De geschiedenis van Vlaanderen - Hoofdstuk 2
Het ontstaan van het Vlaamse volk: De vroege Middeleeuwen
Geschreven door: Charles
Vanderhaegen -
in lichte mate bewerkt door Herman Boel
Gepubliceerd met vriendelijke toestemming van Charles
Vanderhaegen.
In 476 werd de laatste keizer van Rome afgezet door Odoaker, hoofd van de Germaanse hulptroepen. De naam van die keizer was Romulus Augustulus, een spotnaam, want Augustulus betekent Klein Augustje. Dat was hij ook, een kind dat in 475 op de troon werd gezet en nauwelijks een jaar later op pensioen werd gestuurd. De ironie van de geschiedenis: Het Romeinse Rijk, dit machtige Rijk, in 753 vóór Christus gesticht door Romulus, een duchtig krijger en zoon van de god Mars, eindigde met een onmondig kind.
Het betekende het einde van het Romeinse rijk én het einde van de Oudheid. Een nieuwe periode deed zijn intrede in de geschiedenis: de Middeleeuwen die begonnen met wat we de vroege Middeleeuwen of ook soms wel de donkere Middeleeuwen noemen. Donker, want met de val van het Romeinse Rijk viel ook de Romeinse beschaving. De geschreven taal kween weg, de Romeinse cultuur en bestuursvormen raakten verloren. De gesofistikeerde Romeinse rechtspraak maakte plaats voor een rechtspraak waar de rechter niet naar bewijzen vroeg, maar die werd beslecht door gruwelijke tweegevechten die op leven en dood werden uitgevochten in de naam van God. De overwinnaar had altijd gelijk, zo had God beslist.
De overgang van de Oudheid naar de Middeleeuwen was brutaal, gewelddadig, wreed en meedogenloos. Maar... welke periode in de geschiedenis was dat niet?
In het vorige hoofdstuk hebben we gezien dat de Franken, opkomend vanuit het oosten, er in het jaar 356 in slaagden de Rijn over te steken en het gebied van Tongeren binnen te dringen en te bezetten. Die bezetting was echter van korte duur, want reeds kort daarop, in 358, werd het grootste gedeelte van de Frankische invallers door de Romeinen op de vlucht gedreven. De Romeinen waren onder het bevelhebberschap van keizer Flavius Julianus, bijgenaamd de Apostaat (de afvallige). Ondanks zijn overwinning had Julianus deze Franken niet over de Rijn kunnen terugdrijven. Zoals altijd wanneer de Romeinen met een of andere invaller een overeenkomst moesten sluiten, verkregen de Franken de titel van foederati (bondgenoten). Deze titel liet aan de achtergebleven Franken toe het veroverde gebied te behouden, op voorwaarde het in naam van het keizerrijk tegen om het even wie te verdedigen. Zo bevond de eerste nederzetting van de Franken in onze gewesten zich in de zandige en barre streken van Taxandrië (zowat het huidige Vlaams en Nederlands sprekende Brabant). Van dan af begon de zogenaamde Frankische kolonisatie, een kolonisatie die aan de bakermat lag van ons volk en onze taal.
Maar wie waren die Franken? Wie waren die barbaren die de Romeinen maar niet klein konden krijgen en diezelfde Romeinen ten slotte uit onze contreien verdreven? De naam 'Franken' is in feite een verzamelnaam voor verscheidene groepen volksstammen waarvan de twee voornaamste de Salische Franken of Salïërs en de Ripuariërs zijn. Het waren de Salische Franken die zich het eerst in onze gewesten vestigden; eerst in de Kempen, langs de Grote en Kleine Nete en later in Noord-Brabant, in de streek van Reusel en Eersel. Die kolonisatie zou zich later uitbreiden en uitlopen op de totale verovering van geheel Gallië.
De start daartoe werd gegeven in 406 wanneer de Alanen, de
Vandalen en de Oostgoten, voortgezweept door de Hunnen die vanuit
Azië naar Centraal-Europa oprukten, massaal de Rijn overstaken
en als een vloedgolf van woeste hordes zich over Gallië
verspreidden.
