niet alleen meesteres van Henegouwen maar bovendien ook nog vrij te huwen met wie ze maar wilde. Boudewijn zag hier meteen een kans om de macht van zijn graafschap ten koste van Henegouwen uit te breiden. Zonder aarzelen benaderde hij Richildis en stelde haar voor te huwen met zijn oudste zoon Boudewijn, de latere Boudewijn VI. Richildis antwoordde niet "neen" op dit voorstel maar ook niet "ja". In het geval ze het huwelijksaanzoek aanvaardde vreesde zij namelijk de woede van de opperleenheer van Henegouwen, de Duitse keizer, die door dit huwelijk een vereniging zou zien van de graafschappen Vlaanderen en Henegouwen. Dat zou de macht van Vlaanderen, op dat ogenblik naar zijn zin een al veel te sterke tegenstander, versterken.

Daar Richildis maar bleef twijfelen en Boudewijns geduld op raakte, trok hij gewapenderhand Henegouwen binnen en belegerde de gravin in haar kasteel te Bergen (Mons) om haar te dwingen het huwelijksaanzoek te aanvaarden. Waarschijnlijk was heel dat wapengekletter alleen maar schijn en was het scenario reeds op voorhand tussen Boudewijn en Richildis overeengekomen. Op die manier kon de keizer namelijk niet beweren dat Richildis vrijwillig het aangeboden huwelijk had aanvaard en kon hij dus ook geen wettelijk motief aanhalen om haar te vervolgen omdat ze zonder zijn toestemming in het huwelijk was getreden. Trouwens, Richildis had in haar kasteel geen wapens of munitie en kon dus moeilijk anders dan zich aan de graaf overgeven. Kort daarop werd het huwelijk gesloten waardoor de twee graafschappen Vlaanderen en Henegouwen verenigd werden onder een en dezelfde macht.

Hier moeten we nog aan toevoegen dat de twee kinderen uit het eerste huwelijk van Richildis van de opvolging werden uitgesloten. De oudste van de twee, een jongen, was gebrekkelijk en trok zich terug in het priesterschap. Hij zal later bisschop worden van Chartres onder de naam Roger. Het tweede kind, een meisje en nogal religieus aangelegd, trok zich terug in een klooster waar ze de rest van haar leven verbleef en rustig stierf op veertigjarige leeftijd.

 

Opnieuw oorlog

Hoe het ook zij, de keizer moest heel die ceremonie die met het huwelijk van Richildis gepaard ging met lede ogen aankijken, maar kon het toch niet over zijn hart krijgen om op geen enkele wijze zijn ongenoegen te laten blijken. Alleen kon hij niet meteen militair tegen Boudewijn optreden daar zijn leger vastzat in Noord-Italië. In afwachting van een strafexpeditie tegen Boudewijn liet hij het pas gehuwde paar excommuniceren op grond van het feit dat Richildis en Boudewijn bloedverwanten waren. Richildis was namelijk de dochter van Hedwige, dochter van Hugo Capet. Boudewijns moeder Adèle was de kleindochter van diezelfde Hugo Capet. Richildis en Boudewijn waren dus bloedverwanten. Later werd de excommunicatie opgeheven en werd de wettelijkheid van de kinderen uit dit huwelijk gesproten nooit betwist.

Ondertussen was de oorlog in Noord-Italië afgelopen en had de keizer nu zijn handen vrij om tegen Boudewijn ten strijde te trekken. Maar Boudewijn V wachtte de troepen van de keizer niet af en samen met zijn zoon Boudewijn, nu genoemd Boudewijn van Bergen (Mons), trok hij in 1053 op tegen de keizer. Ze maakten gebruik van de afwezigheid van Bisschop Theodinus van Luik en vielen de sterke Luikse vesting Thuin aan, aan de oever van de Samber gelegen. De vesting werd volledig vernietigd en het omringende land verwoest. Vandaar trokken ze op naar de Maas waar ze Hoei, een van de voornaamste plaatsen van het vorstendom, aanvielen en net zoals Thuin volledig verwoestten. Luik dierven ze echter niet aan te vallen. Deze episcopale stad was te goed verdedigd om te worden ingenomen zonder een heel langdurige belegering. Daarom trok Boudewijn zijn leger terug en verschanste hij zich langs de linkeroever van de Schelde, de natuurlijke grens tussen Vlaanderen en Lotharingen.

