Beknopte cursus Baskisch - cursus
1. Uitspraak
In het Baskisch worden alle letters uitgesproken en zijn er
geen accenten.
Er zijn echter enkele letters die anders worden uitgesproken dan in het
Nederlands:
'e' wordt uitgesproken als 'ee'
'g' wordt uitgesproken als de 'g' in het Franse 'garçon'
'u' wordt uitgesprokan als 'oe'
's' wordt uitgesproken als 'sj'
'x' wordt uitgesproken als 'sj'
'z' wordt uitgesproken als 's'.
In het Baskisch worden alle letters uitgesproken en zijn er geen accenten.
2. Het bepaald lidwoord
In het Baskisch hebben alle zelfstandige naamwoorden,
bijvoeglijke naamwoorden en werkwoorden een onveranderlijke stam. Die
worden aangevuld met achtervoegsels. Er is dus geen geslacht.
Om een woord bepaald te maken volstaat het het achtervoegsel -a
toe te voegen indien het woord niet op een 'a' eindigt. Eindigt het
woord wel op 'a', dan hoeft u niets te doen.
vb.
het meisje: neska
de jongen: gizona
Het meervoud wordt gevormd door het achtervoegsel -(a)k.
de jongens: gizonak
de vrouwen: emakumeak
3. De naamwoorden
3.1 De persoonlijke voornaamwoorden
ik: ni
jij: zu
hij/zij: hura
we: gu
jullie: zuek
zij: haiek
3.2 De bezittelijke voornaamwoorden
De persoonlijke voornaamwoorden kennen slechts één vorm
vermits het meervoud wordt gevormd door een aanpassing van het
zelfstandig naamwoord.
nire: mijn
zure: jouw
haren: zijn
bere: zijn - zijn eigen
In het Baskisch is de zijn in 'ik heb zijn vader gezien' en 'hij heeft zijn vader gezien' verschillend.
In het eerste geval wordt haren gebruikt omdat het niet om mijn eigen vader gaat. In het tweede geval wordt bere gebruikt omdat het gaat over de eigen vader van het onderwerp.
gure: ons, onze
zuen: jullie
haien: hun
beren: hun - hun eigen
3.3 De aanwijzende voornaamwoorden
Hau: deze
Hori: die
Hura: die (daar verderaf)
Gizon: man
Emazte: echtgenote
Emakume: vrouw
Neska: meisje
Mutil: jongen
Ikasle: leerling
Dus, dit meisje kan zowel 'neska hau', 'neska hori' als 'neska hura' zijn naargelang de plaats waar ze zich bevindt.
Meervoudsvorm:
Hauek: deze
Horiek: die
Haiek: die (daar verderaf)
3.4 Vragende voornaamwoorden
nor: wie
zer: wat
nun: waar
noiz: wanneer
nora: hoe
zenbat: hoeveel
zergatik: waarom (reden)
zertarako: waarom (doel)
nola/nolakoa: hoe (op welke manier)
noren: van wie
>nola da zure etxea?: Hoe is jouw huis?
>noren da etxea?: Van wie is het huis?
3.5 De bijvoeglijke naamwoorden
De bijvoeglijke naamwoorden staan altijd achter het zelfstandig naamwoord.
Tipi: klein
Handi: groot
Dit is een kleine man --> Gizon tipia da.
Zoals u ziet wordt het lidwoord aan het bijvoeglijk naamwoord toegevoegd.
Indien er meerdere bijvoeglijke naamwoorden zijn, wordt het
lidwoord toegevoegd aan het laatste bijvoeglijk naamwoord in de rij.
vb. Gizon handi beltza: de grote zwarte man.
Toch is dit niet altijd het geval.
Als je wil zeggen het is een kleine man,
dan is het adjectief bijvoeglijk. We zeggen dus gizon tipia
da (enkel het adjectief krijgt het lidwoord).
Als je daarentegen wil zeggen de man is klein,
dan vormt het adjectief het gezegde. In het Baskisch wordt dit dan gizona
tipia da (zowel het bijvoeglijk als het zelfstandig
naamwoord krijgen een lidwoord).
Hetzelfde geldt voor het meervoud.
vb.
Het zijn groten mannen: Gizon handiak dira.
