De geschiedenis van Vlaanderen - Hoofdstuk 1
Het begin - De Romeinse tijd
Geschreven door: Charles
Vanderhaegen -
in lichte mate bewerkt door Herman Boel
Gepubliceerd met vriendelijke toestemming van Charles
Vanderhaegen.
De Romeinen waren de meest formidabele veroveraars die de wereld ooit heeft gekend. In de loop van de twee laatste eeuwen vóór en de eerste eeuw na Christus veroverden zij geheel West-Europa van Gibraltar tot aan de Rijn, de helft van Groot-Brittannië inbegrepen. Geheel de Balkan tot over de Donau was in hun macht en ze waren heer en meester over heel Noord-Afrika en het Nabije Oosten tot aan de Kaspische Zee. Nooit in de geschiedenis van onze wereld werden er zoveel verschillende volkeren vanuit één centrum, Rome, bestuurd.
Ook onze contreien maakten deel uit van dit gigantisch imperium en we kunnen onze geschiedenis daar laten beginnen waar we de ijzertijd afsluiten, de Romeinse legioenen onze contreien binnendringen en wat we de 'Romeinse Tijd' noemen aanvangt. Een tijd die begint in 57 vóór Christus en een einde neemt in 407 wanneer de wilde bendes van Vandalen, Alanen en Sueven de verzwakte Romeinse linies doorbreken en zich over heel Gallië verspreiden, moordend, plunderend, verkrachtend, verwoestend. Nauwelijks drie jaar later zullen de Visigoten Rome plunderen en platbranden. Het einde van Roma, pulcherrima rerum (De schoonste van alle), zoals de Romeinen hun stad noemden.
Maar in het jaar 58 vóór Christus is er nog geen sprake van een zwak Rome. In dat jaar wordt Caius Julius Caesar tot proconsul over Gallië benoemd. Een Gallië waar in de 2de eeuw vóór Christus de Kimbren en de Teutonen, afkomstig uit Scandinavië, met omvangrijke hordes die oude Keltische wereld waren binnengedrongen. Een Gallië waar de talrijke aldaar levende stammen ononderbroken met elkander oorlog voerden of bondgenootschappen afsloten die al even veel keren werden verraden als geëerbiedigd.
Maar Caesar beseft dat er zich achter de Kelten, d.i. ten oosten van de Rijn, een groot aantal Germaanse stammen opdringen die, mochten ze ooit vaste voet kunnen krijgen ten westen van de Rijn, een ernstig gevaar zouden vormen voor de macht van Rome. Overeenkomstig de Romeinse (van Alexander de Grote overgenomen) militaire tactiek 'niet treuzelen, aanvallen' en met zijn inspirerende leidersgaven en zijn onverschrokkenheid trekt hij met zijn legioenen Gallië binnen en stoot hij in 57 v. Chr. op de eerste der Belgische stammen: de Nerviërs. Met hun bondgenoten, de Viromanduers en de Atrebaten, onder het bevelhebberschap van Boduognat, hadden deze zich verschanst in de bossen langs de rechteroever van de Samber. Volgens inlichtingen van vooruitgezonden spionnen was Caesar op weg met acht legioenen, waarvan het eerste, dat aan het hoofd van het leger oprukte, van de andere gescheiden was door een lange trein van wagens met voedselvoorraden, gevechtstorens, tenten en ander oorlogsmateriaal.
Boduognats doel was dit eerste legioen bij verrassing te overvallen en zich van de lange trein met kostbare buit meester te maken vóór de andere Romeinse legioenen konden ingrijpen. Het plan lukte bijna. Zodra de eerste Romeinse soldaten op de andere oever van de Samber verschenen, staken de Nerviërs de rivier over en overvielen zij de verraste soldaten, die net begonnen waren hun kamp op te slaan. Wat de spionnen van Boduognat hem echter niet hadden gemeld, was dat Caesar zijn marsformatie had gewijzigd, waardoor er achter het eerste legioen vijf andere legioenen kwamen opdagen net toen de Nerviërs dachten meester te zijn van het terrein. De schok der legerscharen was verschrikkelijk. De Atrebaten en de Viromanduers werden uiteen geslagen en moesten in alle verwarring vluchten, achtervolgd door de Romeinse cohorten. Boduognat waagde met zijn Nerviërs nog een tegenaanval door in de bres door te dringen die door de vluchtende Viromanduers was achtergelaten. Maar zijn aanval werd gestuit en zijn soldaten werden omsingeld door de reservelegioenen van Caesars onderbevelhebber Labienus, met het gevolg dat de Nerviërs reddeloos verloren waren. Meedogenloos werden ze in de pan gehakt. Van de 60.000 man die aan de strijd tegen Caesar hadden deelgenomen bleven er nauwelijks 500 over.