Lang hoefden ze niet op het keizerlijke leger te wachten. In de zomer van 1054 trok de keizer op naar Vlaanderen en stelde zijn leger op langs de rechteroever van de Schelde op ongeveer twee mijl ten noorden van Valencijn. Onmiddellijk begon hij voorbereidingen te treffen om een brug te slaan over de stroom om zo op de linkeroever het leger van Boudewijn aan te vallen. Maar Boudewijn waakte en het plan met de bruggen mislukte. Boudewijn begreep echter dat hij uiteindelijk de machtige keizerlijke troepen niet zou kunnen beletten de Schelde over te steken en trok zich daarom terug. Hij liet hiermee gans het zuiden van het graafschap aan de invallers over. Hendrik II verwoeste alles op zijn weg, precies zoals in 1007 zijn voorganger de Duitse keizer Hendrik II had gedaan in zijn oorlog tegen Boudewijn IV, en trok nu op naar Rijsel (Lille). Hij slaagde er echter niet in de stad in te nemen. Wel kon hij enkele weken later de vesting Doornik innemen waar de belegerden zich door een gebrek aan voedsel aan de keizer moesten overgeven.

Daar werd het keizerlijke leger echter tot stilstand gebracht door een onverwachte vroege winter die ieder verder oprukken naar het noordelijk gedeelte van Vlaanderen onmogelijk maakte. Van deze afwezigheid van het keizerlijke gevaar maakte Boudewijn nu gebruik om de burcht van Lille, waar hij geboren was, te herstellen en een stevige verdedigingsmuur te bouwen rond de stad. Ook Oudenaerde werd versterkt en de muren rond Gent, Brugge en Sint Omaars werden verhoogd en verstevigd. De winter was nauwelijks ten einde of Boudewijn ging in de lente van 1055 tot de tegenaanval over. Hierin werd hij bijgestaan door Godfried II, zijn vroegere bondgenoot in de Lotharingse oorlog. Samen trokken ze op naar de mark Antwerpen dat tot het graafschap Beneden-Lotharingen behoorde en in 1046 door de keizer aan Frederik van Luxemburg was geschonken tot grote ergernis van Godfried ll die dit gebied steeds als zijn rechtmatige eigendom had beschouwd.

Gelukkig voor Boudewijn was de keizer niet bij machte opnieuw naar Vlaanderen te trekken, want de Franse koning had hem reeds herhaalde keren herinnerd aan zijn belofte om voor zijn afzijdigheid in zijn eerste veldtocht tegen Boudewijn een deel van Lotharingen af te staan. De keizer weigerde die belofte in te willigen. Een nieuwe Duits-Franse oorlog stond voor de deur maar brak nooit uit. In oktober 1056 overleed Hendrik III plotseling en liet een zoon achter die toen nog te jong was om de keizerlijke kroon te dragen. Keizerin Agnes, nu regentes en er helemaal niet op belust deze oorlog verder te zetten, haastte zich met Boudewijn vrede te sluiten.

Op de Rijksdag van Keulen in december 1056 werd de vrede bevestigd. Boudewijn behield al zijn lenen in Lotharingen en zijn zoon Boudewijn bleef graaf van Henegouwen en Valencijn.

kaart Europa
Europa ten tijde van Boudewijn
(klik op de afbeelding voor een grotere versie)

 

De laatste jaren van Boudewijn V

Na de vrede met Duitsland bleef het voor de rest van zijn leven rustig voor Boudewijn V. De grote graaf die men de bijnaam Van Rijsel heeft gegeven, overleed op 1 september 1067 en werd opgevolgd door zijn oudste zoon Boudewijn VI.

Zijn tweede zoon Robrecht trouwde in 1063 met Geertrui, de weduwe van Floris, de graaf van Holland. Hij zal later Robrecht de Fries worden genoemd en in de Vlaamse geschiedenis als een van de grootste graven worden beschouwd.

Bibliografie:
1. LE GLAY, Edward. "Histoire des comtes de Flandre", Brussel 1943.
2. GANSHOF, F.L. "Vlaanderen onder de eerste graven", Standaard, Brussel 1944.
3. DHONT, J. "Korte geschiedenis van het ontstaan van het graafschap Vlaanderen", Brussel 1943.

Inhoudstafelnaar hoofdstuk 7

 
 
Over Herman Boel

Herman Boel is voltijds zelfstandig vertaler en auteur van twee skeptische boeken.

Lees meer »
Disclaimer
  • Aansprakelijkheid voor gebruik van de inhoud van de website.

Lees meer »
Browsercompatibiliteit

Deze webstek werkt prima in moderne browsers als Google Chrome, Firefox en Opera en mogelijk ook min of meer goed in Internet Explorer en Safari.

Contact

U kan me contacteren via het het invulformulier.

Online contactformulier »