De mannen zijn groot: Gizonak handiak dira.
4. Het werkwoord zijn (izan)
(ni) naiz: ik ben
(zu) zara: jij bent
(hura) da: hij/zij is
(gu) gara: wij zijn
(zuek) zarete: jullie zijn
(haiek) dira: zij zijn
Om het werkwoord negatief te maken (niet zijn) volstaat het het woord ez vooraan het werkwoord te plaatsen.
Opgelet: Bij het vervoegen met het werkwoord izan,
moet het bepaald lidwoord aan het zelfstandig naamwoord worden
toegevoegd.
In een bevestigende zin komt het werkwoord aan het eind van de zin.
In een ontkennende zin komt het werkwoord na nominale groep.
vb. ik ben een jongen: gizona naiz - ik ben geen jongen: ez naiz gizona
nor?: wie?
zer?: wat?
nun?: waar?
Wie is het ?: nor da?
Wat is het?: zer da?
Bainan: maar
Eta: en
Beti: altijd
Hemen: hier
Nor da neska hori?: Wie is dat meisje?
Neska hori ikaslea da bainan mutil hau ez da ikaslea. --> Dat
meisje is een leerlinge maar deze jongen is geen leerling.
5 Het werkwoord hebben (ukan)
Ukan is het tweede hulpwerkwoord in het Baskisch. Er zijn twee verschillende vervoegingen, al naargelang het voorwerp in het enkelvoud of meervoud staat.
Opmerking: ukan werkt met overgankelijke werkwoorden (die verplicht een lijdend voorwerp hebben). De vertaling van dut is niet ik heb maar ik heb het en de vertaling van ditugu is niet wij hebben maar wij hebben het.
* Onderwerpen van het werkwoord ukan
Als het onderwerp een eigennaam is, wordt -(e)k aan het einde toegevoegd
>Mirentxuk ; Clintonek
Indien het onderwerp een soortnaam is, wordt -(a)k toegevoegd in het enkelvoud en -(e)k in het meervoud.
>gizonak etxe bat du: de man heeft een huis
>gizonek hiru etxe dituzte: de mannen hebben drie huizen
* de aanwijzende voornaamwoorden
De aanwijzende voornaamwoorden hebben en eigen vorm die met het werkwoord ukan wordt gebruikt.
hau > honek
hori > horrek
hu(r)a > harek
Voor de meervoudsvormen van de aanwijzende voornaamwoorden is er geen verschil.
6 De voorzetsels
6.1 Het voorzetsel 'in'
Het plaatsaanduidende voorzetsel 'in' wordt steeds op dezelfde manier gebruikt:
a) bij eigennamen:
-(e)n wordt toegevoegd aan het
eind van de eigennaam.
Als je weet dat 'Bordale' Baskisch is voor 'Bordeaux', dan staat
'Bordalen' voor 'in Bordeaux'.
In Berlijn wordt dan 'Berlinen'.
b) bij gewone woorden:
Aan de stam van het woord wordt -(a)n
toegevoegd.
Mendi (berg) wordt dus 'mendian' (op de berg).
Noot: om dit beter te begrijpen moet je het Baskische woord omgekeerd vertalen.
Mendian = mendi + a + n
mendi: berg
-a: de
-n: op
Omgekeerd geeft dit dus: op de berg
Voor het meervoud wordt -etan
toegevoegd.
vb. mendietan: op de bergen
6.2 Het voorzetsel 'van' + plaats
Het voorzetsel 'van' wordt op een gelijklopende manier gevormd.
-(e)ko wordt toegevoegd aan de stam van
het woord.
Unibertsitate (universiteit) --> de universiteit van Bordeaux
wordt dan Bordaleko unibertsitatea.
Ander vb.
Alkia: stoel
Gela: klas
Dus: "de stoel van de klas" --> gelako alkia
6.3 Het voorzetsel 'met'
In het enkelvoud wordt -(a)rekin
toegevoegd; in het meervoud gebruikt men -ekin.
vb.
gizonarekin: met de man
gizonekin: met de mannen
6.4 Het voorzetsel 'van'
Aan het woord wordt -(a)ren
toegevoegd. Opgelet: dit wordt enkel gebruikt voor levende voorwerpen
zoals mensen, vogels, vissen, ...
vb.
gizonaren etxea: het huis dat aan de man toebehoort, ofwel: het huis
van de man.