Temidden deze verwarring, die door die volksverhuizing was
veroorzaakt en gepaard ging met verwoesting, plundering,
brandstichting en verkrachting, trokken de Franken vanuit onze
streken naar het zuiden op zoek naar nieuwe gronden. Zo maakten zij
plaats voor een tweede kolonisatiegolf van Saliërs en
Ripuariërs, die op hun beurt de Rijn overstaken en de streek
tussen het huidige Maastricht en Tongeren bezetten.
Van daar uit zijn ze verder getrokken naar het westen en hebben ze de streek rond Antwerpen en het gehele Leiegebied gekoloniseerd, maar tot aan de Vlaamse kust zijn ze nooit doorgedrongen. Hun opmars in die richting werd gestuit door het zogenaamde Kolenwoud dat zich uitstrekte tussen Sint-Niklaas in het noorden en de Samber in het zuiden. Bovendien was heel het Vlaamse kustgebied tegen het einde van de 4de eeuw volledig onder water gelopen. De schaarse bevolking die er nog leefde, nakomelingen van de Morinen en de Atrebaten, hadden naar het binnenland de wijk genomen. Alleen het Vlaamse Woud, dat zich in zuidwestelijke richting uitstrekte langs de rechteroever van de IJzer, bleef van de overstroming gespaard. In de 7de eeuw had de zee zich echter teruggetrokken en waren het de Friezen die, samen met de Saksen, bezit hebben genomen van maritiem Vlaanderen.
Overigens moeten we ook vertellen dat overal waar in onze contreien de Frankische kolonisatie met de Oudfrankische taal is doorgedrongen, de Vlaamse bevolking is ontstaan, wiens taal later zou uitgroeien tot het middeleeuwse Vlaams.
De Salische Franken die vanuit Taxandrië naar het zuiden
waren getrokken, hadden ondertussen omstreeks 431 Doornik bereikt.
Deze stad was toen nog steeds in het bezit van de Romeinen, zodat
hier opnieuw slag moest worden geleverd om verder te kunnen
trekken. Chlodio, de eerste
Frankenkoning, uit het
geslacht der Merovingen, overviel met zijn krijgers de Romeinse
wachten en nam na een kort gevecht bezit van de stad die hij
uitriep als centrum van zijn macht.
Vanuit Doornik heeft de Frankische veroveringstocht zich verder
naar het Zuiden ontwikkeld. Tussen 431 en 451 veroverden zij
Kamerijk en Atrecht. Van daaruit stootten zij door tot aan de Somme
en namen zij bezit van de streek rond Calais, waar hun taal tot in
de 11de eeuw zou voortleven.
Maar wee de bevolking van de dorpen en nederzettingen waar ze
voorbijkwamen. De mannen en vrouwen die niet tijdig konden vluchten
werden gedood en de jonge vrouwen werden geroofd om als slavinnen
te dienen. Het vee werd meegevoerd, de hoeven geplunderd, de buit
op logge karren opgestapeld en wat overbleef platgebrand.
Chlodio's zoon, Childerik, zette na de
dood van
zijn vader in 477 de veroveringstocht door Gallië verder naar
het westen en naar het zuiden. Hij stierf in 481 en werd opgevolgd
door zijn zoon Clovis.
Clovis
(foto) was wel de meest
beruchte vorst
van die tijd. Hij was zeer sluw en ongenadig, maar ook zeer begaafd
en onovertroffen als veldheer. Met goud en mooie beloftes wist hij
de meeste Frankische vorsten voor zich te winnen. Wie hem dwarszat,
liet hij vermoorden. Zo groeide hij door middel van moord, verraad
en een reeks vernietigende veldtochten uit tot de onbetwiste koning
der Franken. Hij verzamelde een machtig leger en wist tussen 486 en
511 zijn macht te vestigen over het rijk van Syagrius, gelegen
tussen de Somme en de Loire in, het land van de Bourgondiërs,
in het bekken van de Rhöne en de Saöne en het rijk der
Alamanen. Hij liet zich in 506 bekeren tot het Christendom en
vestigde zich te Parijs. Zijn naam was eigenlijk Chlodowech, wat
roemzuchtig gevecht betekent, in het Latijn vertaald door
Hlodivicus, waarvan later de naam Lodewijk, de naam van 18 Franse
koningen, werd afgeleid.
