De geschiedenis van Vlaanderen - Hoofdstuk 4

Het ontstaan van het Graafschap Vlaanderen: Arnulf de Grote

Geschreven door: Charles Vanderhaegen - in lichte mate bewerkt door Herman Boel
Gepubliceerd met vriendelijke toestemming van Charles Vanderhaegen. 

Arnulf en Adalolf

Zoals we in het vorige hoofdstuk hebben gezien, stierf de tweede graaf van Vlaanderen, Boudewijn II, op 11 september 918. Hij liet een vorstendom na dat, wat macht en aanzien betreft, vergeleken kon worden met de meeste van de toenmalige machtigste vorstendommen van Frankrijk. Dit vorstendom werd volgens het gangbare gebruik van die tijd verdeeld onder zijn twee zonen Arnulf en Adalolf. Arnulf, de oudste zoon, kreeg de streek ten westen van de Schelde, in het zuiden begrensd door de heuvels van Artois. Adalolf kreeg het Boonsche (le boulonnais) en het Terwaanse (Ternois).

 

Oorlog tussen Vlaanderen en Normandië

In de eerste jaren van hun regering lieten beide zonen maar weinig van zich horen. Het is pas in 925 dat ze op het historische schouwtoneel verschijnen met een veldtocht tegen de Normandiërs, de afstammelingen van de Noormannen. De zeden van deze woeste voorouders indachtig konden ze het niet laten keer op keer strooptochten te ondernemen tot ver buiten hun grenzen.

Het hertogdom Normandië was ontstaan in 911 toen de Noormannen onder Rollo, ook gekend als Robert I van Normandië, vanuit Friesland naar het zuiden tot aan de monding van de Seine waren opgerukt. Tijdens een tocht die eerder een strooptocht dan een veldtocht was, vond Rollo het middel om de dochter van de graaf van Bayeux te schaken (890), Parijs te belegeren (892) en zich uiteindelijk blijvend in Rouen te vestigen en zich van het omliggende gebied meester te maken. Met het verdrag van Saint-Clair-sur-Epte in 911 erkende de Franse koning Karel III, bijgenaamde de Eenvoudige (Charles le Simple), Rollo als hertog van heel het gebied links en rechts van de Seinemonding, het gebied dat sindsdien Normandië wordt genoemd. Zo kwam er tijdelijk wat rust in het land, maar die was niet van lange duur.

In 922 kwamen de Franse groten namelijk in opstand tegen Karel de Eenvoudige, plaatsten Robert I (niet die van Normandië) op de troon en in 923 diens schoonzoon Rudolf van Bourgogne. Karel verloor zo zijn titel als koning en werd tot aan zijn dood in 929 te Péronne gevangen gezet onder bewaking van de graaf Herbert van Vermandois. Hiervan maakte Rollo gebruik om zijn plundertochten te hervatten, tot groot ongenoegen van Rudolf die met zijn vazallen te velde trok tegen de plunderaars. De twee Vlaamse graven Arnulf en Adalolf haastten zich aan de veldtocht deel te nemen tegen de gevaarlijke buren. Ze trokken met hun leger naar het zuiden, dwars door Ponthieu, staken de Somme over en legden het beleg voor de sterke Normandische vesting te Eu, aan de monding van de Bresle. Toen Rollo dit vernam stuurde hij in allerijl een leger van duizend man naar Eu om de burcht te ontzetten. Dit bleek nutteloos. Nog voor het leger de burcht kon bereiken werd het door de Vlamingen verrast en in de pan gehakt. De burcht werd omsingeld en bestormd. De hoge wallen die de burcht omringden werden ten koste van vele doden en gewonden beklommen en overmeesterd. De bezetter had nu geen bescherming meer en werd ter dood gebracht.

Een deel van de Normandiërs slaagde erin te ontsnappen en trokken zich terug op een eilandje in de monding van de Bresle. Het mocht niet baten. Het eilandje was nagenoeg onverdedigbaar. De Vlamingen trokken zwemmend of met vlotten de rivier over, veroverden het eiland en richtten een slachting aan waaraan geen enkele Normandiër kon ontsnappen. De grote burcht te Eu werd geplunderd en grotendeels afgebroken.

