De geschiedenis van Vlaanderen - Hoofdstuk 5

Het ontstaan van het Graafschap Vlaanderen: Arnulf II en Boudewijn IV

Geschreven door: Charles Vanderhaegen - in lichte mate bewerkt door Herman Boel
Gepubliceerd met vriendelijke toestemming van Charles Vanderhaegen. 

Vlaanderen tussen Arnulf I en Arnulf II

Toen de Vlaamse graaf Arnulf I op 27 maart 964 overleed, liet hij een uitgestrekt vorstendom achter dat op elk punt aan het grafelijk gezag was onderworpen en waar de vorst over ontzaglijke grondeigendommen beschikte. Het grafelijke gebied omvatte toen in het noorden heel de streek tussen de Schelde en de Noordzee en strekte zich naar het zuiden uit tot over de Somme.

Doordat de enige opvolger van dit grafelijke gezag, de kleinzoon van Arnulf, eveneens Arnulf geheten, nauwelijks drie jaar oud was, dreigde deze geweldige macht ten onder te gaan. De vroegtijdige dood van Boudewijn III, die normaalgezien zijn vader Arnulf I had moeten opvolgen, had bij vele edellieden de hoop gewekt dat ze zich op zijn minst van een deel van de rijke erfenis van Arnulf I zouden kunnen toeëigenen.

Arnulf had dat duidelijk aangevoeld en om het graafschap veilig te stellen voor zijn kleinzoon had hij reeds in 962 een geheim akkoord gesloten met zijn opperleenheer, de Franse koning Lotharius, zoon van Lodewijk IV van Overzee. Dit akkoord bepaalde dat de koning bij de dood van Arnulf I alle bezittingen zou terugkrijgen die de graaf vroeger van hem had veroverd: Amiens, Ponthieu, Artois en Ostrevant (het gebied tussen de Schelde en de Scarpe). In ruil daarvoor zou de koning de voogdij moeten uitoefenen over de jonge Arnulf en er voor zorgen dat deze bij het bereiken van de meerderjarigheid als graaf van de rest van het vorstendom zou worden erkend.

Wat de oude Arnulf had voorzien gebeurde ook. Zodra de edellieden de dood van Arnulf hadden vernomen, haastten zij zich de gebieden die ze van de graaf in leen hadden als hun eigendom te beschouwen. Tevens oefenden ze zelf de heerlijke rechten uit die normaal slechts de graaf toekwamen. De kerken, die de sterke bescherming van Arnulf hadden genoten, werden voor een groot gedeelte van hun bezittingen beroofd. Als aasgieren wierpen de nabije verwanten van de kleine Arnulf zich op zijn erfgoed. Baldzo, de neef van de oude Arnulf die was aangesteld om over de kleine Arnulf te waken, eigende zich Kortrijk toe en maakte er een graafschap van. Dirk, de graaf van West-Friesland en schoonzoon van de oude Arnulf, bevorderde zich tot graaf van Gent en het Waasland.

Lotharius was deze onrechtmatige toeëigeningen te weten gekomen en indachtig de overeenkomst met de oude Arnulf van 962, trok hij met zijn leger in 965 naar Vlaanderen. Hij slaagde er in door te dringen tot Gent. De Vlaamse edellieden hebben wel getracht hem tegen te houden, maar zijn daar niet in geslaagd. Eens hun weerstand was gebroken, werden ze tot onderhandelingen gedwongen. Als bemiddelaar werd Rorico, de bisschop van Laon, aangesteld. Baldzo verloor zijn beschermingsrecht over de jonge Arnulf en de edellieden moesten zich aan het gezag van de koning onderwerpen.

Kort daarop keerde Lotharius terug naar Frankrijk. Mathildis, de moeder van de kleine Arnulf, werd in plaats van Baldzo aangesteld om tijdens de afwezigheid van de koning de voogdij over de toekomstige graaf waar te nemen. Hij liet ook zijn moeder, koningin Gerberga, samen met zijn jong broertje Karel achter om er samen met Mathildis over te waken dat de kleine Arnulf niets overkwam. Karel gold als speelkameraadje. Dit was lang niet slecht bedacht van Lotharius want zo'n vroeg ontstane kameraadschap kon later best nuttig zijn voor het Franse koninklijk gezag.