De Atuatuken die onderweg waren om de Nerviërs te vervoegen, maakten rechtsomkeer toen ze de catastrofe van de slag aan de Samber vernamen; maar achtervolgd door de troepen van Caesar moesten ze hun toevlucht nemen tot een rotsburcht in de omgeving van Hoei. Dat had niet veel nut want de Romeinen zetten onmiddellijk hun gevechtstorens en belegeringsrammen in, met het gevolg dat de vesting zich na een korte strijd aan de belegeraars moest overgeven. De 53.000 mannen, vrouwen en kinderen waaruit de belegerde groep bestond, werden gevangen genomen en naar Rome gevoerd om daar als slaven te worden verkocht. Een tocht van bijna tweeduizend kilometer, te voet door de meest onherbergzame streken van Oost-Gallië en Noord-ltalië. Hoeveel er van de gevangenen tijdens die tocht van Hoei naar Rome zijn omgekomen is niet gekend, maar het zal wel niet gering zijn geweest.
Na de Nerviërs te hebben verslagen, trok Caesar met zijn troepen verder naar het westen om ook Groot-Brittannië aan zijn macht te onderwerpen, maar daarbij botste hij op de Morinen, die langs de Vlaamse kust leefden. Na enkele schermutselingen die niet veel aan de situatie wijzigden, werden zij door Caesars onderbevelhebbers Sabinus en Cotta, die op het punt stonden om met vijf legioenen het Kanaal over te steken, tot gehoorzaamheid gedwongen.
Ondertussen waren de Germaanse Sueten vanuit het oosten het land der Usipeten en Tencteren binnengedrongen en hadden ze de bevolking ervan op de vlucht gedreven, maar na drie jaar waren ze het zwerven moe en trachtten zich te vestigen op een deel van het Menapische gebied. De Menapiërs waren met die invasie echter ver van gediend. Er ontwikkelde zich een heftige strijd die eindigde met een slachtpartij waarbij de Menapiërs het onderspit moesten delven.
Dit kwam Caesar goed uit. Hij maakte van de zwakte van de verslagen Menapiërs gebruik om met zijn troepen onmiddellijk naar het door de Usipeten en Tenderen veroverde gebied te trekken. Iedereen die daar leefde werd gedood, mannen, vrouwen en kinderen. De slachting was totaal. De Usipeten en de Tencteren verdwijnen voor altijd van de aardbodem.
Nu was voor Caesar de weg vrij om ook met de Eburonen af te rekenen. Maar in 54 hadden de Menapiërs en de Eburonen een bondgenootschap gesloten tegen de Romeinen, waardoor Caesar verplicht werd zijn oorlogsplannen te wijzigen. In plaats van rechtstreeks door te stoten naar het land der Eburonen besloot hij in 53 eens en voor altijd af te rekenen met de Menapiërs. Aan het hoofd van vijf legioenen, verdeeld in drie afdelingen, omsingelde hij de kern van het Menapisch gebied. Systematisch begon de verwoesting. Alle dorpen die de Romeinen tijdens hun opmars tegen kwamen werden platgebrand en de kudden vee uiteengedreven. Niet bestand tegen de Romeinse macht, trokken de Menapiërs zich terug in de dichte bossen en moerassen die in het Menapische land overvloedig aanwezig waren. Maar de technisch superieure Romeinen trokken vechtpaden door de bossen, sloegen bruggen over de moerassen en drongen zo door tot in het diepste van het Menapische land. Na alle hoop op mogelijke weerstand te hebben opgegeven gaven de Menapiërs zich nog hetzelfde jaar aan de Romeinen over.