Waarom de Vlaamse graven zich toen met hun leger hebben teruggetrokken en zo de kans hebben verkeken om Ponthieu en de linkeroever van de Somme in bezit te nemen, weten we niet. Nochtans was de tijd toen rijp voor een dergelijke uitbreiding van het graafschap want tijdens de belegering van Eu was er in Noord-Frankrijk een strijd uitgebroken om de oppermacht. Deze strijd speelde zich af tussen de markgraaf Hugo de Grote, zoon van voorgenoemde Robert I van Frankrijk en heerser over het gebied tussen Parijs en Orléans, de graaf Herbert II van Vermandois die tussen Artesië en Champagne een vorstendom trachtte te stichten, en de koning zelf, Rudolf van Bourgogne.

Uit die verwarring had Arnulf onmiddellijk voordeel kunnen halen. Om onbekende reden bleek hij daarmee geen haast te hebben. Het heeft tot zes jaar na de slag om Eu geduurd eer hij eindelijk begreep welke mogelijkheden er voor hem en het graafschap open lagen.

 

Arnulf de Grote

In 931 ging hij dus eindelijk tot actie over. Hij legde de hand op de burchten Mortagne en Dowaai en de abdij van Saint-Armand aan de Scarpe. Aangezien geen van de kibbelende partijen om de macht in Noord-Frankrijk zin had om de graaf van Vlaanderen tot vijand te maken, lieten ze hem maar begaan. Het volgende jaar, in 932, maakt hij van de dood van de graaf van Artois gebruik om Atrecht met de Sint-Vaast abdij in handen te krijgen en heel het graafschap onder zijn bewind te plaatsen. Zo heroverde hij het gebied dat zijn vader, Boudewijn II, in 899 aan Karel de Eenvoudige had moeten afstaan.

In 933 groeide zijn macht nog eens. Zijn broer Adalolf overleed en Arnulf eigende zich diens bezit, Boulogne en Ternois, toe. We moeten hieraan toevoegen dat deze toeëigening verre van wettig was, want Adalolf had twee zonen nagelaten die weliswaar bij zijn dood nog zeer jong waren. In feite heeft graaf Arnulf zijn minderjarige neefjes eenvoudigweg van het vaderlijk erfdeel beroofd.

Voor Arnulf was alles goed wat hem in staat stelde zijn macht uit te breiden, zowel militaire veroveringen, als verraad en huwelijkspolitiek. Even blijven stilstaan bij dit laatste. Arnulf moet ergens tussen 920 en 925 getrouwd zijn geweest met een vrouw (haar naam kennen we niet) die hem drie dochters heeft geschonken. Die eerste vrouw is waarschijnlijk vóór 934 overleden, want in dat jaar trad hij opnieuw in het huwelijk met Adela, de dochter van Herbert II van Vermandois, de zoon van Herbert I van Vermandois die Boudewijn II in 900 had laten ombrengen omdat Karel de Eenvoudige hem toen had belet diens graafschap in bezit te nemen. Met moord en verraad schijnt men het in die tijd niet zo nauw te hebben genomen, want uit het huwelijk van Arnulf blijkt dat Herbert II er geen bezwaar tegen had dat zijn dochter trouwde met de zoon van de moordenaar van zijn vader.
In hetzelfde jaar, 934, huwde hij twee van zijn dochters uit zijn eerste huwelijk uit aan respectievelijk graaf Isaac van Kamerijk en graaf Wicman van Hameland. De derde dochter zal hij enkele jaren later tot vrouw schenken aan graaf Diederik van West-Friesland.

Al deze huwelijken, het zijne inbegrepen, waren het resultaat van een sluwe politiek die Arnfulf een machtige bondgenoot in Noord-Frankrijk opleverde en de vrede met Lotharingen zeker stelde.

Nu was de tijd aangebroken om zijn veroveringsplannen naar het zuiden uit te voeren. Tussen de Canche en de Somme lag het begeerlijke Ponthieu met Montreuil en ten zuiden daarvan Normandië. Een nieuwe oorlog met dit graafschap kondigde zich aan, maar een onverwachte gebeurtenis zou zijn plannen voorlopig in de war sturen. In 936 stierf koning Rudolf plots en om hem te vervangen deden de vorsten beroep op Lodewijk, bijgenaamd van Overzee (Louis d'Outremer). Deze jonge prins, geboren in 920, zoon van Eadgifu, dochter van de Angelsaksische koning Eduard de Oudere, was opgegroeid in Engeland aan het hof van zijn grootvader.