Koningin Gerberga was een buitengewoon intelligente vrouw. Ze was zeer bekwaam in bestuurszaken en in het oplossen van politieke vraagstukken. Lotharius kon gerust op haar rekenen om in het graafschap orde op zaken te houden en er voor te zorgen dat de verslagen opstandige edellieden zich verder gedeisd hielden.

Lotharius heeft zich in ieder geval eerlijk gehouden aan het met de oude Arnulf in 962 gesloten akkoord. De zuidelijke gebieden die hem krachtens het akkoord toekwamen heeft hij zich natuurlijk toegeëigend, maar hij deed ook de jonge Arnulf als graaf van Vlaanderen erkennen.

 

Arnulf II

Zo bleef alles rustig tot in 976 toen er zich een diepgaande wijziging voordeed in de buitenlandse politiek van de Franse koning. Deze wijziging ontstond doordat de Lotharische hertogen hadden getracht om van de dood van de Duitse koning Otto I in 973 gebruik te maken om zich van het keizerlijk gezag van zijn zoon en opvolger Otto II te ontdoen. Lotharingen zocht daarbij de steun van Frankrijk. Reeds in 925 had de toenmalige hertog Giselbert van Lotharingen de leenhoogheid van de Duitse koning Hendrik I erkend en maakte Lotharingen sindsdien deel uit van het Duitse rijk. Dat Frankrijk, door hulp te bieden aan de Lotharingse opstandelingen, macht zou krijgen over dit Duitse leen, viel niet in de smaak van de Duitse keizer. Hij dacht er niet aan zelfs maar het kleinste deel van zijn keizerlijk domein aan om het even wie af te staan.

Lotharius had tijdens zijn minderjarigheid onder de voogdij van de aartsbisschop Bruno van Keulen gestaan, broer van de Duitse keizer Otto I, en was getrouwd met diens stiefdochter Emma. Hij had met haar vader en broer, de latere Otto II, altijd op vriendschappelijke voet gestaan. Deze vriendschap veranderde nu echter in vijandschap doordat Lotharius openlijke sympathie betuigde voor het Lotharings onafhankelijkheidsstreven. Otto II begreep dat de steun van Frankrijk aan de opstandige Lotharingse hertogen het einde kon betekenen van zijn leenheerschap over het hertogdom.

De vrees dat de Vlamingen zich aan de zijde van de keizer zouden scharen om zich van de Franse voogdij te ontdoen en het feit dat de vazallen van de keizer, de graven van West-Friesland, stevig gevestigd waren aan de linkeroever van de Schelde, deed Lotharius ertoe besluiten afstand te doen van zijn uitzonderlijk gezag over Vlaanderen. Op die manier werd Arnulf II een zelfstandig vorst en aanhanger van Lotharius.

Hierdoor kon Lotharius zijn strijdkrachten volledig gebruiken voor zijn strijd tegen Otto II die rond 978 uitbrak toen hij deze laatste trachtte gevangen te nemen bij Aken. Otto slaagde er echter in aan de Franse troepen te ontsnappen en nam een jaar later wraak. Met een machtig leger rukte Otto tegen Lotharius op en drong door tot in de voorsteden van Parijs. Lotharius was verslagen en moest bij de vrede van 980 beloven voor altijd zijn pogingen te staken om zijn koninklijk domein met Lotharingen te vergroten.

Om zich tegen een eventueel nieuw opdringen van de Franse koning veilig te stellen, begon de keizer daarop de Lotharingse oever te reorganiseren. Er werden drie versterkte grenszones of marken ingericht. Eén werd opgericht met Valencijn als centrum, een tweede met Antwerpen als hoofdvesting, en een derde met de burcht van Ename als basis, dat het gebied tussen de Schelde, Dender en Hene omvatte. Dit gebied werd later een graafschap toen Godfried van Verdun uit het Huis der Ardennen er als graaf werd geplaatst.

Dit was een sluwe zet van Otto II die zich, net als Lotharius, van de vriendschap van Arnulf wilde verzekeren. Godfried van Verdun was immers getrouwd met Mathildis, de weduwe van Boudewijn III en moeder van Arnulf II. Godfried van Verdun werd zo stiefvader van Arnulf. De keizer had er op gerekend dat in geval de Franse koning zich opnieuw met Lotharingen zou willen bemoeien, Arnulf een bondgenoot zou zijn omdat hij eerder de kant van het graafschap waar zijn moeder gravin was zou kiezen, dan de Franse koning in zijn ruimtelijke ambities bij te staan.

