De geschiedenis van Vlaanderen - Hoofdstuk 3

Het ontstaan van het Graafschap Vlaanderen: de eerste twee graven

Geschreven door: Charles Vanderhaegen - in lichte mate bewerkt door Herman Boel
Gepubliceerd met vriendelijke toestemming van Charles Vanderhaegen. 

In het vorige hoofdstuk hebben we, wat onze Vlaamse geschiedenis betreft, de vroege Middeleeuwen afgesloten met het fameuze verdrag van Meerssen dat in 870 werd gesloten en waarbij het Lotharingse Rijk ophield te bestaan.

Karel De KaleHet noordelijke stuk van het Karolingische Rijk was door het verdrag van Verdun in 843 aan Lotharius I, oudste zoon van Lodewijk De Vrome, toegekend en werd naar hem 'Lotharingen' genoemd. Het werd nu verdeeld onder Lodewijk de Duitser, derde zoon van Lodewijk de Vrome en koning van Oost-Francië (Francia orientalis) en Karel De Kale (afbeelding) , vierde zoon van Lodewijk De Vrome en koning van West-Francië (Francia occidentalis).

Karel De Kale probeerde nog in 876 de grenzen van zijn rijk naar het oosten uit te breiden, maar werd daarbij door Lodewijk De Jonge, tweede zoon van de ondertussen overleden Lodewijk De Duitser, te Andernach verslagen.

Toen Karel De Kale in 877 overleed, maakte Lodewijk De Jonge hiervan gebruik om via het verdrag van Ribemont in 880 de Frans-Lotharingse grens te herstellen die door het verdrag van Verdun was bepaald. Lotharingen maakt nu volledig deel uit van Duitsland en de oude grens van het Verdrag van Verdun scheidde opnieuw Francia orientalis en Francia occidentalis.

De grens tussen Lotharingen, Duits bezit, en Vlaanderen, Frans bezit, wordt nu gevormd door de Schelde. Naast de taalgrens die van oost naar west loopt, worden onze gewesten nu ook nog gesplitst door een politieke grens die van zuid naar noord loopt. Die grens zal blijven bestaan tot in de 15e eeuw, wanneer de hertogen van Bourgondië beide delen (Vlaanderen en Lotharingen) tot één gebied zullen verenigen.

Als naam voor de streek tussen de Schelde en de Noordzee, zou Vlaanderen oorspronkelijk 'overstroomd gebied' betekenen en stond in de 8e eeuw bekend als de pagus Flandrensis. Dat komt overeen met de gouw rondom Brugge, een van de talrijke Karolingische gouwen waarin het gebied van het latere graafschap Vlaanderen in de tweede helft van de 9e eeuw was verdeeld.

De bewoners van deze pagus Flandriensis werden Vlamingen genoemd. Dit woord zou afstammen van Vlame, een woord van Friese oorsprong dat vluchteling betekent. We kunnen veronderstellen dat deze naam oorspronkelijk door de Friezen, die zich in het Land van Waas hadden gevestigd, aan de Vlaamse kustbewoners werd gegeven, omdat deze keer op keer landinwaarts moesten vluchten om aan de talrijke overstromingen die de Vlaamse kusten toentertijd regelmatig teisterden, te ontkomen.

In de ruimte waarin Vlaanderen in de 9e eeuw ontstond, was de kust sterk uitgesneden en reikte veel verder landinwaarts dan thans het geval is. Dit was het gevolg van de grote overstroming van de 4e eeuw en de talrijke overstromingen die daarop volgden. Zo reikte de inham van het Zwin tot aan Brugge en stortte de IJzer zich in de Noordzee via een breed estuarium dat nu volledig verdwenen is.

Volgens de kroniekschrijvers van die tijd was heel dit Vlaamse gebied ten tijde van Karel De Grote niets meer dan een onvruchtbaar land, dat weinig waarde had, vol lag met moerassen, heiden en schorren, en dus weinig geschikt was als landbouwgrond of voor het fokken van groot vee. Schapen daarentegen vonden er hun gading, zodat wol steeds in overvloedige mate aanwezig was. Waar wol overvloedig aanwezig is, ontstaat als vanzelf een lakennijverheid. Deze bedrijvigheid zal doorheen de hele geschiedenis van Vlaanderen een belangrijke rol spelen.