Lodewijk IV Toen de vorsten Lodewijk de Franse koningskroon aanboden haastte deze zich nog hetzelfde jaar naar Frankrijk en ontscheepte in Boulogne. Arnulf, die de absolute steun van de nieuwe Franse koning best kon gebruiken om zijn graafschap verder naar het zuiden uit te breiden ten koste van Normandië, haastte zich bij de ontscheping van Lodewijk aanwezig te zijn en hem als Lodewijk IV (foto), koning van Frankrijk, hulde te brengen. Of hij zich hierbij heeft laten leiden door een dwingende opvatting van zijn leenplichten is wel onwaarschijnlijk, want dergelijke opvattingen waren onder de leden van de hoge aristocratie eerder schaars. Wat er ook van zij, tijdens die eerste ontmoeting werd de grondslag gelegd voor een lange vriendschap. Deze vrienschap werd ook bij de nieuwe koning aangemoedigd. Hij kon immers de steun van Arnulf goed gebruiken want om zijn koninklijk gezag in deze woelige tijden te kunnen handhaven, moest hij eventueel kunnen rekenen op hulptroepen uit Engeland. Deze troepen konden alleen in de havens van Vlaanderen en Boulogne ontschepen, zodat Lodewijk duidelijk inzag dat Arnulf, die meester was van de hele kust van Boulogne tot Walcheren, grotendeels ook meester was van zijn lot als koning.

 

De val van Montreuil

Door de vriendschappelijke betrekkingen tussen Lodewijk IV en Arnulf was deze laatste er zich van bewust dat hij van de eerste niet veel te vrezen had en hij aldus geruggesteund zijn veroveringstochten naar het zuiden kon hervatten. Zijn eerste doel was natuurlijk Montreuil die de monding van de Canche beheerste en aan de graaf van Ponthieu, Herwlin, toebehoorde.

De vernuftige Arnulf wou zijn leger sparen en bedacht een list om deze belangrijke vesting in handen te krijgen. Hij maakte gebruik van de afwezigheid van graaf Herwlin en stuurde enkele van zijn sluwste dienaren naar de bewaker van de vestiging, een zekere Robert. Arnulf moet hem gekend hebben en geweten hebben dat die Robert een vrij lichtzinnig man was, makkelijk om de tuin te leiden. Arnulfs dienaren meldden zich aan bij Robert en overtuigden hem dat het voortbestaan van het kasteel werd bedreigd door de Normandiërs, maar dat zijn vriend Arnulf deze catastrofe kon voorkomen indien Robert diens gul offer wou aanvaarden. Daarbij werd hem goud en zilver aangeboden, uitgestrekte landgoederen en wapenknechten, dit alles zogezegd met de goedkeuring van de koning. Maar de overname van het kasteel moest in het geheim gebeuren zodat de Normandiërs geen argwaan zouden krijgen van hetgeen er aan het gebeuren was. De bewaker, doodsbang voor de Normandiërs en verblind door de mooie beloftes van rijkdom en macht, ging met de dienaren akkoord om Arnulf in te lichten dat hij voortaan aan de zijde stond om Montreuil tegen die kwade Normandiërs te beschermen.

Zodra Arnulf hierover was ingelicht reed hij met enkele van zijn beste wapenknechten naar Montreuil, verborg zich in enkele bosjes niet ver van de ingang van het kasteel en wachtte op het afgesproken signaal om de burcht binnen te trekken. Tegen middernacht zond Robert enkele van zijn mannen naar buiten om zogezegd de omgeving te verkennen, beklom daarop een van de muren van het kasteel en zwaaide met een fakkel om het signaal te geven dat de poorten van het kasteel open stonden. Als de bliksen kwamen Arnulf en zijn ruiters tevoorschijn uit het struikgewas en namen via de open poort zonder enige tegenstand bezit van het kasteel. De vrouw van Herwlin en zijn kinderen werden gevangen genomen en onmiddellijk onder bewaking naar Engeland gestuurd. Daar werden ze toevertrouwd aan Aethelstan, koning van Wessex. Nadat ze zich de inhoud van de schatkamer van Herwlin hadden toegeëigend, werd de burcht met eigen soldaten versterkt en trok Arnulf triomfantelijk huiswaarts.