In het geval van niet-levende voorwerpen wordt -ko toegevoegd.
7 De getallen
1: bat
2: bi
3: hiru
4: lau
5: bost
6: sei
7: zazpi
8: zortzi
9: bederatzi
10: hamar
11: hamaika
12: hamabi
13: hamahiru
14: hamalau
15: hamabost
16: hamasei
17: hamazazpi
18: hemezortzi
19: hemeretzi
20: hogei
In het Baskisch telt men per twintig op, zoals de Fransen dat
doen vanaf 60 (soixante quinze = soixante plus quinze).
Kortom, in het Baskisch zegt men niet dertig dan
wel twintig en tien.
10: hamar
20: hogei
30: hogei ta hamar (ta is de gesproken
samentrekking van eta)
40: berrogei
50: berrogei ta hamar
60: hirurogei
70: hirurogei ta hamar
80: laurogei
90: laurogai ta hamar
100: ehun
200: berrehun
300: hirurehun
400: laurehun
500: bostehun
600: seirehun
700: zazpirehun
800: zortzirehun
900: bederatzirehun
1000: mila
1998 wordt dan: mila bederatzirehun ta laurogei ta hemezortzi
8 De tijd
8.1 De Dagen
Egunak: de dagen
Astelehena: maandag
Asteartea: dinsdag
Asteazkena: woensdag
Osteguna: donderdag
Ostirala: vrijdag
Larunbata: zaterdag
Igandea: zondag
8.2 De maanden
Urtarrila: januari
Otsaila: februari
Martxoa: maart
Apirila: april
Maiatza: mei
Ekaina: juni
Uztaila: juli
Agorrila: augustus
Iraila: september
Urria: oktober
Azaroa: november
Abendua: december
(!) Om te zeggen 'in (naam van de maand)' moet je -n
toevoegen indien de maand eindigt op twee klinkers.
Zoniet wordt de finale -a verwijderd en
voegt men -ean toe.
vb.
Urrian: in oktober
Otsailean: in februari
8.3 De datum
Leren we even hoe we "zondag 13 december 1998" moeten zeggen.
De volgorde in het Baskisch wordt: jaar / maand / dag in de maand / dag van de week.
Bijzonderheden:
Aan het jaar wodt -ko toegevoegd.
Aan de maand wordt -ren of -ean
toegevoegd.
Aan de dag wordt -(e)an toegevoegd.
Aan de dag van de week wordt -(a)rekin
toegevoegd.
Zondag 13 december 1998 wordt dus: 1998-ko anbenduaren 13-an
igandearekin.
Of in gesproken vorm:
mila bederatzirehun ta laurogei ta hemezortziko abenduaren hamahiruan
igandearekin. (!)
8.4 Het uur
Noot: In het Baskisch verloopt de tijdsaanduiding zoals in het Engels. De tijd wordt in twee helften van 12 uur verdeeld.
Basiswoordenschat:
goiz: ochtend
goizeko: 's ochtends
arratsalde: namiddag
arratsaldeko: 's namiddags
gau: nacht
eguerdi: middag
gauerdi: middernacht
Zer ordu da?: Hoe laat is het?
Om op deze vraag te antwoorden, moeten we eerst de volledige vorm leren om vervolgens naar de korte vorm (spreektaal) te gaan.
ordu bata da: het is 1 uur (enige mogelijke vorm)
Voor alle andere uren:
bi orduak dira > bi (ordu)ak dira > biak: het is twee uur.
Zoals u misschien heeft gezien wordt het werkwoord izan vervoegd in de derde persoon meervoud (dira). Dit is net als in het Spaans (vb. Son las once.). Letterlijk zegt men dus niet 'het is twee uur', maar 'het zijn twee uren'.
hiruak: het is drie uur
laurden: kwart
erdi: half
hiruak ta laurden: (het is) kwart na drie (lett. drie uur en
een kwart) (ta is de gesproken samentrekking van eta)
biak ta erdi: (het is) half drie (lett. twee uur en een half).
guti: min
>bosteak laurden guti: kwart voor vijf (vijf uur min een kwart).