Clovis stierf in 511 en werd opgevolgd door zijn zoon Chlotarius l
die heel het oostelijke gedeelte van Gallië aan het Frankische
rijk toevoegde.
Chlotarius overleed in 561 en
zijn rijk werd
volgens het Salische erfrecht verdeeld tussen zijn vier zonen.
Charibert l erfde Parijs en het westen van het rijk tot aan de
Pyreneeën. Sigebert l kreeg Austrasië, het oostelijk
gedeelte van het Merovingische rijk dat de Maas- en Rijnstreek
omvatte. Guntramnus, zijn derde zoon, kreeg Bourgondië en de
streek rond Orléans en Chilperik erfde Neustrië. Zo
heette toen het westelijke gedeelte van het Frankische Rijk. Het
zou tot aan de troonsbestijging van Pepijn de Korte een zelfstandig
koninkrijk vormen dat in het noorden grensde aan de Schelde, in het
zuiden aan de Loire en in het oosten aan Austrasië.
Na de dood van zijn broer Charibert l in 558 verwierf Chilperik
heel diens gebied en om dit naar het zuiden toe te beveiligen huwde
hij Galswithe, dochter van de Visigotische koning Athanagild die
over Spanje regeerde. Galswithe werd echter in 573 vermoord,
vermoedelijk vergiftigd door Fredegonde, slavin en minnares van
Chilperik die met haar in het huwelijk trad en haar aldus tot
koningin van Neustrië verhief.
De moord op Galswithe en het daarop volgende huwelijk gaven
aanleiding tot een ononderbroken burgeroorlog tussen Neustrië
en Austrasië die veertig jaar zou duren. Sigebert l, broer van
Chilperik en koning van Austrasië was immers getrouwd met
Brunhilde, de zuster van de vermoorde Galswithe. Noch Sigebert,
noch Brunhilde konden het verkroppen dat een slavin als Fredegonde
het door moord op hun schoonzuster en zuster tot koningin had
gebracht.
Maar Fredegonde was een gevaarlijk personage die voor niets
terugdeinsde. Om zich van die lastpost Sigebert te ontdoen liet ze
hem in 575 in Vitry door twee van haar handlangers met giftige
messen vermoorden. Maar dat betekende niet het einde van de oorlog,
want nu werd ze een nog grotere rivale van Brunhilde, die door het
vergif van Fredegonde niet alleen haar zuster maar nu ook haar man
had verloren.
De positie van Brunhilde tegenover Fredegonde werd
aanmerkelijk
versterkt doordat haar schoonbroer Guntramnus, koning van
Bourgondië, met haar een verbond sloot. Dit stelde haar in
staat het weduwengoed van Fredegonde in te palmen. Maar het baatte
allemaal niet veel. In 613 werd ze door Chlotarius II, zoon van
Chilperik l en de ondertussen (rustig) overleden Fredegonde,
gevangen genomen, gruwelijk gemarteld en tenslotte door een wild
paard aan stukken gescheurd.
Deze strijd tussen Brunhilde en Fredegonde vinden we min of meer
terug in de Siegfried-sage waar Brunhilde
aan het
einde van haar strijd wordt gedood door Theodrich, koning van de
Oost-Goten (3).
Na de dood van Brunhilde werd Chlotarius II koning van het gehele
Frankische rijk. Hij stierf in 629 en werd opgevolgd door zijn zoon
Dagobert, die het rijk nog verder uitbreidde door de aanhechting
van Gascogne dat tot aan zijn dood in 632 aan zijn broer Charibert
II had behoord. Hierdoor strekte het Merovingische rijk zich nu uit
over heel het West-Europese gebied tussen de Rijn en de
Pyreneeën.
Na de dood van Dagobert in 639 begon een periode die
gekenmerkt
werd door een opeenvolging van zwakke koningen die de geschiedenis
zijn ingegaan als les mis fainéants (de
vadsige koningen). De laatste van deze 'vadsige
koningen',
Childerik III, werd in 751 door Pepijn de Korte afgezet en
opgesloten in de Sint-Bertijns abdij in Sint-Omaars waar hij in 754
overleed.
Na de dood van Clovis verloor Vlaanderen, het oude Francia of land
der Franken, zijn naam die op geheel Gallië overgaat.