Dit hele gebied dat weliswaar onvruchtbaar was maar waar dankzij de wol toch een bloeiende handel floreerde, werd door Karel De Grote in leen gegeven aan een zekere Liederik, heer van Harelbeke. Deze Liederik overleed in 836 en werd opgevolgd door zijn zoon Ingelram die op zijn beurt overleed in 868 en opgevolgd werd door zijn zoon Odakar. Deze laatste droeg de titel van graaf en was tegelijkertijd ook de wereldlijke abt van de Sint-Pietersabdij in Gent. Deze laatste functie was een soort openbaar ambt dat men een honores noemde een de bezitter ervan toeliet – tot groot nadeel van de kloostergemeenschap en tot ergernis van de monniken – zich een belangrijk deel van de inkomsten der domeinen, die het patrimonium van de abdijen uitmaakten, toe te eigenen.

Boudewijn I

Vlaanderen begint maar pas een rol in de geschiedenis van Europa te spelen met Boudewijn I, de IJzere genoemd en later ook Boudewijn I met den IJzeren Arm (Baldwinus Ferreus).

Boudewijn I was de zoon van de voorgenoemde Audacer, zo wordt tenminste verondersteld want precieze gegevens zijn er uit die tijd niet beschikbaar. Veel is gebaseerd op legenden en verzinsels en als men de verschillende geschiedschrijvers die over de toenmalige gebeurtenissen hebben geschreven raadpleegt, vindt men evenveel verhalen als er geschiedschrijvers zijn.

Wat we wel met zekerheid weten is dat hij deel uitmaakte van het gevolg van de jonge koning Lodewijk van Neustrië, in 861 of 862 Senlis in Noord-Frankrijk bezocht en daar op de een of andere manier Judith ontmoette, die door haar vader Karel de Kale in het kasteel gevangen werd gehouden. Boudewijn werd verliefd op deze jonge dame, ze was amper twintig jaar, en wist zonder al te veel moeite haar liefde voor zich te winnen.

Naar het schijnt zou die Judith een hartstochtelijke weduwe geweest zijn. Ze had in ieder geval een vrij beroerd leven achter de rug. Op twaalfjarige leeftijd was ze uitgehuwelijkt aan de Angelsaksische koning Ethelwolf, die zelf al ver over de vijftig was, werd ze anderhalf jaar later weduwe en werd ze in een tweede huwelijk gedompeld met Ethelbald, een zoon van Ethelwolf uit een vorig huwelijk. Ook deze stierf enkele jaren later, waarop ze prompt van bloedschendende betrekkingen met haar stiefzoon werd beschuldigd en uit Engeland werd verdreven. Karel de Kale die, zoals alle koningen uit die tijd, alles en in het bijzonder zijn dochter aan zijn politieke plannen opofferde, liet haar in de koninklijke vesting opsluiten in het vooruitzicht van een nieuw, voor hem voordelig huwelijk.

Boudewijn rekende niet echt op de goedkeuring van Karel de Kale voor een huwelijk met zijn dochter omdat hij slechts een aan Karel ondergeschikte edelman was. Daarom besloot hij Judith uit haar afzondering te bevrijden door haar te schaken. Hij kreeg daarbij de medewerking van haar jongere broer prins Lodewijk, later Lodewijk II van Frankrijk, bijgenaamd de Stotteraar die, voor een of ander ongekende reden een huwelijk van zijn zuster met Boudewijn gunstig gestemd was. Lodewijk bracht Judith van Boudewijns trouwplannen op de hoogte en op een afgesproken nacht, ergens in 860, wist Judith, vermomd en gebruik makend van de afwezigheid van haar vader, aan haar bewakers te ontsnappen. Ze verliet de vesting en werd op een afgesproken plaats buiten de poort door Boudewijn op zijn paard getild om er met haar aanbidder vandoor te gaan.

Het verliefde paar moest nu zo vlug mogelijk het rijk van Karel de Kale zien te ontvluchten, want deze verbleef op dat ogenblik te Soissons, niet ver van Senlis. Zij spoedden zich daarom naar het hof van Judith's neef Lotharius II, die toen koning was van Lotharingen, en vonden daar voorlopig een veilig onderdak.