Opmerking: eguerdi en gauerdi kunnen enkel bij volle uren worden gebruikt.
ze orduan da ?: Om welk uur?
bietan (bi-etan): om 2 uur
seiak ta laurdenetan: om kwart na zes
seiak laurden gutitan: om kwart voor zes
9 De partitief
Hier leren we om niet/geen te zeggen in er zijn geen...
Daartoe moeten we aan het einde van het woord -(r)ik toevoegen.
>ogi: brood
>ez da ogirik: er is geen brood
>ez da gizonik: er is geen man
Opmerking: dit werkt enkel met ontkennende zinnen.
10 Euskal aditzak (de Baskische werkwoorden)
10.1 Algemeen
De Baskische werkwoorden worden in drie categorieën onderverdeeld. Er is ook niet echt een infinitief-vorm: wat in het Nederlands een infinitief is, is in het Baskisch een voltooid deelwoord.
(A) De werkwoorden op -i
ikusi: zien (gezien)
ibili: lopen (gelopen)
ikasi: leren
(B) De werkwoorden op -tu
mintzatu: spreken
hartu: nemen
begiratu: kijken
(C) De werkwoorden op -n
eman: geven
erran: zeggen
ukan: hebben
izan: zijn
joan: gaan
(D) De rest
bete: vullen
erre: branden, roken
10.2 De voltooid tegenwoordige tijd
Dit is de eenvoudigste tijd.
Het volstaat het voltooid deelwoord en het hulpwerkwoord te nemen en enkel het hulpwerkwoord te vervoegen.
> ikusi dut: ik heb het gezien
> eman ditut: ik heb het hen gegeven
> ez dut ikusi: ik heb het niet gezien
> gizonek etxe bat egin dute: de mannen maken een huis
10.3 De tegenwoordige tijd
* Voor de werkwoorden uit groep A, verwijder -tu of -du en voeg -tzen toe.
> hartzen dut: ik neem het
* Voor de werkwoorden uit groep B die eindigen op -i, verwijder deze i en voeg -ten toe.
> ikusten dut: ik zie het
* Voor de werkwoorden uit groep B die eindigen op -ri, verwijder -ri en voeg -tzen toe.
> etortzen da: ik kom
* Voor de werkwoorden uit groep C, verwijder -n en voeg -ten toe.
> erraten dut: ik zeg het
* Voor de werkwoorden uit groep D, voeg eenvoudigweg -tzen toe.
> baso bat betetzen dut: ik vul een glas
10.4 De toekomende tijd
Aan het voltooid deelwoord wordt -ko toegevoegd, behalve als het deelwoord eindigt op -n. Dan wordt -go toegevoegd.
vb. etorriko dut: ik zal komen
gordeko dut: ik zal het verbergen
10.5 Nominalisatie
In het Baskisch kunnen alle werkwoorden worden genominaliseerd. Dat betekent dat het zelfstandige naamwoorden kunnen worden (net als in het Nederlands)..
De werkwoorden met een voltooid deelwoord dat eindigt op -n
zien die -n verdwijnen en voegen -te
toe.
> erran: zeggen > errate: het zeggen
Indien het voltooid deelwoord eindigt op -tu of -du zien deze suffix veranderen in -tze.
> hartu > hartze: het nemen
Werkwoorden met een voltooid deelwoord dat eindigt op -i
zien het achtervoegsel veranderd in -te
indien de -i wordt voorafgegaan door een s,
een z of een tz
maar wordt een -tze indien de -i
voorafgegaan wordt door een andere letter zoals rr
of l.
> ikusi > ikuste: het zien
> idatzi > idatzte > idatze: het schrijven
maar
> ibili > ibiltze: het wandelen
Bij de werkwoorden uit groep D, wordt bijna altijd -tze
toegevoegd
> erre > erretze: het branden
Heel belangrijk:
Aangezien alle Baskische werkwoorden te allen tijde zelfstandig kunnen worden, t.t.z. genominaliseerd worden, worden ze verbogen zoals de andere zelfstandige naamwoorden (mendi, etxe,...).
U kan zich afvragen tot wat dit dient. Wel, deze nominalisatie wordt bv. gebruikt voor zinnen als 'verboden te roken'.