Arnulf II bevond zich dus in een buitengewoon gunstige positie: de macht van de Franse koning was voorlopig aan banden gelegd en hij genoot de vriendschap van de Duitse keizer. Arnulf II had hiervan zeker gebruik kunnen maken om de gebieden die zijn grootvader in 962 aan Lotharius had afgestaan terug te winnen, evenals het domein dat Dirk van West-Friesland zich ten westen van de Schelde had toegeëigend. Maar Arnulf II had niet de kracht noch de durf of ambitie van zijn grootvader. Hij scheen tevreden met wat er nog van het graafschap overbleef, een graafschap waarin zijn gezag gering was en waarin hij in bedwang werd gehouden door heren die de feitelijke meesters waren over hun gronden.

Arnulf trouwde ergens in het jaar 982 of 983 (het juiste jaartal is niet gekend) met de vorstin Suzanna-Rosala, dochter van de Italiaanse koning Béranger. Uit dit huwelijk werd een zoon geboren die naar zijn grootvader Boudewijn werd genoemd. Arnulf overleed kort daarop, in 987, nauwelijks 26 jaar oud, en liet als enige opvolger de kleine Boudewijn achter. Zo belandde het Vlaamse graafschap van de ene minderjarigheid in de andere.

Toen Arnulf II overleed, verkeerde het Vlaamse graafschap in een toestand van duidelijk afgetekend verval. Toen Baldzo, die zich het zuidelijk gedeelte van het Kortrijkse gebied had toegeëigend, overleed, ging dit gebied over in de handen van een zekere Eilbodo, slotvoogd van Kortrijk. Het noordelijke gedeelte van de gouw was toegevoegd aan het graafschap Gent met het Land van Waas waarvan Dirk de graaf van West-Friesland, ook gekend als Dirk II, graaf van Holland, zich in 964 had meester gemaakt. In de streek van Boonen (Boulogne-sur-Mer) had zich ondertussen ook een Scandinavische kolonie gevestigd, die weldra werd omgevormd tot het graafschap Guines onder het gezag van graaf Artold. Hierdoor viel het graafschap Boonen-Terwaan (Boulogne-Ternois) uiteen en kreeg Terwaan ook een eigen vorst.

De toestand van de Vlaamse macht was dus vrij zwak en werd bovendien nog verder bedreigd door graaf Dirk van West-Friesland die loerde op het erfdeel van Arnulf II, dat aan zijn zoon, de onmondige Boudewijn IV, ten deel was gevallen. Uit documenten van die tijd blijkt dat Dirk van West-Friesland getracht heeft om op z'n minst een deel van die erfenis van de Franse koning te verwerven, maar zonder succes.

Koning Lotharius was in 986 overleden en opgevolgd door zijn zoon Lodewijk V, die zelf kort daarop in 987 overleed. Hij was de laatste koning van het Karolingische geslacht. Na hem besteeg Hugues Capet de Franse troon. Hugues, of Hugo, was de zoon van de hertog Hugo de Grote, dezelfde met wie Arnulf I in 942 het complot tegen Willem Lankzwaard had beraamd. Dirk van West-Friesland dacht van de troonwisseling gebruik te kunnen maken om van de nieuwe Franse koning te verkrijgen dat hij de graafschappen Gent en Waas niet alleen in leen zou mogen houden, maar deze domeinen bovendien nog zou kunnen uitbreiden, zodat gans het oosten van Vlaanderen aan de erfenis, die aan Boudewijn IV toekwam, zou ontsnappen. Maar Dirk had niet met de plannen van Hugo Capet gerekend.

Hugo kwam weliswaar uit een machtig en rijk geslacht, maar dit vond hij niet voldoende. Om zijn domeinen uit te breiden was hij op zoek naar een vorstendom dat hij zonder al te veel moeite of kosten aan zijn rijk zou kunnen toevoegen om zo de luister van zijn dynastie te verhogen. De dood van Arnulf II scheen hem de kans daartoe te geven. Hugo bedacht nu een listig plan om zich van het Vlaamse graafschap of toch een gedeelte ervan meester te maken. Het plan bestond erin de weduwe van Arnulf II, Suzanna-Rosala, uit te huwen aan zijn zoon Robert (of Robrecht), de latere koning Robert II. Zo zou Robert, zolang de minderjarigheid van Boudewijn duurde, het gezag kunnen uitoefenen over het Vlaamse graafschap en gedurende die periode zo'n invloed verkrijgen dat Boudewijn –eenmaal meerderjarig- niet meer bij machte zou zijn om de aanhechting van het graafschap aan de Franse kroon te beletten.