De weg was nu vrij om ook nog de Eburonen te onderwerpen. Caesar wilde absoluut komaf maken met die weerbarstige Kelten want hij wilde zo vlug mogelijk naar Rome terugkeren, waar Pompeius en Crassus ondertussen (in 55 v.C.) tot consul waren verkozen.
In oktober van 54 had hij reeds een legioen en vijf cohorten, onder bevel van de reeds vernoemde generaals Sabinus en Cotta, in Atuatuca (het huidige Tongeren) in winterkwartier gelegd. Maar Ambiorix, hoofdman der Eburonen, slaagde er met een of andere list in de Romeinen uit hun kamp te lokken en de bezetting volledig te vernietigen. Van deze Romeinse bezetting verlost trok Ambiorix op naar het Romeinse kamp van Quintus Cicero (broeder van Marcus Cicero, de Romeinse staatsman en redenaar) waar hij met 60.000 man aankwam om ook deze Romeinse vesting te vernietigen. Dit zou ook mogelijk zijn geweest had Caesar geen kennis gekregen van de hachelijke toestand waarin zijn troepen verkeerden.
Caesar
begreep dat Ambiorix (zie
foto) de ziel
was achter de weerstand die de Eburonen boden aan de Romeinse
legioenen. Hij moest hem dood of levend in de handen trachten te
krijgen. In 53 rukte hij tegen de Eburonen van Ambiorix op met 10
legioenen (één legioen was ongeveer 6.000 man sterk) en
vestigde hij zijn hoofdkwartier in Atuatuca. Van daar uit ondernam
hij verschillende veldtochten die tot de uiteindelijk teloorgang
van het Eburoonse volk zal leiden. Drie maanden lang houdt hij zich
bezig met het uitmoorden van dit fiere volk. Plunderend trekt hij
door de Ardennen. Overal waar zijn troepen voorbijkomen, wordt
alles in brand gestoken, huizen vernietigd en zowel mensen als vee
gedood.
Maar Ambiorix zelf kreeg hij niet te pakken. Die had
waarschijnlijk een onderkomen gevonden bij de Germanen over de
Rijn, maar bleef een schrikbeeld voor Caesar.
In 51 kwam Ambiorix plotseling terug met 25.000 man en zette het
door de Romeinen veroverde land te vuur en te zwaard.
Waarschijnlijk heeft Ambiorix getracht zijn uiteengedreven en
verslagen stamgenoten nog éénmaal te verenigen om aldus,
met vereende krachten, de gehate Romeinen een dodelijke slag toe te
brengen, maar zijn opzet mislukte. Zijn troepen werden in de pan
gehakt en het Eburoonse land, wat er nog van overbleef, werd
volledig verwoest. Het waren de laatste stuiptrekkingen van de
onafhankelijkheid onzer gewesten. Ambiorix kwam nooit meer terug.
Wat er uiteindelijk met hem gebeurde weten we niet, maar meer dan
waarschijnlijk is hij in Germanië als banneling gestorven.
Na de verovering van Gallië keerde Caesar in 49 v. C. naar Rome terug om Pompeius te bestrijden die ondertussen, samen met de Senaat, in Rome de macht had gegrepen. Hij trekt de Rubicon over en begint een lange strijd tegen Pompeius, die hij ten slotte in Griekenland verslaat. Caesar wordt oppermachtig en keert nooit meer naar onze contreien terug.
Daar was ook geen nood aan want van dan af maakte ons land
voor
meer dan vier eeuwen deel uit van het Romeinse Rijk. Het was de
langste periode van relatieve rust die ons land ooit heeft
gekend.
We zeggen relatieve rust, want in 30 v. Chr. komen de
Morinen opnieuw in opstand. Met de Morinen
viel
niet te praten. Ze waren woest, onhandelbaar, heethoofdig en
krijgszuchtig. Het was nu zowat 25 jaar geleden dat Sabinus hen tot
gehoorzaamheid had gedwongen, maar ze waren het nog steeds niet
vergeten. Bovendien voelden ze zich gekrenkt omdat ze door de
Romeinen bij de cijnsschatplichtige stammen werden gerekend en
beschouwd werden als een barbarenvolk, niet enig ernstig juridisch
statuut waardig.