> erretzea debekatua da: het roken is verboden (verboden te roken)
10.6 te+infinitief
We hebben gezien dat werkwoorden vaak met achtervoegsels werken. Om 'te+infinitief' uit te drukken volstaat het aan het werkwoorden het achtervoegsel -teko toe te voegen.
> Om je beter te zien: zu hobeki ikusteko
10.7 Enkele belangrijke werkwoorden
* Werkwoorden uit de groep A
ateratu: weggaan
galdu: verliezen
hartu: nemen
mintzatu: spreken
begiratu: kijken
gordatu: verbergen
hunkitu: aanraken
zikindu: buitengaan
bilatu: zoeken
handitu: groeien
lagundu: helpen
* Werkwoorden uit de groep B
ahantzi: vergeten
erori: vallen
idatzi: schrijven
irauli: terugkeren
bidali: sturen
erosi: verkopen
ideki: openen
itzuli: vertalen
ebaki: snijden
etorri: komen
igorri: sturen
jali: buitengaan
ebatsi: vliegen
ezarri: leggen
ikasi: leren
jarraiki: volgen
edeki: wegnemen
hautsi: breken
ikusi: zien
jarri: (gaan) zitten
eduki: houden
hertsi: sluiten
irakatsi: onderwijzen
jautsi: dalen
egosi: bakken
hetsi: sluiteni
rakurri: lezen
jeiki: opstaan (uit bed)
ekarri: dragen
ibili: lopen
irakutsi: tonen
utzi: laten
* Werkwoorden uit de groep C
berregin: herbeginnen
eman: geven
hauteman: opmerken
jakin: weten
desegin: afbreken
entzun: begrijpen
igan: tonen
jan: eten
edan: drinken
erantzun: antwoorden
iragan: oversteken
jasan: verdragen
egin: maken
erran: zeggen
iraun: duren
joan: gaan
egon: zijn, zich bevinden
hatxeman: pakken
izan: zijn
ukan: hebben
* Werkwoorden uit de groep D
ase: de honger stillen
erre: branden
hil: sterven, doden
jaio: geboren worden
bete: vullen
gorde: verbergen
ito: blussen
jo: slaan
10.8 Omslachtige en synthetische vormen
10.8.1 Inleiding
We hebben hierboven gezien hoe je werkwoorden kan vervoegen
met een hulpwerkwoord. Deze manier van vervoegen wordt de omslachtige
manier genoemd.
De meerderheid van de werkwoorden staan echter een equivalent toe dat
uit slechts één woord bestaat. Dat is de synthetische vorm.
Er zijn ook werkwoorden die enkel in de synthetische vorm kunnen worden
vervoegd.
Voorbeelden van equivalentie:
"etortzen naiz "(ik loop) kan ook gezegd worden als "nator".
"joaten da" (hij gaat erheen) kan ook gezegd worden als "doa".
Het gebruik van deze synthetische vormen vergemakkelijkt de conversatie.
10.8.2 Enkele voorbeelden van de meest voorkomende synthetische vormen
IZAN (zijn):
naiz
zara
da
gara
zarete
dira
ETORRI (komen):
nator
zatoz
dator
gatoz
zatozte
datoz
JOAN (gaan):
noa
zoaz
doa
goaz
zoazte
doaz
UKAN (hebben):
dut
duzu
du
dugu
duzue
dute
IBILI (stappen):
nabil
zabiltza
dabil
gabiltza
zabiltzate
dabiltza
EKARRI (dragen):
dakart
dakarzu
dakar
dakargu
dakarzue
dakarte
JAKIN (weten):
dakit
dakizu
daki
dakigu
dakizue
badakite
EDUKI (houden):
daukat
daukazu
dauka
daukagu
daukazue
daukate
De hierboven vermelde werkwoorden zijn enkel in de tegenwoordige tijd vervoegd en in de vorm met een enkelvoudige lijdend voorwerp.
We vermelden de korte vorm enkel zodat u niet verrast bent wanneer u ze tegenkomt.
Begin niet meteen met dit alles uit het hoofd te leren. De diverse vormen worden al te gemakkelijk verward. Begin met het kunnen herkennen van deze werkwoordsvervoeging.