Ook hier vragen we ons af waarom Arnulf van zijn verovering geen gebruik maakte om verder naar het zuiden te trekken en heel het gebied tussen de Canche en Somme in te palmen. Wat er verder met de bewaker Robert is gebeurd weten we ook niet. Waarschijnlijk zal hij wel achter zijn beloofde schatten, landerijen en wapenknechten hebben mogen fluiten.

Wat wel wel weten is dat Herwlin ontstak in woede toen hij de inname van zijn kasteel door Arnulf vernam en meteen steun zocht bij de graaf van Normandië, Willem Lankzwaard (Willem met het Lange Zwaard). De soldaten die hij voor de inname van Montreuil wou sparen werden in allerijl naar Montreuil gestuurd. Maar deze soldaten durfden de burcht met Normandische soldaten niet aan te vallen en brachten hun tijd door met het plunderen van de omgeving, doden van de bewoners en in brand steken van boerderijen. Herwlin was woedend hierom en trok met een groep soldaten naar de burcht, nam die in en diende zo de Vlamingen een verpletterende nederlaag toe.

Arnulfs legermacht was nu ernstig verzwakt. Hij trachtte de hulp in te roepen van koning Lodewijk IV, maar daar kwam niets van terecht. De koning had andere zorgen: een geweldige coalitie was tegen hem gevormd, bestaande uit Willem Lankzwaard, Herbert II van Vermandois en Hugo de Grote. Deze laatste twee hadden hem in 936 vanuit Engeland laten overkomen om hem de Franse kroon aan te bieden. Arnulf, die in die omstandigheden niet op de koning kon rekenen, sloot zich aan bij de coalitie. In naam van de coalitie weigerde Arnulf landingsrechten aan een Engelse vloot die de koning ter hulp had geroepen. De Engelse admiraal wou niet werkloos blijven en om dit verraad te wreken verwoestte hij een groot deel van de Vlaamse kusten.

Verraad en ontrouw schenen in die tijden een dagelijkse kost.

Door zich aan te sluiten bij de anti-koninklijke coalitie, dacht Arnulf Montreuil terug te kunnen krijgen met de hulp van Hugo de Grote, die opperleenheer was van graaf Herwlin. Maar Hugo de Grote vertrouwde Arnulf niet helemaal sinds hij de koning in steek had gelaten. Steunend op de macht van Willem Lankzwaard, die nog steeds de linkeroever van de Canche bezet hield, weigerde hij iedere toegeving met betrekking tot de teruggave van Montreuil aan Arnulf. Dit heeft Arnulf nooit kunnen verkroppen. Na hem Montreuil te hebben ontnomen, stond die geduchte Normandiër met het Lange Zwaard hem nu ook in de weg naar het zuiden. Die man moest sterven en in zijn wraakzuchtige plannen werd Arnulf onverwacht bijgestaan door Otto I, koning van Duitsland.

 

Het complot tegen Willem Lankzwaard

De gelegenheid om zich op Willem te wreken deed zich voor in 942. In dat jaar werd er dankzij de tussenkomst van paus Stefanus IX vrede gesloten tussen de coalitie en de koning. Maar de koning kon zich moeilijk met Hugo verzoenen omdat hij hem enkele jaren voordien in de steek had gelaten door zich te voegen bij de coalitie tegen hem. De Duitse koning Otto I, bijgenaamd de Grote, met wiens zuster Lodewijk IV was getrouwd, trachtte het geschil tussen Hugo en Lodewijk bij te leggen door alle partijen samen te roepen in een vergadering die een definitieve verzoening moest bewerkstelligen.

Op de afgesproken dag kwamen de gasten samen in het koninklijk huis van Attigny in de Ardennen. Aan het hoofd van de groep kwamen Hugo, Arnulf, Herbert en Willem, maar toen de gasten één voor één de vergaderzaal werden binnengeroepen werd Willem vergeten. De deuren werden voor zijn neus gesloten.