Lotharius die met Karel de Kale overhoop lag vanwege diens bemoeizucht met zijn eigen familiezaken en zijn ononderbroken pesterijen, schiep nu een heimelijk genoegen in wat zijn oom Karel was overkomen en liet het bij hem ondergedoken koppel door zijn priester in het huwelijk treden. Toen Karel de Kale dit vernam was hij woedend en eiste van Lotharius de uitlevering van het koppel. Deze eis was juridisch verantwoord, want net dat jaar, in 860 dus, hadden Karel en Lotharius zich wederzijds verbonden tot de uitlevering van misdadigers die van het ene rijk naar het andere vluchtten om aan het plaatselijke gerecht te ontsnappen.

Toen Lotharius echter allerlei uitvluchten bedacht om de uitlevering zo lang mogelijk uit te stellen, liet Karel de goederen van Boudewijn verbeurd verklaren en liet hem door de geestelijkheid in de ban slaan. Maar Boudewijn liet zich door al die bedreigingen niet beroeren. Hij liet Karel weten dat, indien deze hem niet in zijn rechten herstelde en zijn huwelijk erkende, hij een verbond zou sluiten met de Noormannen die circa 800 het Frankische Rijk waren binnengevallen en plunderend stilaan het noorden van dat gebied in hun macht kregen.

Toen Hincmar, de aartsbisschop van Reims, dit vernam, werd zijn hart vervuld van angst, want de vikings waren woeste krijgers die het voortbestaan van de christelijke wereld van de 9e eeuw ernstig bedreigden. Hij trad daarom in contact met de toen vrij machtige paus Nikolaas I en slaagde erin hem te overtuigen om zich persoonlijk met die zeer vervelende zaak te bemoeien. Toen Boudewijn dit vernam begaf hij zich met zijn vrouw naar Rome, waar hij door de paus werd ontvangen en hem kon overtuigen van zijn onschuld. Paus Nikolaas nam de zaak zeer ter harte en begon met Karel onderhandelingen te voeren om hem van zijn bedreigingen te doen afzien. Hij steunde daarbij enerzijds op het feit dat Judith niet met geweld was ontvoerd, maar Boudewijn uit vrije wil was gevolgd en anderzijds dat het gevaar bestond dat Boudewijn zich met de heidense Noormannen zou verbinden.

Na lange en lastige besprekingen gaf Karel eindelijk toe. Zijn positie in zijn rijk was trouwens veel te zwak om de pauselijke will te kunnen trotseren. In oktober 862 werd de banvloek ingetrokken en in december erkende ook Karel het huwelijk. Bovendien kreeg Boudewijn zijn verbeurdverklaarde goederen terug, kreeg hij de gouwen Gent, Waas en Ternois (de streek rond St-Omaars) in leen en werd hij aangesteld tot markgraaf van de Vlaamse kust. In 863 schonk Judith (waarschijnlijk te Gent) het leven aan hun eerste zoon die naar zijn vader Boudewijn werd genoemd. Later volgde ook nog een tweede zoon die de naam Rudolf meekreeg.

Dat Boudewijn I den IJzeren werd genoemd is waarschijnlijk te danken aan zijn ijzeren wil en ongelooflijke stoutmoedigheid. Inderdaad, om de dochter van de koning te durven schaken en het lef te hebben de machtigste man van het rijk te durven trotseren en als deze dan nog zijn koninklijke vloek over u uitspreekt, de onverschrokken moed te hebben hem uw tanden te laten zijn, moet ge meer dan vermetel zijn.

Zijn tweede bijnaam, met den IJzeren Arm, heeft hij verdiend in 864 toen de Noormannen het Vlaamse land nog eens binnenvielen nadat ze nauwelijks tien jaar tevoren de hele Scheldevallei in vuur en vlam hadden gezet. Als markgraaf van de Vlaamse kust ging hij met een leger van Vlamingen de Noormannen zodanig te lijf, dat zij zich bereid verklaarden tegen een som geld het land te verlaten. Karel de Kale stemde hiermee in en sloot in 866 met de invallers een akkoord waarbij, na betaling van het overeengekomen bedrag, zij zich uit ons land terugtrokken.

Dit bracht uiteindelijk vrede en Boudewijn en Judith leiden dan een relatief rustig leven totaan de dood van Boudewijn in 879. Wat er van Judith is geworden, weten we niet. We weten ook niet wanneer ze overleden is, want in geen van onze abdijen is er een grafstede te vinden met haar naam op, wat met alle andere gravinnen wel het geval is.