Om de Vlamingen voor dit huwelijk gunstig te stemmen legde hij de destijds aan Lotharius afgestane gebieden vast voor Suzanna, namelijk Artois, Ostrevant en Ponthieu. Het huwelijk werd in 990 voltrokken en zo werd onder het nieuwe paar het graafschap van Arnulf I gedeeltelijk hersteld en mislukte het ambitieuze plan van Dirk van West-Friesland om zijn domeinen ten westen van de Schelde uit te breiden.

Maar ook het listige plan van Hugo Capet mislukte. Robrecht scheen nogal een lichtzinnige en zinnelijke vorst te zijn geweest en hij kreeg dan ook vlug genoeg van zijn veel oudere echtgenote, die hij in 995 verstootte om met zijn minnares Berthe, gravin van Blois, te huwen. Maar ook dit huwelijk duurde niet lang, want ook Berthe werd enkele jaren later, in 999, verstoten.

Hugo, die door die echtscheiding van zijn zoon zijn plan zag mislukken, trachtte de situatie nog te redden door tegen alle recht in de hand te leggen op de drie gebieden die hij, vóór het huwelijk met zijn zoon, voor Suzanna had vastgelegd. Maar de Vlamingen, bang voor een nieuwe voogdij zoals deze die ze gekend hadden onder Lotharius, kwamen Suzanna ter hulp door de teruggave te eisen van de gebieden waarop Hugo onrechtmatig beslag had gelegd. Ze riepen daarop de bijstand in van Odo, de graaf van Chartres, die toen in een oorlog met Hugo was verwikkeld.

Hugo, die op dat ogenblik met een hoop problemen te kampen had, moest toegeven en na een korte oorlog die ten nadele van Hugo afliep, kwam het tot een akkoord tussen de twee antagonisten, waarbij Artois en Ostrevant definitief aan Vlaanderen werden teruggegeven, maar Ponthieu en Montrueil aan de Franse kroon bleven.

 

Vlaanderen tussen Arnulf Il en Boudewijn IV

Zo stellen we het merkwaardig historisch feit vast dat de eenheid en het bestaan van het vorstendom Vlaanderen werd gered door het huwelijk van de weduwe van een Vlaamse graaf met de zoon van de koning van Frankrijk, die het tegenovergestelde verwachtte.

Nadat het akkoord tussen de koning van Frankrijk en de Vlamingen was gesloten, trok Suzanna zich terug bij haar zoon in Gent waar ze op 15 december 1003 overleed. Ze werd begraven in de Sint-Pietersabdij, naast haar eerste echtgenoot Arnulf II.

 

Boudewijn IV

Boudewijn moet een jaar of achttien geweest zijn, toen hij zijn moeder verloor en hij zich bewust werd van de lamentabele toestand waarin niet alleen zijn graafschap verkeerde, maar ook zijn grafelijk gezag. Boudewijn had duidelijk het karakter van zijn overgrootvader, Arnulf de Grote, geërfd: de typische onstuimige, nooit aflatende drang naar macht, tegelijkertijd sluw en stoutmoedig en van niemand en op geen enkele wijze maar de kleinste tegenstand dulden.

Vandaar dat hij, zodra hij oud genoeg was om wapens te kunnen dragen, als eerste doel een einde wou stellen aan de toestand zoals die nu in zijn graafschap heerste, en zijn grafelijk gezag herstellen.

Zijn eerste doelwit was de Kortrijkse gouw terug in bezit te nemen die Baldzo zich in 965 onrechtmatig had toegeëigend. Na de dood van Baldzo was het grafelijk gezag overgegaan op Eilbodo. Ook deze was ondertussen overleden en het waren nu de baronnen die heer en meester speelden over het domein. Om zijn plan te doen slagen deed Boudewijn beroep op Harelbeke, waarvan de inwoners steeds trouw waren gebleven aan de graaf en daardoor meermalen de pesterijen van de Kortrijkzanen hadden moeten ondergaan. Ook nu moest Harelbeke het bekopen. Toen de Kortrijkzanen vernamen dat Boudewijn op weg was om hun gebied terug onder zijn gezag te brengen, vielen ze Harelbeke binnen en staken het stadje in brand. Dit was een ernstige vergissing van de Kortrijkzanen want door deze nutteloze verwoesting kregen ze ook de bevolking van de andere omliggende dorpen tegen zich en kon Boudewijn zonder veel moeite zich van het domein meester maken.