Gedurende de gehele Merovingische periode zou Vlaanderen buiten de
bemoeienissen van de Frankische koningen blijven, maar wel
ingeschakeld blijven in de administratieve indelingen van het
Frankische rijk, die pagi werden genoemd. Uit de
documenten die uit die tijd zijn overgeleverd blijkt dat ons land
in negen pagi was ingedeeld, waaronder de pagus
Bracbatensis, wat zowat overeenkomt met het latere hertogdom
Brabant, de pagus Gandensis en de pagus
Mansuarensis (de huidige Kempen). Aan het hoofd van een
pagus
stond een grafio, waarvan later het woord 'graaf' werd
afgeleid.
De graaf trad op als rechter, riep de vrije mannen onder de
wapens voor de krijgsmacht van de koning en inde de belastingen.
Zijn voornaamste rol bestond erin de vrede en de veiligheid van de
pagus te vrijwaren.
De bevolking was samengesteld uit drie sociale standen: de vrije
mannen en de aristocratie of grootgrondbezitters, die een groot
aantal slaven (laeten) in hun dienst hadden. In het toen vrij dun
bevolkte Vlaanderen was het aan de machtigste der stammen niet zo
moeilijk om met enige durf en onverschrokkenheid grote hoeveelheden
grond in bezit te nemen, cijnsmannen (belastingontvangers) aan te
stellen, deze op hun grond een woonplaats te geven en de slaven of
laten hun land te laten bewerken. Van kleine vrije grondbezitters
was er weinig sprake. Voortdurend geteisterd door roversbenden,
waren ze dikwijls verplicht de bescherming te vragen van de graaf
in ruil voor hun grond. Zo werden de graven steeds rijker en
machtiger en werden de vrije boeren meer en meer van hen
afhankelijk.
Op dit laatste na is er onder de Merovingen weinig belangrijks
gebeurd in onze streken. Dit verandert wanneer de Karolingers het
Frankische koningschap overnamen.
De Karolingers waren een geslacht van
grootgrondbezitters wier naam is afgeleid van Karel de Grote. Zoals
eerder verteld kwamen ze aan de macht in 751 met Pepijn de Korte
als eerste Karolingische vorst. Deze liet zich kronen te Soissons,
en zag zijn kroning bevestigd tijdens zijn zalving door de
pauselijke gezant, de aartsbisschop Bonifatius. Pepijn was nu
koning bij Gods genade en niemand kon nog zijn titel van koning
betwisten.
De Karolingische familie was oorspronkelijk afkomstig uit
Austrasië maar bezat een groot aantal domeinen in de streek
van Tongeren, in de Maasvallei en in de Ardennen. Zij waren zowat
de rijkste
grootgrondbezitters van de streek rond Maastricht en dus
ook de enige meesters in dat gebied. Dit zou de geschiedenis van
Vlaanderen sterk beïnvloeden. Toen Pepijn de Korte (Pepijn
III) in 768 overleed,
werd hij opgevolgd door zijn oudste zoon
Karel de Grote (foto), in het Latijn Carolus
Magnus, niet alleen omdat hij groot was van gestalte
maar ook door zijn daden. Hij veroverde in 774 het rijk der
Longobarden in Noord-ltalië, vestigde een protectoraat over de
pauselijke staat, nam in 778 bezit van het hertogdom Beieren en
voegde na een bloedige zevenjarige oorlog in 785 Friesland en het
land van de Saksen toe aan zijn rijk. Hierdoor verschoof hij de
grenzen van het Frankische rijk tot aan de Elbe.
Vanaf 808 verbleef hij bijna uitsluitend in Aken, waardoor deze stad het grote aantrekkingspunt werd voor al wie met de koning of het rijk iets te maken had. Men kwam langs de oude Romeinse heirbaan Bavay-Keulen, langs de Moezel en de Maas wat ertoe leidde dat Maastricht één van de belangrijkste handelsteden werd van het Frankische rijk. Hierdoor schonk Karel de Grote aan Vlaanderen een schitterende maar ook een gevaarlijke centrale positie in West-Europa. Het zou die positie van dan af nooit meer zal verliezen. Heel het middelpunt van de middeleeuwse beschaving, een soort vlechtwerk van Romaanse en Germaanse culturen, werd hier gevormd. Alles wat er in Europa gebeurde, of het van godsdienstige, sociale of economische aard was, had zijn effect op Vlaanderen. Het zou in de toekomst het slagveld worden van Europa, maar ook een centrum van commerciële bedrijvigheid en grote bloei van het kunst- en letterkundig leven. Deze periode zou de geschiedenis ingaan als de 'Karolingische Renaissance'.