Boudewijn II

Boudewijn I was nauwelijks overleden of de Noormannen vielen onze contreien opnieuw binnen. Er was wel een verschil met de vorige invallen. In de jaren 850 en 852 ging het om relatief kleine benden rovers die waar mogelijk aan land gingen, de streek plunderden en zich dan weer terugtrokken. In 879 ging het echter om een machtig en vrij goed georganiseerd leger dat het land bezette en plunderde. De Noorse inval van 879 geldt als de grootste, geweldigste storm van vernieling die ooit over onze contreien woedde.

Ze kwamen in juli 879 aan wal tussen Boonen (Boulogne) en Kales (Calais) en trokken onmiddellijk door naar de bisschoppelijke steden Terwaan en Sint-Omaars die beiden in vlammen opgingen. Vandaar trokken ze naar het noorden, naar de streek ten westen van de Leie tot Gent dat volledig leeggeplunderd en praktisch totaal verwoest werd. Het was voor onze contreien het begin van een vreselijke tijd. De moorden, plunderingen, verwoestingen en verkrachtingen door de Noormannen grensden aan het ongelooflijke. Iedereen die zich maar enigszins kon verplaatsen, vluchtte weg: rijken, armen, geestelijken en boeren. In 880 rukten de Noormannen op naar het zuiden, plunderden Kortrijk, Doornik en Atrecht en drongen zelfs door tot Reims.

Ze werden even tot staan gebracht door de Franse koning Lodewijk III te Saucourt nabij de Somme. Maar deze jonge overwinnaar stierf kort daarop in 882 en werd opgevolgd door zijn broer Karloman. Die begreep dat het voor zijn leger onmogelijk was het vlakke, door talrijke bevaarbare rivieren doorkuiste Vlaanderen tegen de Noormannen te verdedigen. Hij besloot daarom de grenzen van zijn rijk naar het zuiden te verplaatsen tot aan de heuvels van Artesië.

De jonge Boudewijn II, nauwelijks twintig jaar oud, begreep dat het nu volstond zijn hand uit te steken om zich zonder enige tegenstand van heel het gebied meester te maken. Zo kan hij in 883 als de feitelijke stichter van het graafschap Vlaanderen worden beschouwd, een graafschap dat zich uitstrekte van de Noordzee tot aan de heuvels van Artesië.

Zich van dit uitgestrekte land meester maken was dus een vrij eenvoudige klus, het behouden ervan was een lastiger taak. De Noormannen die zich ondertussen in Lotharingen, ten oosten van de Schelde, hadden gevestigd bedreigden namelijk het prille graafschap. Maar krijgskunde is een wetenschap waarin men nooit ophoudt nieuwe ideeën te ontwikkelen. Met de vaststelling dat de Noormannen geen kennis schenen te hebben van zwaar belegeringstuig, begon men vanaf 884 burchten te bouwen die groot genoeg waren om de bewoners van de omliggende streek met hun vee en andere, meestal schaarse, bezittingen bescherming te bieden. De Noormannen zijn er nooit in geslaagd deze versterkte burchten te veroveren zodat de buit van hun strooptochten nog nauwelijks de moeite loonde. Ze verlieten dan ook onze streken en kwamen nooit meer terug. Wel hebben ze verder Frankrijk en Engeland geteisterd, maar Vlaanderen bleef vanaf 885 van verdere invallen gespaard.

Boudewijn kon zich nu in de grote politiek werpen. Hij had daarbij twee doelstellingen: langs de ene kant zijn gezag door de koning doen erkennen, langs de andere kant zijn vorstendom uitbreiden. Vlaanderen was toen door de Noormannen zo grondig verwoest en leeggeplunderd dat landbouw en handel praktisch volledig ten gronde waren gericht. Boudewijn keek daarom naar het zuiden, naar het rijke Artesië, dat de graanzolder van Vlaanderen kon worden, en naar Boonen, waar de beste haven lag voor de zeevaart naar Engeland.

De kans om deze doelstellingen te verwezenlijken deed zich voor toen zich in 888 in Frankrijk het probleem van de troonsopvolging stelde na de dood van Karel de Dikke. De strijd om de troon speelde zich af tussen Odo (Eudes), graaf van Parijs en Markgraaf van Neustrië, en de wettelijke opvolger Karel de Eenvoudige, de jongste zoon van Lodewijk II, bijgenaamd de Stotteraar, die vroeger nog Boudewijn I en Judith bescherming had gegeven.