Het volgende doel van Boudewijn was nu het gebied terug te winnen dat Dirk II van West-Friesland zich eveneens in 965 had toegeëigend. Het toeval kwam hem hier ter hulp. In 993 sneuvelde namelijk de graaf Arnulf van Gent, de zoon van Dirk II, aan de monding van de Maas in zijn strijd tegen de Friezen. Hij liet alleen twee minderjarige zonen achter, Dirk, de latere Dirk III, en Sifridus. Boudewijn maakte daarop onmiddellijk gebruik van de zwakke positie waarin het graafschap Gent en Waas zich nu bevond om dat gebied voor het Vlaamse graafschap te heroveren.

Deze herovering had het onverwachte gevolg dat het eigenlijke graafschap Holland tot stand kwam. In 985 waren namelijk reeds de gouwen Texel, Kennemerland en Maasland onder het gezag gekomen van de graven van West-Friesland. Gedwongen door hun uitdrijving uit Vlaanderen, verlegden ze nu het zwaartepunt van hun macht naar de Hollandse gouwen. Van toen af voerden ze een politiek van afzijdigheid tegenover Vlaanderen en breidden ze hun gezag uit in het gebied van de Beneden-Rijn en de Beneden-Maas.

Na het verdrijven van de graven van West-Friesland, bleek voor Boudewijn de tijd aangebroken om te gaan nadenken hoe hij de grenzen van zijn graafschap op de voor hem gunstigste manier kon verleggen. In tegenstelling tot wat zijn voorvaderen hadden gedaan, richtte Boudewijn zijn blikken nu naar het oosten. De tijd bleek gunstig om zijn macht in die richting uit te breiden. De voornaamste graven uit die streek, namelijk die van Leuven en Henegouwen, hadden met stijgend ongenoegen de macht zien groeien van de bisschoppen, die het eigenlijke gezag in de naam van de Duitse keizer Hendrik II uitoefenden en hiervan gebruik maakten om zich in uitgebreide gebieden de grafelijke rechten toe te eigenen.

Van de spanning die er in Neder-Lotharingen heerste tussen de graven en de bisschoppen, maakte Boudewijn gebruik om in 1006 de natuurlijke grens vormde tussen Vlaanderen en Henegouwen, de Schelde, over te steken en zich van Valenciennes meester te maken. Dit was de eerste van de versterkte grenszones die de Duitse keizer Otto II na 980 langs de oostelijke oever van de Schelde had opgericht om zich tegen een eventueel opdringen van de Franse koning te beschermen. Vandaar trok Boudewijn met zijn leger naar Ename, de tweede versterkte grenszone, dat eveneens werd ingenomen. Onmiddellijk daarop trok hij naar Kamerijk, maar slaagde er niet in de stad in te nemen. Hij beperkte zich dan maar tot het verwoesten van de streek daaromheen.
De keizer was geïrriteerd door de vermetelheid waarmee Boudewijn te keer ging en dagvaardde hem om voor het Keizerlijke Hof te verschijnen en rekenschap te geven van zijn daden voor de vergadering van de keizerlijke vazallen. Maar Boudewijn liet hem weten dat hij met de keizer niets te maken had en slechts de koning van Frankrijk als zijn opperleenheer erkende.

De keizer kon dit affront niet straffeloos laten voorbijgaan. Hij verzamelde een geweldig leger rond Aken en rukte aan het hoofd daarvan in 1007 op naar Vlaanderen. Via Luik, Leuven en Brussel bereikte hij de Schelde waar de troepen van Boudewijn hem langs de overkant in slagorde opwachtten. Maar de Duitse troepen trokken nu stroomopwaarts waar er praktisch geen Vlaamse verdediging was, staken de Schelde over en overvielen de verraste Vlamingen. De keizer rukte toen verder op door het Scheldeland en zaaide overal waar hij door kwam dood en vernieling. Op 19 augustus van hetzelfde jaar nog bereikte hij Gent, waar Boudewijn zich in het grafelijk kasteel had verschanst met het maximum aantal soldaten die hij om zich heen had kunnen verzamelen.

De keizerlijke troepen bestormden de burcht maar zonder resultaat. Boudewijn hield stand en toen de winter naderde, zag de keizer zich verplicht zijn beleg op te breken en met zijn soldaten onverrichterzake terug te keren naar Duitsland. Boudewijn heeft hierbij zeker het grijnzende genoegen gekend te mogen aanschouwen hoe een van de machtigste prinsen van zijn tijd er niet in was geslaagd de Vlaamse macht te breken.