Augustus, de geadopteerde zoon van Julius Caesar, die ondertussen de titel van Keizer van Rome had aangenomen, stuurde pro-consul Carrinas op hen af, maar deze had het bijzonder lastig, want de Morinen waren er in geslaagd een coalitie te vormen met de naburige Atrebaten en zelfs met de Sueven van over de Rijn. Maar zelfs deze machtige coalitie was niet opgewassen tegen de goed georganiseerde Romeinen. De Morinen vochten als wildemannen, stormden roepend en tierend op de vijand af en liepen zich dood op de Romeinse werpspiesen die met hun ijzeren punten de houten schilden van de opstandelingen gemakkelijk doorboorden. Zoals te verwachten eindigde de strijd met een totale overwinning voor de Romeinen. Van dan af hoort men niet meer over de Morinen spreken. Nog een volk dat van de aardbodem verdwijnt.
Opnieuw was de rust van korte duur. Nauwelijks hadden de
Romeinen met de Morinen afgerekend of de Trevieren
kwamen in opstand (in 29 v. C.). Deze werd echter tamelijk vlug in
de kiem gesmoord door Nonius Gallus, de opvolger van
Carrinas.
Ook dit hielp niet veel, want 50 jaar later, in het jaar 21 van
onze jaartelling komen de Gallische stammen, onder leiding van
Julius Sacrovir, hoofdman van de Aeduers,
en
Julius Florus, hoofdman van de Trevieren,
opnieuw
in opstand tegen de Romeinse bezetting. Beide oproerlingen stamden
uit welgestelde families die van de Romeinen burgerrechten hadden
gekregen in ruil voor trouw aan de Romeinse Keizer. De opstand was
dan ook niet meteen een poging om de reeds lang vergane
onafhankelijkheid terug te krijgen maar eerder een verzet tegen de
zware belastingsdruk die op de bevolking woog.
Het plan van Florus bestond erin de rijke Romeinse handelaars om te brengen en zo de overheid tot toegevingen te dwingen wat belasting heffen betreft. De Trevieren waren echter niet zo happig om aan dit plan deel te nemen, zodat de onderneming mislukte. Florus moest vluchten en verschool zich met een groep opstandelingen in de Ardense bossen. Achtervolgd door de elitetroepen van Julius Indus, eveneens een Trevier maar voorstander van samenwerking met de Romeinen, trachtte hij nog te ontkomen, maar toen de soldaten van Indus hem de weg versperden pleegde hij zelfmoord. Daarmee eindigde de zoveelste bloedige opstand.
Dit was echter niet de laatste. In 69 woedde de burgeroorlog in Rome met Galba, Otho, Vitelius en Vespasianus. Vele legioenen waren van de Rijn naar Rome teruggeroepen zodat het Romeinse grensleger er ernstig verzwakt voorstond. De Keltische en Germaanse stammen van Noord-Gallië, de Trevieren (opnieuw) en de Bataven, maakten daar gebruik van en vormden nu een bondgenootschap onder leiding van de Bataaf Claudius Civilis. Deze stamde uit een koninklijk geslacht en was Romeins staatsburger. Door zijn optreden tegen de Romeinen werd hij door Fonteius Capito, de bevelhebber van het Romeinse leger ten westen van de Rijn, van hoogverraad beschuldigd en naar Rome gezonden om door Nero te worden gevonnist. Maar Nero overleed nog vóór het vonnis kon plaats hebben en Civilis werd door Galba, die Nero als keizer had opgevolgd, vrijgesproken. Civilis keerde naar Noord-Gallië terug en dacht van de politieke verwarring die op Nero's dood volgde gebruik te maken om zijn volk van de Romeinse heerschappij te bevrijden.
Verzekerd van de hulp van de Kaninefaten en de Friezen begon hij zijn veldtocht tegen de Romeinse legioenen. Aangevoerd door Brinio, de hoofdman van de Kaninefaten, overrompelden ze een Romeins legerkamp van twee cohorten, gelegen in het huidige Zuid-Holland. Kort daarop kwam het tot een treffen tussen Civilis en de Romeinen in de Betuwe, waarbij Civilis de volledige overwinning behaalde. Bovendien slaagde hij er in de Romeinse vloot, die aan de Noordzeekusten voor anker lag, te overmeesteren. Hordeonius Flaccus, opperbevelhebber van het Romeinse leger aan de Rijn gaf daarop bevel aan zijn troepen tegen Civilis op te rukken. Er volgde een tweede veldslag in de Betuwe die opnieuw door Civilis gewonnen werd.