Willem verdacht Otto ervan hem dit affront te hebben aangedaan, duwde met beide handen de deuren open en kwam met vastberaden stap tot voor de troon waar de twee vorsten, Lodewijk en Otto, zetelden. Op de hoogste troon zat Otto, iets lager Lodewijk en nog iets lager, naast elkaar, Hugo en Arnulf.

Hij richtte zich rechtstreeks tot Otto en riep: "Heb ik dan niet het recht deze vergadering bij te wonen? Heb ik u soms met enige oneer tot schande gemaakt?" Verbolgen omdat hij de Frankische koning aan de voeten zag van de Duitse, richtte hij zich opnieuw tot Otto met de beledigende woorden: "In een huis waar de Franse koning zich bevindt kan niemand boven hem plaats nemen. Sta dus op, Otto, en kom van uw troon."
Otto moet verschrikkelijk onder de indruk zijn geweest van Willems woorden, want rood van schaamte verliet hij inderdaad zijn troon, stelde zich aan de zijkant op en sprak gedurende de hele vergadering geen woord meer.

Toen iedereen de vergadering verlaten had riep Otto, diep ontsteld door de hem aangedane belediging, Hugo en Arnulf bij zich in een geheime vergadering. Ze werden het tamelijk vlug eens, voornamelijk Arnulf, dat dit groot affront dat de Duitse koning was aangedaan, moest worden gewroken. Er werd overeengekomen dat Arnulf een afgezant naar Willem zou sturen om zaken te bespreken die hen beiden aanbelangde. De vergadering werd voorzien op 17 december 942 op een schiereilandje in de Somme, genaamd Péquigny. Op de afgesproken dag kwam Arnulf met enkele getrouwen via de landengte op de afgesproken plaats. Willem kwam per boot en zich van geen kwaad bewust zette hij voet op het schiereiland. Nauwelijks was hij op vaste grond of hij werd door Arnulfs mannen overvallen en met degenstoten afgemaakt.

RolloDeze moord op Willem bluste niet alleen Arnulfs wraakzucht maar kwam ook de Franse koning goed uit. Onder het voorwendsel de moord op Willem te willen wreken, verzamelde hij zijn leger en trok naar Rouen waar hij Richard, de jonge zoon van Willem, omhelsde, in bescherming nam en zwoer dat hij nooit met de moordenaar van de jonge prins vrede zou sluiten. Maar dit was niet meer dan komedie. De werkelijke bedoeling van Lodewijk bestond erin heel het gebied terug in bezit te nemen dat Normandië werd genoemd en in 911 door Karel de Eenvoudige was afgestaan aan Rollo (foto), het toenmalige hoofd van de Noormannen die zich in de streek van Rouen had gevestigd.

 

Opnieuw oorlog met Normandië

Lodewijk deed precies het tegenovergestelde van wat hij aan de Normandiërs had beloofd. Nauwelijks een jaar later, in 943, sloot hij niet alleen vrede met Arnulf, maar werd zijn doodsvijand Herwlin ook nog uit zijn bevel over Normandië ontheven. De Normandiërs begrepen nu dat ze door de koning om de tuin waren geleid en kwamen in opstand. Maar zonder veel succes. Arnulf kwam Lodewijk ter hulp en versloeg hen in Dieppe, zodat Lodewijk het vorstendom opnieuw in bezit kon nemen. Maar de oorlogen schenen in die tijd nooit te eindigen.

In 945 kwam Harald Blaatand (= Blauwtand), koning van Denemarken, zijn Scandinavische broeders ter hulp. Daardoor slaagden zij erin met verenigde krachten de soldaten van Lodewijk te verdrijven en hem gevangen te nemen. Hugo de Grote maakte hiervan gebruik om de zijde van de Normandiërs te kiezen. Zij vertrouwden hem de gevangen koning toe. Om zijn vrijheid terug te krijgen moest Lodewijk afstand doen van zijn aanspraak op Normandië en aan Hugo de stad Laon, waar hij gewoonlijk verbleef, afstaan.