Maar Boudewijn was sluw genoeg om te begrijpen dat hij niet lang in vijandschap met het Duitse rijk kon leven. Het graafschap bleef in het oosten te veel bedreigd door de keizerlijke lenen. Toen de keizer kort daarop zijn handen vol had met een opstand van de Lotharingse edelen, was dit voor Boudewijn een gunstig ogenblik om met de keizer vrede te sluiten. Hij vertrok naar Aken, waar hij door de keizer ontvangen werd en aan deze verzekerde dat hij van Valenciennes afstand deed en hem daarenboven zijn bondgenootschap in de strijd tegen de Lotharingse opstandelingen aanbood. Dit aanbod werd ten zeerste op prijs gesteld door Hendrik II die, om de Vlaamse graaf gunstig te stemmen en het aangeboden bondgenootschap zeker te stellen, de teruggave van Valenciennes weigerde te aanvaarden met de verzekering dat Boudewijn dit gebied voortaan kon beschouwen als een geschenk van het Duitse Rijk.

Boudewijn hield woord. Hij steunde de keizer, die dankzij het bondgenootschap met de Vlaamse graaf er in slaagde de Lotharingse opstand te onderdrukken. Als dank voor deze militaire steun schonk de keizer hem Walcheren met de bijhorende Zeeuwse eilanden en de zogenoemde Vier Ambachten, het toen bijna uitsluitend uit eilanden bestaande gebied tussen het Land van Waas en de Westerschelde. Boudewijn had nu eindelijk vaste voet gekregen op de oostelijke oever van de Schelde. Dit zal later, in 1033, nog uitgebreid worden met het land van Chièvres en Basècles in het zuidwesten van het oude Brabant. Koenraad II, die Henrik II als Duitse keizer in 1024 was opgevolgd legde zich daar zonder veel moeite bij neer en reguleerde die Vlaamse veroveringen door middel van een belening. Heel dit gebied zal later bekend worden onder de naam Rijksvlaanderen.

Nu de veiligheid van de oostgrenzen van zijn graafschap veilig waren gesteld, sloot Boudewijn een akkoord met de Franse koning. Van zijn echtgenote Otgiva of Ogive, dochter van Fréderik, hertog van Luxemburg, kreeg hij een zoon die ook Boudewijn werd gedoopt, de latere Boudewijn V, ook Boudewijn van Rijsel genoemd. Toen deze nog een kind was, vroeg Boudewijn voor zijn zoon de hand van Adèle, dochter van de Franse koning Robert II. Deze stemde zonder enige eisen te stellen toe in het huwelijk. De kleine Adèle, nog in de wieg, werd nu door haar toekomstige schoonvader naar Vlaanderen gebracht, waar voor haar opvoeding werd gezorgd. Deze verbintenis tussen het Vlaamse graafschap en Frankrijk zal voor honderd jaar de vrede tussen de beide landen verzekeren.

Boudewijn IV, bijgenaamd met den Baard, overleed op 30 mei 1035 en werd te Gent in de Sint-Pieters abdij begraven. Hij werd opgevolgd door zijn zoon, Boudewijn V.

Bibliografie:
1. DHONT, J. "Korte geschiedenis van het ontstaan van het graafschap Vlaanderen", Brussel 1943.
2. GANSHOF, L. "Vlaanderen onder de eerste graven", Standaard, Brussel 1944.
3. LE CLAY, Edward. "Histoir des comtes de Flandre", Brussel 1843.
4. FOLZ, Robert. "De l'antiquité au monde médiéval", Parijs 1972.
5. Internet: http://www.ghgcorp.com/shetler/oldimp/406 (pagina bestaat niet meer)

Inhoudstafelnaar hoofdstuk 6

 
 
Over Herman Boel

Herman Boel is voltijds zelfstandig vertaler en auteur van twee skeptische boeken.

Lees meer »
Disclaimer
  • Aansprakelijkheid voor gebruik van de inhoud van de website.

Lees meer »
Browsercompatibiliteit

Deze webstek werkt prima in moderne browsers als Google Chrome, Firefox en Opera en mogelijk ook min of meer goed in Internet Explorer en Safari.

Contact

U kan me contacteren via het het invulformulier.

Online contactformulier »