10.9 De twee werkwoorden "zijn"
Net als in het Spaans, kent het Baskisch twee werkwoorden voor
'zijn': izan en egon.
Izan hebben we reeds besproken. Hier bekijken we egon
en de omstandigheden waarin het ene of het andere werkwoord wordt
gebruikt.
Wie Spaans kent heeft het makkelijk. De verschillen zijn net dezelfde
als bij het Spaanse ser en estar.
Izan wordt gebruukt voor een vaststaand feit zoals
in 'ik ben Frans' (fransesa naiz) of in 'hij is groot' (handia da). Egon
wordt gebruikt voor een tijdelijke toestand: 'ik ben in het huis'.
EGON
nago
zaude
da
gaude
zaudete
daute
11. Woordenschat
11.1 Beleefdheidsformules
egun on: goeiedag
arrastalde on: goeie namiddag
gau on: goeienacht
urte on: gelukkig jaar
in Frans Baskenland: agur: halle (bij
aankomst) en adio: tot ziens
in Spaans Baskenland: kaixo en agur
nola zara?: hoe gaat het?
milesker, eskerrik asko: dank je
deusetaz: graag gedaan
otoi: alstublieft
barkatu!: excuseer!
gero arte: zo dadelijk
badoa?: hoe gaat het?
gogotik: graag gedaan
zorionak: gefeleciteerd
dagizula on: smakelijk
xantza on: succes
osasuna!: Proost!
doluminak: innige deelneming
damu dut: het spijt me
ahantzi dut: ik ben het vergeten
gose naiz: ik heb honger
egarri naiz: ik heb dorst
hoztua naiz: ik heb het koud
berotua naiz: ik heb het warm
nekatua naiz: ik ben moe
presatua naiz: ik ben gehaast
banoa: ik ga weg
11.2 Gorputzeko zatiak (de lichaamsdelen)
burua: het hoofd
belahirriak: de oren
begiak: de ogen
ileak: het haar
sudurra: de neus
ahora: de mond
eskuak: de handen
ezker: links
eskuina: rechts
zangoak: de benen
oinak: de voeten
besoa: de arm
ukondoa: de elleboog
ukarai: de pols
belaunak: de knieën
11.3 De familie
ama: moeder
aita: vader
aitamak: de ouders
gurasoak: ---------
anaia: broer
arreba: zus
ahizpa: zus (van een meisje)
osaba, otto: nonkel
izeba: tante
amatxi: grootmoeder
aitatxi: grootvader
kusiak: de neven/nichten
alaba: dochter
seme: zoon
semetipi: kleinzoon
alabatipi: kleindochter
12 Richting en herkomst
* Om de richting aan te duiden, wordt -(a)ra toegevoegd aan het naamwoord
> etxera joaten naiz: ik ga naar huis
* Om de herkomst aan te duiden wordt dan weer -(a)tik toegevoegd
> etxetik etortzen da: hij komt van het huis
* Om dus te zeggen 'van Bayonne naar Anglet" zal men in het Baskisch zeggen: Baionatik Angelura
13 De bestemming
Net als in onze taal kan het verschil worden uitgedrukt tussen spreken en spreken tot iemand.
Daar waar we in het Nederlands het voorzetsel 'met' (of 'aan') toevoegen, verandert in het Baskisch het werkwoord.
We zullen als voorbeeld bekijken op welke manier een en ander
in de derde persoon enkelvoud wordt gezegd, zoals in 'hij antwoordt
hem' of 'hij geeft het aan Mikel'
Het vervoegde werkwoord du verandert in dio.
> erantzuten du: hij antwoordt / erantzuten dio: hij antwoordt
hem.
Indien we de persoon kennen die de actie ondergaat
en we hem of haar wensen te vernoemen, dan wordt aan het einde van
zijn/haar naam het achtervoegsel -(r)i
toegevoegd:
> "hij geeft het aan Mikel" wordt dan in het Baskisch: ematen
dio Mikeli
> "hij geeft het aan de vrouw": ematen dio emakumeari
14 Vertaaloefening 1
En vanaf nu is het aan u en kan u de reeds opgedane kennis van het Baskisch oefenen.