Van deze catastrofe maakt Arnulf nu gebruik om zich aan de zijde van de koning te scharen. Hij trachtte hem te overhalen opnieuw naar Montreuil op te rukken, maar zover kwam het niet. Hugo had de hoop had opgegeven Arnulf ooit gewapenderhand te onderwerpen, en trachtte nu deze koele vijand tot bondgenoot te maken door Arnulf het zo begeerde Montreuil te schenken. Dit kon Arnulf niet vermurwen. Hij aanvaardde wel het geschenk, maar bleef niet alleen de koning trouw maar maakte zich kort daarop, in 949, ook nog meester van Amiens, dat tot de bezittingen van Hugo behoorde.

 

De laatste regeringsjaren van Arnulf 

Lodewijk overleed in 945. Zijn dood werd gevolgd door enkele jaren van vrede en verpozing. Ook het graafschap Vlaanderen genoot deze vrede en Arnulf, die nu zijn zestigste jaar had bereikt, liet het bestuur van zijn land grotendeels over aan zijn enige zoon Boudewijn III. Die was in 959 getrouwd met een Duitse prinses, Mathildis, dochter van de Saksische hertog Herman Billung. In 960 werd hun zoon geboren die naar zijn grootvader Arnulf werd genoemd.

Arnulf zag nu de toekomst van het graafschap, door zijn vader gesticht en door hem uitgebreid en versterkt, voor de toekomst verzekerd. Maar de oude man had geen rekening gehouden met het noodlot.

In december 961 kreeg zijn geliefde zoon Boudewijn III de pokken en stierf enkele dagen later, op 1 januari 962, te Sint-Bertijn.
De oude Arnulf stierf bijna van verdriet, maar zijn beproevingen waren verre van over. Zijn kleinzoon, de latere Arnulf II, was nauwelijks enkele maanden oud en hijzelf was door ouderdom gebogen. Men noemde hem toen Arnulf Contractus, wat zoveel betekent als 'samengetrokken' of 'gerimpeld'.

Toen de twee zonen van zijn broer Adalolf, wiens erfdeel Arnulf zich in 933 onrechtmatig had toegeëigend, de dood van Boudewijn vernamen, dachten zij dat het ogenblik was aangebroken om hun toen ontstolen erfdeel, Boulogne en Ternois, terug te eisen. De oude Arnulf vreesde dat na zijn dood zijn twee neven zijn kleinzoon op dezelfde manier zouden behandelen zoals hij dat met hen in 933 had gedaan. Hij liet daarom een van de jongens vermoorden. Hierop kwam de Franse koning Lotharius, zoon van wijlen Lodewijk IV, tussenbeide in het geschil tussen Arnulf en de nog overblijvende neef. Een overeenkomst werd gesloten waarbij werd bepaald dat het betwiste gebied Boulogne en Artois na de dood van Arnulf aan zijn neef zou worden gegeven. 

Nog datzelfde jaar stelde de oude graaf zijn neef Boudewijn Baldzo, een zoon van zijn oom Rudolf, aan om over zijn kleinzoon te waken.

Op 27 maart 964, na nog enkele beschikkingen te hebben getroffen betreffende de uitvoering van zijn testament, overleed Arnulf I na 46 jaar regering. ZIjn regering speelde zich af in een eeuw vol oorlog, verraad en moord. Een eeuw waarin er van beschaving nauwelijks sprake was, maar nuttig om te kennen en te beseffen dat de apocalyptische ruiters (oorlog, verraad en moord) geen fenomenen zijn van nu maar van alle tijden.  

Bibliografie:
1. DHONT, J. Dr. "Korte geschiedenis van het ontstaan van het graafschap Vlaanderen", Brussel 1943.
2. GANSHOF, L. "Vlaanderen onder de eerste graven", Standaard, Brussel 1944.
3. LE GLAY, Edward. "Histoire des comtes de Flandre", Brussel 1853.
4. ROOSBROECK, R. Dr. "Geschiedenis van Vlaanderen", Standaard, Brussel 1936.

Inhoudstafelnaar hoofdstuk 5

 
 
Over Herman Boel

Herman Boel is voltijds zelfstandig vertaler en auteur van twee skeptische boeken.

Lees meer »
Disclaimer
  • Aansprakelijkheid voor gebruik van de inhoud van de website.

Lees meer »
Browsercompatibiliteit

Deze webstek werkt prima in moderne browsers als Google Chrome, Firefox en Opera en mogelijk ook min of meer goed in Internet Explorer en Safari.

Contact

U kan me contacteren via het het invulformulier.

Online contactformulier »