Door
deze overwinning
kreeg Civilis (zie foto) ook de Nerviërs
en
de Menapiërs op zijn hand en kon hij aldus aan het hoofd van
een machtig leger optrekken naar het oosten. Ongehinderd bereikte
hij de Maas ter hoogte van het huidige Maastricht, waar de overgang
in de handen was' van Claudius Labeo, een Romeins officier die in
allerijl een groep vrijwilligers op de been had kunnen brengen. De
macht van Civilis was echter te groot om weerstand te kunnen
bieden. Om niet omsingeld te worden moest Labeo overhaast de vlucht
nemen.
Van toen af begon het tij zich echter tegen Civilis te keren.
In
Rome had Vespasianus zijn rivaal Vitelius uitgeschakeld waardoor
nieuwe legioenen vrijkwamen om de orde in Gallië te
herstellen. Cerialis, een buitengewoon bekwaam generaal, werd
aangesteld om met de verschillende legioenen uit Spanje,
Italië en Groot-Brittannië tegen Civilis op te rukken.
Deze werd eerst bij Mainz verslagen, nadien bij Trier en tenslotte
bij Vetera naast Xanten aan de Rijn, in juli 70.
Civilis moest zich terug trekken op het eiland der Bataven (de
Rijndelta) van waaruit hij nog enkele aanvallen op de Romeinen kon
ondernemen, maar de strijd was gestreden. Ook het insula
Batavorum werd door Cerialis ingenomen en vernietigd. Kort
daarna, in oktober 70, werd er tussen Civilis en Ceriales eindelijk
vrede gesloten. Wat er later met Civilis is gebeurd weten we niet.
Eén van de vele historische raadsels.
Na het jaar 70 wordt het nogal rustig in onze streken tot in 356 wanneer de Franken voor de eerste keer de Rijn oversteken en het gebied van Tongeren binnenvallen. Ook deze bezetting was van korte duur. In de lente van 358 werden ze door de Romeinen verrast en op de vlucht gedreven. Ze zullen later in 427 terugkomen en op de oude Romeins-Gallische landen hun rijk stichten.
Hiermee eindigt voor ons land wat we de Romeinse tijd hebben genoemd.
Wat is er van die hele lange periode van meer dan vier eeuwen
voor ons land overgebleven? Niet veel.
Men moet bedenken dat het Vlaamse land toendertijd niet het
vruchtbare karakter kende van nu. Wegens zijn uitgestrekte bossen,
heiden en moerassen was het land slechts schaars bewoond en heeft
het nooit de begeerlijkheid van de geromaniseerde
grootgrondbezitters opgewekt. Hierdoor is het Vlaamse land nooit
helemaal Romeins geworden, niettegenstaande het wel deel uitmaakte
van het Romeinse bestuur, dat na Caesar over geheel Gallië
werd ingericht.
Toen de Franken de Rijn overstaken en onze gebieden veroverden, vonden ze in de Kempen en Vlaanderen slechts een dun bevolkt land, waaronder zij zich zonder veel problemen konden mengen en werd hun Germaanse taal door de bevolking overgenomen. Aan de grens van het dichtbevolkte zuiden, het huidige Wallonië, stootten ze echter op een volledig geromaniseerd gebied. Tussen die twee gebieden, het Vlaamse land ten noorden en Wallonië ten zuiden, ontstond op die wijze een taalgrens die nog steeds bestaat.
Wat er in het Vlaamse land wel is overgebleven van de Romeinse tijd is het Christendom. Nadat keizer Constantinus in 313 de christenvervolging had stopgezet, verspreidde deze nieuwe godsdienst zich vliegensvlug over vrijwel geheel Europa. Wat onze contreien betreft verscheen deze religie het eerst rond de streek van Tongeren, waarschijnlijk meegebracht door de soldaten die vanuit Rome de Rijngarnizoenen kwamen vervoegen.
Documentatie: kaart van Vlaanderen ten tijde van de Romeinen
Inhoudstafel - naar hoofdstuk 2