Een groep Franse graven zagen een prachtkans om zichzelf van de koning onafhankelijk te maken en verkozen daarom Odo boven de wettige Karolinger Karel de Eenvoudige, die toen nauwelijks tien jaar oud was. Boudewijn, die als Karolinger eerst de kant van Karel had gekozen, wijzigde nog hetzelfde jaar zijn houding en sloot een afzonderlijke vrede met Odo, die daarbij het gezag van Boudewijn over de voornoemde streken erkende. Daarmee was een eerste uitbreidingsfase voltooid.

Er was ook een tweede fase. In 892 stierf de abt-graaf Rudolf, een neef van Boudewijn en meester van het graafschap Sint-Vaast en de Sint-Bertijns abdij. Hoewel de lenen toen nog niet in zijlijn erfelijk waren, eiste Boudewijn al zijn bezittingen voor zich op en legde er beslag op zonder de toestemming van de koning af te wachten.

Dit viel in slechte aarde bij Odo die eerst de opstandige graaf in de kerkban liet slaan, en dan met een leger naar Brugge oprukte waar Boudewijn zich had verschanst. Maar de veldtocht viel tegen. Brugge hield stand en Odo moest daarenboven onverrichterzake naar Frankrijk terug keren omdat Karel de Eenvoudige de troon terug opeiste.

Boudewijn had net als zijn vader geen last van gewetensbezwaren en aarzelde nooit over de keuze van de middelen om zijn doel te bereiken. Daar alleen Odo hem in rechte het bezit van Rudolfs erfdeel kon bevestigen, voegde hij zich bij de Karolingische aanhang, niet om hem in zijn strijd te steunen maar om bondgenoten te vinden met wie hij koning Odo kon overtuigen van zijn eer. Dit lukte. In 895 belegerde de koning Atrecht en Boudewijn bood de koning zijn onderwerping aan. De koning was blij van een kwaaie tegenstander verlost te zijn en betwistte hem, als beloning, niet langer het erfdeel van Rudolf.

Alfred De GroteMaar Karel de Eenvoudige beschouwde dit als verraad. Hij rukte in 899 op zijn beurt op naar Atrecht, veroverde de stad en dwong Boudewijn afstand te doen van Artois en de Sint-Vaast abdij. Boudewijn heeft dit verlies moeilijk kunnen verwerken en liet daarom uit wraak de aartsbisschop Fulco van Reims, de invloedrijkste raadgever van de koning, vermoorden. Ook graaf Herbert van Vermandois liet hij ombrengen omdat de koning hem had verhinderd diens graafschap te veroveren.

In ieder geval was Boudewijn II er met geweld, list, vastberadenheid, moed en diplomatisch vernuft in geslaagd om in vijftien jaar een vorstendom te stichten dat weinigen hem konden evenaren. Dit blijkt ook uit het feit dat de Engelse koning Alfred de Grote (foto) hem zijn dochter Elftrudis als vrouw schonk. Zijn schonk hem vier kinderen, twee dochters en twee zonen waarvan de oudste Arnulf en de jongste Adalolf werd genoemd.

Boudewijn II overleed op 11 september 918. Zijn vorstendom werd toen onder zijn twee zonen verdeeld.

kaart Vlaanderen

Vlaanderen tijdens de eerste graven
(klik op de afbeelding voor een grotere versie)

Bibliografie:

1. DHONDT, Dr. J. "Korte geschiedenis van het ontstaan van het graafschap Vlaanderen", Brussel 1943.
2. GANSHOF F.L. "Vlaanderen onder de eerste graven", Antwerpen 1944.
3. ROOSBROECK, Dr. R. Van. "Geschiedenis van Vlaanderen", 1936-38
4. DESPRIET, Ph. "Atlas van Frans-Vlaanderen", Kortrijk 1998.
5. PIRENNE, Henri. "Geschiedenis van België", Brussel 1928.

Inhoudstafelnaar hoofdstuk 4

 
 
Over Herman Boel

Herman Boel is voltijds zelfstandig vertaler en auteur van twee skeptische boeken.

Lees meer »
Disclaimer
  • Aansprakelijkheid voor gebruik van de inhoud van de website.

Lees meer »
Browsercompatibiliteit

Deze webstek werkt prima in moderne browsers als Google Chrome, Firefox en Opera en mogelijk ook min of meer goed in Internet Explorer en Safari.

Contact

U kan me contacteren via het het invulformulier.

Online contactformulier »