Probeer onderstaande tekst in keurig Nederlands te vertalen:
Irakurgaia 1
Pello eta Paskual lagun zaharra dira. Laguna dira, bai, baina
nahiko diferenteak. Pello handia da eta indarra du, Paskual, ordea,
txikia da eta indar gutxi du. Pellok ez du ilerik buruan; Paskualek,
berriz, ile luzea du. Pello gizon serioa da; Paskual, ordea nahiko
lotsagabea da.
Paskualek erre nahi du baina ez du tabakorik
- Kaixo, laguna! Ba duzu zigarrorik? galdetzen dio Pellori.
Pellok ere ez du zigarrorik.
- Barkatu, Paskual -esaten dio- baina nik ere ez dut. Hor badute. Joan
eta erosi
Paskualek ez du dirurik.
-Ezin dut erosi -esaten du- ,dirurik ere ez dut...
-Zenbat nahi duzu? -galdetzen dio lagunak nahiko haserre.
- Hamar duro bakarrik. Nahikoa izango da. Zigarro paketeak ez du
gehiago balio -erantzuten dio besteak.
Pellok dirua ematen dio Paskuali, baina jenio txarra du eta honela
esaten dio:
-Tori, bada, dirua. Zigarroak erosi eta ez agertu hemen gehiago!
Paskual takako-dendara joan da.
- Honek du arpegia! -esaten du Pellok
Bi minuto pasa dira eta hor da berriz gure gizona.
-Zer nahi duzu orain, -galdetzen dio Pellok oso haserre.
-Sua... -erantzuten dio Paskualek.
Benetan aurpegi gogora du Paskualek.
> vertaling <
15 Vertaaloefening 2
Txano Gorritxo (Deel 1)
Etxe batean, Txano Gorritxo eta bere ama bizi dira. Egun
batez, amak erraten du Txano Gorritxori:
- Txano Gorritxo, gaur amatxiren urtebetetzea da eta opari batzu egin
behar dituzu. Otarre honetan arroltzak, sagarrak eta pastel gozo bat
sartu ditut. Zuzen-zuzen joan behar duzu, bidenabar gelditu gabe.
- Ongi, ama. Horrela eginen dut erantzuten du Txano Gorritxok. Eta
etxetik ateratzen da.
Bidean, lili batzu ikusten ditu eta pentsaten du: "lili hauek politak
dira. Hartuko ditut eta amatxiri emango ditut. Pozik izango da". Eta
liliak biltzen ditu.
Orduan otsoa agertzen da. Otsoa biziki gaixtoa da.
Txano Gorritxori galdetzen du:
- Nora zoaz, Txano Gorritxo?
- Amatxiren etxera erantzuten du honek.
- Bai? Eta nun bizi da (zure) amatxi?
- Hantxe. Etxe tipi hartan.
- Biziki ongi erraten du otsoak. Eta oihanean sartzen da.
Txano Gorritxo (Deel 2)
Otsoa korrika hasten da eta amatxiren etxera iristen da.
Amatxi ohean da. Otsoa atea jotzen du eta amatxik galdegiten du
etxearen barnetik:
- Nor da?
- Txano Gorritxo naiz erantzuten du otsoak.
- Ideki atea eta sartu, erraten dio amatxik.
Otsoak etxeko atea idekitzen du, barnera sartzen da eta amatxi gaixoa
jaten du.
Ondoren amatxiren arropak jantzen ditu eta ohean sartzen da.
Txano Gorritxo iristen da eta atea jotzen du.
- Nor da? galdegiten du otsoak ohetik.
- Txano Gorritxo naiz.
- Ideki atea eta sartu erraten dio otsoak.
Txano Gorritxo barnera sartzen da. Otsoa ikusten du eta amatxi
dela
uste du. Orduan erraten dio:
- Amatxi, begiak biziki handiak dituzu!
- Zu obeki ikusteko! erraten dio otsoak.
- Amatxi, belarri handiak dituzu!
- Zuri hobeki entzuteko!
- Amatxi, zer hortz handiak!
- Zu hobeki jateko! erantzuten dio otsoak.
> vertaling <
Dit is het einde...
Proficiat als u het tot hier hebt gehaald. U hebt nu een basiskennis van deze taal en bent klaar om grondiger cursussen aan te pakken. Deze is alvast ideaal (u moet er wel een mondje Spaans voor kennen).