Karel de Grote overleed in 814 en werd opgevolgd door Lodewijk de Vrome, de enige van vier zonen die Karel heeft overleefd en zo het gehele Frankische imperium erfde. Maar nauwelijks aan de macht kwam een nieuw gevaar opduiken, deze keer vanuit het noorden. De Vikings of Noormannen, woest en onverschrokken, gedreven door de grote getalsterkte van hun bevolking in een land waar te weinig voedsel te vinden was om iedereen te voeden, kwamen vanuit Denemarken, Noorwegen en Zweden met hun kromgerugde drakars de kusten van Friesland, Zeeland, Vlaanderen en Frankrijk overvallen.
In 820 kwam de eerste aanval op de Vlaamse kust, een aanval die echter werd afgeslagen door de Karolingische graven. Maar in 834 kwamen ze terug. Ze drongen langs de Rijnmonding Nederland binnen en verwoesten de handelsnederzetting Dorestad (het huidige Wijk bij Duurstede, aan de Lek). Een tweede groep voer de Schelde op en overviel Antwerpen dat werd leeggeplunderd. Tussen 840 en 890 kwamen steeds meer woeste benden Noormannen onze contreien teisteren. In 842 overvielen ze opnieuw Dorestad dat totaal werd vernield en voor altijd verdween. In 850 lieten ze Terwaan in de vlammen opgaan, in 851 werd Gent in brand gestoken en in 852 werd de gehele Scheldevallei geplunderd.
Overal waar ze verschenen vluchtte de bevolking, want de
Vikings
ontzagen niets, ze moordden, stichtten brand, verkrachtten,
plunderden en roofden alles wat maar te grijpen viel waaronder
onvermijdelijk de jonge vrouwen die niet tijdig konden
vluchten.
Enkel in de vestingen vond de bevolking enige bescherming, want de
Noormannen waren niet bepaald bedreven in het voeren van een beleg.
Daarom begon men overal rond kloosters en de belangrijkste
herenwoningen versterkte, stenen omheiningen aan te leggen
waarbinnen de omwonende bevolking kon schuilen en die later zouden
leiden tot het ontstaan van de versterkte steden.
Ondertussen (in 840) was Lodewijk
de Vrome overleden en liet hij
zijn rijk na aan zijn oudste zoon Lotharius, op voorwaarde dat deze
een gedeelte van het grondgebied aan zijn beide broeders zou
afstaan. Maar Lotharius weigerde, waardoor zijn twee broers,
Lodewijk, later bijgenaamd de Duitser, en Karel II, bijgenaamd de
Kale, tegen hem een verbond sloten wat aanleiding gaf tot wat men
later de 'Karolingische broederstrijd' zou noemen.
Deze strijd werd afgesloten in 843 met het beruchte Verdrag
van Verdun (afbeelding) waarbij het machtige rijk van
Karel de Grote onder de drie broeders werd verdeeld . Lodewijk de
Duitser kreeg het oostelijke deel, Karel de Kale het westelijke deel en
Lotharius erfde de keizerstitel en het middelste rijk, Lotharingen, dat
naar hem werd genoemd. Dit rijk zal maar een kort bestaan kennen want
in 870 zal het ophouden te bestaan met het verdrag van Meerssen.
Vlaanderen lag in het noordelijke gedeelte van dit nieuwe rijk. Het is
hier dat het Graafschap Vlaanderen zijn ontstaan zou vinden.
1. FOLZ, Robert. "De l'Antiquité au Monde médiéval", Parijs
1972.
2. PIRENNE, Henri. "Geschiedenis van België", Brussel 1928.
3. ROOSBROECK, Dr. R. Van. "Geschiedenis van Vlaanderen",
Brussel 1936-38.
4. TER HAAR, Jaap. "Geschiedenis van de Lage Landen",
Amstelveen 1990.
Inhoudstafel - naar hoofdstuk 3
